ECLI:NL:TGZRZWO:2026:156 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/9169
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2026:156 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-10-2026 |
| Datum publicatie: | 16-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/9169 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht van een onderzochte en zijn partner over – onder meer - een door verweerster (psychiater) uitgevoerd ProJustitia onderzoek, haar kwalificaties en haar verweer in de tuchtklacht. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing in raadkamer van 9 oktober 2026 op de klacht van:
A, klager,
wonende in B,
gemachtigde: C,
en
C, klaagster,
wonende in B,
tegen
D,
psychiater,
werkzaam in E,
verweerster, hierna ook: de psychiater,
gemachtigde: mr. H.B.M. Vrieling, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 De psychiater heeft in opdracht van de Officier van Justitie een psychiatrisch
onderzoek ingesteld naar klager en een rapportage uitgebracht. Klager maakt de psychiater
verschillende verwijten over de inhoud en totstandkoming van het rapport en haar verweer
in de tuchtklacht. De psychiater heeft het college verzocht de klacht kennelijk ongegrond
te verklaren.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Ten aanzien van klaagster komt
het college daarnaast tot het oordeel dat zij in een deel van de klachten kennelijk
niet-ontvankelijk is. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is
gekomen.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- de per e-mails van 25 september 2025 en 19 oktober 2025 vooruitgestuurde klacht;
- het op 22 oktober 2025 per post ontvangen klaagschrift;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen 3 april 2026;
- de uitbreiding van de klacht, ontvangen op 13 april 2026;
- het aanvullend verweerschrift, ontvangen op 3 juni 2026.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen
gebruik gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 Klager werd in het voorjaar van 2025 aangehouden op verdenking van het stichten van brand in de eigen woning.
3.2 De psychiater werd door de Officier van Justitie benoemd als deskundige om klager ambulant psychiatrisch te onderzoeken en daarover te rapporteren door middel van een monodisciplinaire Pro Justitia rapportage.
3.3 De psychiater sprak klager op 6 augustus en 8 augustus 2025 in de penitentiaire inrichting (hierna: PI) waar hij op dat moment verbleef. Een op 18 augustus 2025 gepland gesprek kon niet doorgaan. Na overplaatsing van klager naar een andere PI vond op
4 september 2025 een volgend gesprek plaats. Een gepland gesprek op 10 september 2025 ging niet door omdat klager volgens de medewerkers van de PI waar hij verbleef niet wilde verschijnen voor het gesprek en niet langer mee wilde werken aan het onderzoek. Ook de volgende dag werd de psychiater door medewerkers van de PI geïnformeerd dat klager niet mee wilde werken aan het onderzoek.
3.4 De psychiater stelde een rapport op van haar bevindingen. De vraagstelling heeft zij niet beantwoord vanwege de beperkingen aan het onderzoek als gevolg van de gedeeltelijke weigering van klager mee te werken aan het onderzoek.
4. De klacht en de reactie van de psychiater
4.1 In het op 22 oktober 2025 ontvangen klaagschrift zijn de volgende verwijten geformuleerd:
- valsheid in geschrifte door het vervalsen van een toestemmingsformulier;
- schending van professionele standaarden door suggestieve vraagstelling, intimidatie, schreeuwen en dreigen in plaats van diagnostiek;
- instrumentalisering van psychiatrie als middel van repressie, zonder medische basis;
- schending van het recht op informed consent en het recht op een eerlijk proces;
- misbruik van machtspositie door klager onder druk te zetten en klaagster indirect te bedreigen;
- overtreding van de grenzen van haar mandaat door vragen te stellen over de staatsveiligheid van F, zonder enig medisch doel.
