ECLI:NL:TGZRZWO:2026:157 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/9030
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2026:157 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-10-2026 |
| Datum publicatie: | 12-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/9030 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen huisarts. Klager heeft door de huisarts oxycodon voorgeschreven gekregen in verband met nekpijnklachten. Klager maakt de huisarts verschillende verwijten over zijn begeleiding bij het gebruik/de afbouw van de oxycodon en zijn bejegening van klager. Het college verklaart de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing in raadkamer van 12 oktober 2026op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
tegen
C,
huisarts,
(destijds) werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. S.J. Muntinga, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager heeft door de huisarts oxycodon voorgeschreven gekregen in verband
met nekpijnklachten.
1.2 Klager maakt de huisarts verschillende verwijten over zijn begeleiding bij het gebruik/de afbouw van de oxycodon en zijn bejegening van klager.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe
het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlagen (waaronder geluidsbestanden), ontvangen op 22 september 2025;
- het verweerschrift met bijlagen;
- de repliek;
- de dupliek met bijlage;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 26 juni 2026;
- een aanvulling van verweerder naar aanleiding van het mondeling vooronderzoek;
- een reactie van klager.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 Klager heeft zich in januari 2023 als nieuwe patiënt ingeschreven in de praktijk van de huisarts.
3.2 Op 22 mei 2023 is klager met nekpijn gezien door een waarnemer in de praktijk.
De klachten werden geduid als tendomyogeen. Aanvankelijk werd geadviseerd om verergerende
activiteiten te vermijden, een andere vorm van fysiotherapie te starten en terug te
komen als de klachten verergerden.
3.3 Omdat de pijn niet verminderde, ook niet bij het gebruik van paracetamol en ibuprofen, nam klager weer contact op met de praktijk. Door de waarnemend huisarts is eind mei 2023 tramadol voorgeschreven.
3.4 Op 5 juni 2023 werd klager voor het eerst door de huisarts gezien voor zijn nekpijnklachten. Deze besloot nader onderzoek te verrichten naar de oorzaak van de pijn. Dit onderzoek (bloedonderzoek en röntgenfoto nek) bood geen verklaring voor de pijn.
3.5 Op 8 juni 2023 heeft de huisarts diclofenac voorgeschreven. Omdat ook dit niet afdoende werkte en klager tramadol niet verdroeg, heeft de huisarts op 19 juni 2023 voor het eerst een lage dosis langwerkende oxycodon aan klager voorgeschreven (van 5 mg, tweemaal daags 1 tot 2 tabletten).
3.6 Omdat klager aangaf dat de oxycodon niet 12 uur lang werkte, heeft de huisarts in overleg met klager de dosis verhoogd naar driemaal daags 5 mg.
3.7 Tijdens een consult op 24 juli 2023 werd in samenspraak besloten om de oxycodon af te bouwen. Daarbij was het advies van de huisarts om dit volgens een afbouwschema te doen.
3.8 Op 31 juli 2023 stuurde klager een e-mail aan de praktijk dat hij “cold turkey” was gestopt met de ocycodon. Omdat hij zich hierdoor erg ziek voelde, wilde hij alsnog graag een recept voor nieuwe oxycodon zodat hij dit vervolgens via een schema zou kunnen afbouwen. Hier is de huisarts mee akkoord gegaan. Wel heeft hij klager gewezen op het risico op verslaving.
3.9 In de periode hierna heeft de huisarts oxycodon voorgeschreven en vanwege klagers vakantie naar het buitenland op diens verzoek ook voor een langere periode. Verder is aan klager vanuit de praktijk een Schengenverklaring afgegeven voor de oxycodon. Klager was ondertussen zelf weer aan het afbouwen.
3.10 Op 22 september 2023 heeft weer contact tussen partijen plaatsgevonden. Klager was gestopt met de oxycodon, maar had nog steeds veel pijn. De huisarts verwees hem hierop naar een revalidatiearts en daarnaast zou klager zelf naar een fysiotherapeut zoeken. Eind september 2023 vroeg klager om toch weer pijnmedicatie voorgeschreven te krijgen. Er was sprake van een verergering van de nekklachten, waarbij klager vermoedde dat stress een toenemende rol speelde vanwege de zwangerschap van zijn vriendin en aanstaande geboorte van zijn kind. Na berichten over en weer in het patiëntenportaal heeft de huisarts uiteindelijk op 3 oktober 2023 weer een recept voor oxycodon naar de apotheek gestuurd voor een dosis van 5 mg MGA 2d1-2 tabletten, 30 stuks.