In de op 13 april 2026 ontvangen uitbreiding van de klacht zijn door klagers de volgende – deels nieuwe, deels overlappende – verwijten geformuleerd:
g. onrechtmatig en disproportioneel gebruik van de volledige Pro Justitia rapportage in het verweerschrift;
h. onrechtmatig gebruik van strafdossierstukken en strafrechtelijke persoonsgegevens (met daarin mede gevoelige en belastende informatie over de klaagster en kinderen);
i. schending van medisch beroepsgeheim en vertrouwelijkheid;
j. 1gebruik van een ondeugdelijk en onvolledig rapport voor schadelijke persoons kwa Iifica ties;
k. onrechtmatige verkrijging en gebruik van medische gegevens op basis van betwiste toestemming;
l. suggestieve vraagstelling en mandaatoverschrijding Israël/Mossad/staatsveiligheid;
m) rapportage zonder inhoudelijke relatie tot de tenlastelegging en daarmee een diffamerend karakter;
n. discriminatoire en pathologiserende duiding van religieuze en etnische identiteit;
o. intimidatie, druk en objectief machtsmisbruik;
p. onjuiste, beschadigende en onevenredige betrokkenheid van klaagster en de kinderen;
q. misleidende proceshouding in het verweerschrift;
r. onrechtmatige daad, reputatieschade en behoud van rechten;
s. ernstige twijfels over professionele kwalificaties, integriteit en het uitblijven van een inhoudelijke reactie op deze beschuldigingen;
t. schending van internationale normen, misbruik van psychiatrie en ernstige gevolgen voor klagers en hun gezin;
u) structurele afwijking van internationale normen en risico op niet-medisch gebruik van psychiatrie
4.2 De psychiater heeft het college verzocht klaagster uitsluitend ontvankelijk
te verklaren voor zover de klacht gaat over passages die op klaagster zelf betrekking
hebben. Ten aanzien van deze passages verzoekt de psychiater de klacht kennelijk ongegrond
te verklaren. De psychiater heeft het college verzocht de klacht van klager kennelijk
ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1 Klaagster heeft aangevoerd dat zij mede-klager is voor zover het handelen van de psychiater mede en rechtstreeks op klaagster betrekking had. Daarbij is door klaagster niet gespecificeerd voor welke klachtonderdelen dit volgens haar geldt.
5.2 Het college zal eerst vaststellen of en bij welke klachtonderdelen klaagster kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende. Daarbij overweegt het college dat de tuchtklacht gaat over een door de psychiater uitgevoerd Pro Justitia onderzoek van klager. Een partner van de onderzochte heeft normaalgesproken geen rechtstreeks belang bij een tuchtklacht over een dergelijk onderzoek en een dergelijke rapportage. De omstandigheid dat een dergelijke rapportage gevolgen heeft voor de onderzochte en daarmee indirect voor zijn partner en kinderen, is een afgeleid belang en leidt niet tot een zelfstandig klachtrecht voor de partner en/of de kinderen van een onderzochte. Dat betekent dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar klacht, met uitzondering van het deel van de klacht dat – mede – betrekking heeft op de passages in de rapportage die over klaagster zelf gaan. Dat betekent dat klaagster ontvankelijk is voor zover het klachtonderdelen e), g), h), i), j) en p) betreft.
5.3 Uit het voorgaande volgt dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is in de klachtonderdelen a) tot en met d), f), k) tot en met o) en q) tot en met u).
De criteria voor de beoordeling
5.4 De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
5.5 Het college oordeelt dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en licht dit als volgt toe.
Klachtonderdeel a) vervalsen toestemmingsformulier en klachtonderdeel k) verkrijgen
en gebruiken gegevens op basis van betwiste toestemming
5.6 Het college gaat ervan uit dat het in dit klachtonderdeel bedoelde toestemmingsformulier
het formulier is van 4 september 2025, waarbij toestemming wordt gegeven informatie
op te vragen bij de medische dienst van de PI waar klager op dat moment verbleef.
Klager stelt dat hij dit formulier niet zelf heeft ingevuld en ondertekend, maar dat
dit moet zijn gebeurd door de psychiater zelf. De psychiater stelt dat zij het formulier
heeft ingevuld en dat klager dit in aanwezigheid van de psychiater en de tolk heeft
ondertekend.
5.7 Het college stelt voorop dat in beginsel wordt uitgegaan van de waarachtigheid en authenticiteit van gegevens die in het dossier zijn vastgelegd, zoals in casu het toestemmingsformulier van 4 september 2025. Klager heeft voor zijn stelling dat niet hij, maar de psychiater zelf de toestemmingsverklaring heeft ondertekend ook geen objectieve onderbouwing of bewijs aangeleverd. Onder deze omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat de psychiater het toestemmingsformulier heeft vervalst, zoals klager stelt. Klachtonderdeel a) slaagt daarom niet.
5.8 De genoemde toestemmingsverklaring heeft niet geleid tot het verstrekken van medische informatie door de medische dienst van de PI, omdat klager aan de medische dienst liet weten daar geen toestemming voor te verlenen. Er is dus geen sprake van op basis van betwiste toestemming verkregen en gebruikte gegevens. Dat de psychiater het toestemmingsformulier in deze procedure heeft overgelegd is niet onzorgvuldig. Het toestemmingsformulier is namelijk onderwerp van de tuchtklacht en daarmee relevant voor het verweer van de psychiater en de beoordeling van de tuchtklacht door het college. Klachtonderdeel k) slaagt daarom evenmin.
5.9 Uit het voorgaande volgt dat de klachtonderdelen a) en k) kennelijk ongegrond zijn.
Klachtonderdeel b) suggestieve vraagstelling, intimidatie, schreeuwen en dreigen in
plaats van diagnostiek en klachtonderdelen e) en o) misbruik van machtspositie door
klager onder druk te zetten en klaagster indirect te bedreigen.
5.10 Klager heeft de klachtonderdelen b) en e) aanvankelijk voorzien van een summiere toelichting. Een objectieve onderbouwing ontbreekt. De psychiater ontkent de door klager naar voren gebrachte beschuldigingen. Als toelichting op klachtonderdeel o) heeft klager naar voren gebracht dat in een setting van voorlopige hechtenis, psychiatrisch onderzoek en strafproces, druk ook kan bestaan uit het benoemen van negatieve rapportagegevolgen.
5.11 Het college overweegt dat als de lezingen van partijen over de aan een klachtonderdeel ten grondslag gelegde feiten uiteenlopen en niet goed kan worden vastgesteld welke van beide lezingen het meest aannemelijk is, dat klachtonderdeel in beginsel niet gegrond kan worden verklaard. Dit berust er niet op dat het woord van klager minder geloof verdient dan het woord van de psychiater, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel dat bepaalde gedragingen van een psychiater haar tuchtrechtelijk kunnen worden verweten, eerst moet worden vastgesteld dat de feitelijke grondslag voor dat oordeel aanwezig is. Dat wil zeggen dat aannemelijk is geworden dat feitelijk sprake is van zodanige gedragingen. Voor de aan de klachtonderdelen b) en e) ten grondslag gelegde gedragingen is dat niet het geval. Dat betekent dat deze klachtonderdelen kennelijk ongegrond zijn. De omstandigheid dat de setting als zodanig al druk oplevert, zoals klager betoogt ter onderbouwing van klachtonderdeel o), brengt niet met zich dat het benoemen van het gevolg van bijvoorbeeld het niet meewerken van klager (namelijk een onvolledig rapport), onzorgvuldig is. Dat de psychiater op dit punt onzorgvuldig heeft gehandeld is niet aannemelijk geworden.
5.12 Uit het voorgaande volgt dat de klachtonderdelen b), e) en o) kennelijk ongegrond zijn.
Klachtonderdeel c) instrumentalisering van psychiatrie als middel van repressie, zonder medische basis, klachtonderdeel t) schending van internationale normen, misbruik van psychiatrie en ernstige gevolgen voor klagers en hun gezin en klachtonderdeel u) structurele afwijking van internationale normen en risico op niet medisch gebruik van psychiatrie
5.13 Het door de psychiater uitgevoerde onderzoek heeft plaatsgevonden in een strafrechtelijke setting. De wijze waarop dergelijke onderzoeken worden uitgevoerd is met waarborgen omkleed. Dat de psychiater zich niet gehouden heeft aan de toepasselijke waarborgen en richtlijnen en in strijd heeft gehandeld met internationale normen is door klager in het geheel niet onderbouwd. De klachtonderdelen die hierop betrekking hebben zijn dan ook ongegrond.
5.14 Klachtonderdelen c), t) en u) zijn kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d) schending van het recht op informed consent en het recht op een eerlijk proces
5.15 Klager heeft dit klachtonderdeel niet nader toegelicht of onderbouwd en kan alleen daarom al niet gegrond worden verklaard.