3.11 Op 11 oktober 2023 heeft de huisarts op verzoek van klager een herhaalrecept afgegeven. Klager was die dag door de revalidatiearts gezien en liet aan de huisarts weten dat volgens de revalidatiearts de pijn voortkwam uit een verkeerde houding na een kaakluxatie. De revalidatiearts verwees klager naar de kaakchirurg. Deze concludeerde na onderzoek:
“1. er is zeker een mate van tempero-mandibulaire dysfunctie aanwezig met ook een tendomyogene factor, een relatie met de vroegere kaakluxatie valt niet aan te geven.
2. het is niet erg waarschijnlijk dat deze TMD-klachten de primaire oorzaak zijn van de huidige heftige nekklachten”
3.12 Op 23 oktober 2023 vroeg klager de huisarts om de langwerkende oxycodon om te zetten in de kortwerkende variant. De huisarts weigerde dit en deed voor klager weer een bestelling van de langwerkende variant. Op 6 november 2023 heeft klager het verzoek om de kortwerkende oxycodon nogmaals gedaan via een e-consult, met het idee dan minder oxycodon te hoeven gebruiken. Hierover heeft op 9 november 2023 telefonisch contact plaatsgevonden tussenbeiden. Daarbij heeft de huisarts aan klager laten weten dat hij kortdurende oxycodon geen goede optie vond vanwege het verslavende effect. Wel werd afgesproken dat klager voor beperkte duur de kortwerkende variant zou krijgen en dat verweerder contact zou opnemen met de revalidatiearts. De huisarts heeft hiertoe een recept uitgeschreven van 14 capsules 5 MG met een dosering van 2D1C. Het recept voor de langwerkende variant heeft verweerder diezelfde dag stopgezet.
3.13 Op 13 november 2023 heeft de huisarts de situatie van klager besproken met de revalidatiearts. Deze stelde voor om klager te zien op het gemeenschappelijke spreekuur van de pijnarts en de revalidatiearts. Ook heeft de huisarts telefonisch met klager gesproken. Deze wilde toch weer de langwerkende variant. Hierop heeft de huisarts het recept voor kortwerkende oxycodon stopgezet.
3.14 Tijdens het spreekuur op 14 november 2023 heeft de huisarts onder meer het voorstel van de revalidatiearts met klager besproken. Genoteerd is:
“Afgesproken dat tot geboorte kind, uitgerekend op 29 december, hij op 2x10 mg oxycodon MGA blijft, niet meer. Wekelijks verstrekken. Mocht FT goed aanslaan, dan evt eerder afbouwen.
Indien geen effect na bevalling verwijzen naar gemeenschappelijk spreekuur revalidatiearts/pijn arts. Evt tegen wens patiënt in stoppen met voorschrijven.
Uitgelegd dat, hoewel hij er goed over heeft nagedacht en poen is tegen iedereen in zijn gebruik, ik hem niet eeuwig ga voorschrijven. Ook gezged dat dit moeilijk zal blijven, en dat er na de bevalling nog veel andere stressmomenten zullen zijn die het stoppen extra moeilijk zullen maken.”
De huisarts heeft op diezelfde dag met de apotheek afspraken gemaakt over de afgifte van oxycodon aan klager, waarbij de apotheek ná verstrekking aan klager een fiatteringsverzoek aan de huisarts stuurt. Aanvankelijk ging het om verstrekking één keer per week, op verzoek van klager is dat per 27 november 2023 gewijzigd in eens per twee weken.
3.15 De huisarts heeft vervolgens een recept aangemaakt voor 15 stuks oxycodon mga met een dosering van 10mg 2d1ta. Op 20 november 2023 volgde een recept voor 14 stuks.
3.16 Op 27 november 2023 heeft de huisarts klager in overleg verwezen naar het gemeenschappelijk spreekuur van de revalidatiearts en de pijnarts. Ook heeft verweerder op verzoek van klager een recept van 28 stuks oxycodon aangemaakt.
3.17 Op 14 december 2023 nam klager contact op met de huisartsenpraktijk omdat er geen oxycodon klaar lag bij de apotheek. In overleg met de apotheek heeft de huisarts er voor gezorgd dat klager nog diezelfde middag zijn medicatie kon ophalen bij de apotheek. Verder deelde klager mee dat hij op 5 januari 2024 een afspraak had staan met de revalidatiearts.
3.18 Op 9 januari 2024 vond opnieuw telefonisch contact plaats. Klager was door zijn oxycodon heen. Verder was de afspraak bij de revalidatiearts van 5 januari 2024 afgezegd en was een nieuwe afspraak gemaakt voor 25 januari 2024. De huisarts heeft een herhaalrecept oxycodon gegeven voor 28 stuks en afgesproken werd dat dit nu elke twee weken op dinsdag klaar zou liggen en niet vaker.
3.19 Op 25 januari 2024 is tijdens het revalidatieconsult (revalidatiearts, anesthesioloog, psycholoog) een afbouwschema overeengekomen. Afgesproken was dat klager vanaf de opvolgende maandag zou afbouwen per twee weken in stappen van 5 mg en dat weer recepten per twee weken zouden worden afgegeven. Naar aanleiding hiervan heeft de huisarts die dag het volgende recept afgegeven:
“OXYCODON TABLET MGA 10MG 2D1T 3D 6 stuk OXYCODON TABLET MGA 5MG 2D1-2T GVS 2W 42 stuk OXYCODON TABLET MGA 5MG 2D1T 2W 28 stuk OXYCODON TABLET MGA 5MG 1D1T 14 stuk”
3.20 Op telefonisch verzoek van de partner van klager, waaruit naar voren kwam dat klager erg gestrest was en psychische klachten had, heeft de huisarts klager op 8 februari 2024 verwezen naar de psycholoog.
3.21 Op 9 februari 2024 hebben klager en de huisarts telefonisch contact gehad. Klager was het niet eens met de afbouw van de oxycodon. De huisarts noteerde:
“Is het niet eens dat oxycodon nu wordt afgebouwd. Gaat niet goed met hem, vriendin
naar ziekenhuis ivm nabloeding. druk op werk, in therapie komt misbruik uit het verleden
boven. Kan de stress van het afbouwen er nu niet bij hebben. Wil wel stoppen, maar
nu niet. Behandeldnde specialisten in het ziekenhuis hadden ook voorgesteld plateau
fase in te bouwen. Ook niet eens met mijn waarschuwing aan DDG dat hij geen oxycodon
van hun mag krijgen. Wat als hij het nodig heeft?
(…)
Geweigerd meer oxycodon voor te schrijven. Behandeling over gedragen aan specialisten, als zij een plateaufase een goed idee vinden zal ik dat uitvoeren, anders niet. Tevens uitgelegd dat ik afgesproken afbouw schema heb doorgegegeven aan poatheek, en dat die nu verantwoordelijk is voor twee wekelijks voorschrijven tot hij op nul pillen zit.”
3.22 De huisarts heeft op 13 februari 2024 contact gehad met de revalidatiearts. Deze had klager voor behandeling verwezen naar E. Daar zou ook het medicatiebeleid worden overgenomen. Tot die tijd werd dit door de huisartsenpraktijk gedaan, met een dosis van in totaal 15 mg per dag. Op 14 februari 2024 heeft de huisarts hierover met klager gesproken en ook weer een recept voor oxycodon afgegeven.
3.23 Uit contact van de huisarts met de verslavingsarts van E kwam naar voren dat er een wachtlijst was van enkele maanden en dat de intake niet bespoedigd kon worden.
3.24 Op verzoek van de ziekenhuispsycholoog en in overleg met klager heeft de huisarts klager op 8 maart 2024 verwezen naar de ziekenhuispsychiater. De psycholoog maakte zich zorgen om klager en vond dat hij psychotisch overkwam.
3.25 Ondertussen werd de verstrekking van langwerkende oxycodon op recept van de huisarts door de apotheek gecontinueerd middels recepten van een dosering van 5 MG 2D1-2TA. De huisarts heeft begin april 2024 met de apotheek afgesproken een recept af te geven voor drie maanden vooruit, met verstrekking aan klager per twee weken. Dit omdat in maart en april 2024 het recept niet steeds op tijd klaar lag bij de apotheek.
3.26 Op 2 mei 2024 hebben klager en de huisarts gesproken omdat klager een verhoging van zijn dosering wenste. De huisarts heeft van het gesprek de volgende notitie gemaakt:
“S Lang gesprek, wil meer oxycodon. Want heeft studie gelezen dat dat beter voor
hem zou zijn. Zou inmiddels ook onder behandeling zijn bij E.
P geweigerd. Is niet te corrigeren, blijft in cirkels praten, boos dat ik niet wil verantwoorden waarom ik niet meer wil oor schrijven. Gesprek beeindigd na herhaaldlijk bij mijn standpunt ben gebleven en hij toch door wil praten.
Bellen met E”
Klager heeft vervolgens diezelfde dag nog een uitvoerig bericht in het patiëntenportaal geplaatst waarin hij zijn ongenoegen heeft geuit over de aanpak van de huisarts, die volgens hem schade aanrichtte. De huisarts heeft in antwoord hierop in een bericht van 3 mei 2024 laten weten dat hij de indruk krijgt dat klager zelf niet door heeft dat hij verslaafd is en dat meer oxycodon niet de oplossing is. Ook heeft hij laten weten niet meer te gaan voorschrijven en dat, zodra hij van E een bericht heeft dat klager daar in behandeling is, zij het verstrekken van oxycodon kunnen overnemen. Ook heeft de huisarts klager erop gewezen dat het hem vrij staat om zich bij een andere huisarts in te schrijven als hij niet tevreden is met de eerder gemaakte afspraken.
3.27 Op 3 mei 2024 belde een familielid van klager de praktijk, het ging niet goed met klager en het vermoeden bestond dat sprake was van een psychose. Een collega huisarts heeft hierop een melding gedaan bij de crisisdienst. Op 4 mei is klager met een psychosche opgenomen op de spoedeisende hulp. Hierna is klager naar de crisisopvang gegaan. Klager is hier gestopt met het gebruik van oxycodon.
3.28 Per 1 juli 2024 is klager overgestapt naar een andere huisartsenpraktijk.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klager verwijt de huisarts:
- een onzorgvuldige en geforceerde afbouw van medicatie tegen de uitdrukkelijke wil van klager en gebrek aan inspraak;
- een onfatsoenlijke en stigmatiserende bejegening;
- het geven van te weinig informatie bij cruciale verwijzing;
- eenzijdig contact met de huisartsenpost;
- een bewust onjuiste dossiervoering.
4.2 Volgens de huisarts heeft hij zich ingezet om klager zo goed mogelijk te helpen.
Hij is van mening dat hij zorgvuldig heeft gehandeld en heeft het college verzocht
de klacht in alle onderdelen ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen
handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.
Klachtonderdeel a) onzorgvuldige en geforceerde afbouw medicatie
5.2 Klager verwijt de huisartseen onzorgvuldige en geforceerde afbouw van medicatie tegen de uitdrukkelijke wil van klager en gebrek aan inspraak.
5.3 Uit het dossier blijkt niet dat sprake is geweest van een geforceerde afbouw op initiatief van de huisarts. Wel ziet het college dat de huisarts het belang van afbouw telkens opnieuw benoemd heeft en dat daarbij steeds de intentie is geweest om die afbouw in overleg te doen. Ook ziet het college dat de huisarts geweigerd heeft de dosering op verzoek van klager te verhogen. Het college is – anders dan klager – van oordeel dat de huisarts hiermee zorgvuldig heeft gehandeld. Zeker bij een middel als oxycodon is het goed alert te blijven en toe te blijven zien op het verantwoorde gebruik daarvan en daarover ook in gesprek te blijven. Daarbij wijst de frequentie van het contact tussen partijen en de inhoud van de door klager opgenomen gesprekken niet op een gebrek aan inspraak van klager: hieruit leidt het college juist af dat de huisarts steeds rekening heeft willen houden met de situatie van klager, echter wel binnen de grenzen van verantwoord gebruik.
Klachtonderdeel a) is hiermee kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) onfatsoenlijke en stigmatiserende bejegening
5.4 Klager verwijt de huisarts onfatsoenlijke en stigmatiserende bejegening. Klager heeft ter onderbouwing verwezen naar een (door klager opgenomen) uitspraak van de huisarts dat klager verslaafd was en alles zei om maar meer drugs te krijgen.
5.5 Volgens de huisarts is van een onfatsoenlijke en stigmatiserende bejegening geen sprake. Hij heeft klager wel laten weten dat hij niet voor altijd door zou gaan met het voorschrijven van oxycodon. Daarmee heeft hij – uit goede zorg voor klager – de grens van zijn voorschrijfbeleid duidelijk gemaakt. Ten aanzien van de opmerking dat klager verslaafd was, meent de huisarts dat hij dit waarschijnlijk zo scherp heeft gesteld om een besef bij klager los te maken, dat het gebruik niet meer in verhouding stond tot de nekpijn en er iets moest veranderen om erger te voorkomen.
5.6 Het college kan deze toelichting van de huisarts volgen. De door klager meegezonden geluidsfragmenten betreffen een aantal korte fragmenten van gesprekken tussen klager en de huisarts, zonder duidelijke context. Hieruit blijkt niet van onfatsoenlijke of stigmatiserende bejegening. Het feit dat de huisarts klager een aantal keren verslaafd heeft genoemd en daarbij aan de oxycodon gerefereerd heeft als “drugs”, acht het college op zichzelf niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Naar het oordeel van het college past het juist ook bij de rol van huisarts om in bepaalde situaties duidelijk te communiceren en soms ook te confronteren, om zo te proberen een boodschap over te brengen die iemand mogelijk liever niet wil horen.
Ook klachtonderdeel b) is hiermee kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c) te weinig informatie geven bij cruciale verwijzing
5.7 Klager meent dat de huisarts bij de verwijzing naar het gezamenlijke spreekuur van de revalidatiearts en pijnarts te weinig informatie heeft gegeven, waardoor het gesprek vooral ging over het stoppen met medicatie terwijl klager dacht dat de afspraak gericht zou zijn op het onderzoeken en behandelen van zijn aanhoudende nekklachten.
5.8 Volgens verweerder was voor klager duidelijk dat de verwijzing betrekking had op de nekpijn in relatie tot het opiatengebruik.
5.9 Uit het patiëntendossier komt naar voren dat klager op 27 november 2023 de wens heeft geuit om verwezen te worden naar het gemeenschappelijk spreekuur van de revalidatiearts en de pijnarts. De betreffende verwijzing van de huisarts van 27 november 2023 luidt als volgt:
“Al langdurige nekpijn, hiervoor ook al bij hem geweest, waarvoor hij nu oxycodon
gebruikt. Lukt niet om daarmee te stoppen.”
Bij de verwijzing is een samenvatting gevoegd uit het patiëntendossier waarin de contacten
over de nekklachten, de pijn(bestrijding) en medicatie zijn opgenomen.
Op 14 december 2023 heeft klager aan de huisarts laten weten dat hij zich afvroeg
of het gemeenschappelijk spreekuur waarvoor op 5 januari 2024 een afspraak stond gepland,
wel geschikt was voor hem. Klager veronderstelde dat het spreekuur was voor mensen
met langdurige rugklachten en specifieke niet voor nekkklachten en pijnbestrijding.
Diezelfde dag nog heeft de huisarts gebeld met de polikliniek revalidatie en bevestigd
gekregen dat klager viel in de doelgroep voor het gezamenlijke spreekuur van de revalidatiearts
en de pijnarts waarvoor op 5 januari 2024 een afspraak was gemaakt. Op basis van deze
feiten en omstandigheden valt niet goed in te zien dat de huisarts tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld. Duidelijk is dat de verwijzing betrekking heeft op klagers
nekpijnklachten.
Klachtonderdeel c) is hiermee kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d) eenzijdig contact huisartsenpost
5.10 Volgens klager heeft de huisarts een cruciale instructie gegeven aan de huisartsenpost, namelijk om hem in ieder geval geen oxycodon te verstrekken zonder dit voorafgaand met de huisarts te bespreken of hem daarover te informeren. Klager meent dat dit een volstrekt onnodige actie was, aangezien hij de huisartsenpost nooit heeft bezocht met de intentie om extra medicatie te verkrijgen.
5.11 In reactie hierop heeft de huisarts uitgelegd dat met klager de afspraak bestond dat hij voorlopig een vaste hoeveelheid oxycodon zou blijven gebruiken, die (twee)wekelijks door de apotheek verstrekt zou worden. Daar hoort volgens de huisarts bij dat een patiënt niet op een andere wijze oxycodon zou verkrijgen, zoals via de huisartsenpost. Daarom heeft hij de huisartsenpost van de afspraak met klager op de hoogte gesteld. Volgens de huisarts is dit een gebruikelijke gang van zaken en heeft hij hiermee zorgvuldig gehandeld. Voor het verstrekken van dergelijke informatie is geen toestemming van de patiënt nodig.
5.12 Het college volgt de uitleg van de huisarts en komt tot de conclusie dat hiermee zorgvuldig is gehandeld. De huisarts hoefde niet met klager te overleggen voordat hij de betreffende informatie met de huisartsenpost deelde. Dit betekent dat ook klachtonderdeel d) kennelijk ongegrond is.
Klachtonderdeel e) bewust onjuiste dossiervoering
5.13 Tot slot verwijt klager de huisarts dat hij zaken bewust anders heeft genoteerd in zijn dossier dan hoe deze werkelijk zijn voorgevallen. Klager heeft in dit verband verwezen naar de dossieraantekening van de huisarts van 9 januari 2024 alsmede naar de door hem ingediende geluidsfragmenten.
5.14 De huisarts betwist dit verwijt. Volgens hem heeft hij in het dossier genoteerd wat is besproken en had hij er ook geen enkel belang bij om zaken anders te noteren. Daarbij is het dossier volgens de huisarts uitgebreid en volledig. Wat betreft de geluidsfragmenten heeft de huisarts opgemerkt dat deze horen binnen de context van een gesprek, die in dit geval ontbreekt, en dat in het dossier geen uitgebreid verslag van een telefoongesprek wordt opgenomen maar een relevante weergave van wat is besproken.
5.15 In het patiëntendossier staat op 9 januari 2024 het volgende genoteerd, voor zover hier van belang:
“Pt is door zn oxycodon heen en zou eerder met de HA hebben besproken dat dit voortaan op tijd herhaald zou worden. Is niet gebeurd. In de agenda van dokter C gezet om pt terug te bellen en gevraagd om de oxycodon weer te herhalen.
(…)
Belt, oxycodon is op, had vorige keer niet vrijdag maar dinsdag al opgehaald. Afgesproken dat het nu dinsdag elke twee weken klaar ligt. Niet vaker.”
Bij 14 december 2023 staat vermeld:
“Boos, was van de week bij de apotheek en oxycodon lag niet klaar. Besproken, had tot en met de 18e oxycodon moeten hebben, en zou het pas vrijdag ophalen. Blijkt echter meer oxycodon te hebben gebruikt en was al eerder op. (…)
Nogmaals afspraak herhaald, om de twee weken voor twee weken meegeven, juist om te voorkomen dat hij meer gaat slikken. (…)Gebeld met de apotheek kan het middel vanmiddag al ophalen ipv morgen, hoeft hij niet morgen nog een keer te gaan.”
5.16 Klager heeft erop gewezen dat op 27 december 2023 een recept voor twee weken was afgegeven en dat deze dosering bij voorgeschreven gebruik op 9 januari 2024 op was en dat hij dus een nieuw recept nodig had, maar dat dit op dat moment niet klaar lag, terwijl een dag later twee weken zouden zijn verstreken. Dat de oxycodon op was en dat klager de vorige keer niet op vrijdag maar op de dinsdag al had opgehaald kan feitelijk niet juist zijn, aldus klager, zodat hiermee onjuiste dossiervoering is gegeven.
5.17 Het college heeft er geen aanwijzingen voor dat de huisarts zaken bewust onjuist in het dossier heeft genoteerd. Het college leidt uit de notities veeleer af dat het na de start van de fiatteringsrecepten niet soepel verliep met de tijdige uitgifte van het recept door en bij de apotheek. Die gang van zaken heeft aanleiding gegeven tot diverse contacten tussen klager en de huisarts (en praktijk), en de huisarts en de apotheek. Aan de weergave in het patiëntendossier op 9 januari 2024 kent het college niet de betekenis toe die klager daar aan toekent, in elk geval ziet het college geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt. Dit klachtonderdeel is eveneens kennelijk ongegrond.
Slotsom
5.18 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht
kennelijk ongegrond zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 12 oktober 2026 door W.R.H. Lutjes, voorzitter, R.M. Oosterhout en N.M. Dreteler-Rademaker, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
M.D. Moeke, secretaris.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.