5.16 Klachtonderdeel d) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdelen f) en l) overschrijding mandaat door (suggestieve) vragen over staatsveiligheid F en G en klachtonderdeel n) discriminatoire en pathologiserende duiding van religieuze en etnische identiteit
5.17 Klager voert aan dat de psychiater bepaalde onderwerpen zoals de vermeende betrokkenheid bij buitenlandse veiligheidsdiensten zelf heeft geïntroduceerd en hem hierover gerichte en herhaalde vragen heeft gesteld, terwijl dit niet relevant was voor het onderzoek. Ook werd door de psychiater het benoemen door klager van discriminatie op basis van zijn H identiteit geplaatst binnen een mogelijk waansysteem en aldus geherinterpreteerd als een symptoom van psychopathologie. De psychiater stelt dat zij geen onderwerpen heeft geïntroduceerd die niet voortvloeiden uit het onderzoekskader of het gesprek met klager, maar open vragen heeft gesteld en aansluitend heeft doorgevraagd waar dat voor het onderzoek relevant was. Het bevragen van afkomst en achtergrond maakt deel uit van het forensisch psychiatrisch onderzoek en is in dat kader gebruikelijk. Van een discriminatoire of pathologische duiding van klagers identiteit is geen sprake geweest, aldus de psychiater.
5.18 Het college overweegt dat niet kan worden vastgesteld dat de psychiater onderwerpen als G en staatsveiligheid zelf heeft geïntroduceerd. Vaststaat wel dat klager over betrokkenheid bij de G heeft gesproken. Dergelijke informatie kan niet op voorhand als irrelevant worden beschouwd, zodat de keuze van de psychiater hierop door te vragen en de door klager gegeven informatie in de rapportage op te nemen niet onzorgvuldig is. Overigens maakt de psychiater in haar conclusie ook duidelijk dat zij geen uitspraak kan doen over het antwoord op de vraag of dit een waanovertuiging is omdat de gebeurtenissen goed mogelijk kunnen zijn in de realiteit. Van een overschrijding van haar mandaat (in de zin van het buiten de reikwijdte van een Pro Justitia onderzoek treden) is dan ook geen sprake. De klachtonderdelen die hierop betrekking hebben kunnen daarom niet slagen.
5.19 Dat in het Pro Justitia rapport aandacht wordt besteed aan de achtergrond van klager, zoals etnische en religieuze identiteit, is zonder meer zorgvuldig. Van een discriminatoire en pathologiserende duiding van deze identiteit is onvoldoende gebleken. De voorzichtige duiding dat er mogelijk een waansysteem is, waarbij de thematiek benadeling lijkt te zijn en discriminatie in verband met de identiteit van klager als één van (meerdere) vormen van benadeling wordt genoemd, is onvoldoende voor de conclusie dat sprake is van een discriminatoire of pathologiserende duiding van de identiteit van klager.
5.20 Klachtonderdelen f), l) en n) zijn kennelijk ongegrond.
Klachtonderdelen g), h) en i) gebruik van vertrouwelijke gegevens in de tuchtprocedure en klachtonderdeel p) onjuiste, beschadigende en onevenredige betrokkenheid van klaagster en de kinderen
5.21 Klagers voeren in dit verband aan dat de psychiater onrechtmatig en disproportioneel heeft gehandeld door de volledige Pro Justitia rapportage in te brengen in de tuchtprocedure. Daarmee zijn ook strafrechtelijke persoonsgegevens in deze procedure overgelegd zonder duidelijk te maken wat daarvoor de rechtsgrond, noodzaak en doel waren en met welke waarborgen de verstrekking was omgeven. Klagers wijzen erop dat het hier ook gaat om gegevens van klaagster en de kinderen en dat het gaat om het gebruik van door de psychiater in haar rol als forensisch psychiater verkregen gegevens, die zij buiten de oorspronkelijke strafcontext heeft verspreid. De psychiater heeft verwezen naar het uitgangspunt dat een zorgverlener zich in een tuchtprocedure adequaat moet kunnen verweren tegen de verwijten die hem of haar worden gemaakt. De psychiater is volgens haar met het overleggen van de Pro Justitia rapportage binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit gebleven.
5.22 Het college overweegt om te beginnen dat de omstandigheid dat informatie over klager en zijn gezin in een bepaalde (forensische) context is verkregen niet in de weg staat aan het delen van deze informatie in een tuchtrechtelijke procedure. Hierbij is van belang dat een verweerder in een tuchtzaak zich adequaat moet kunnen verweren. Het staat een verweerder in beginsel vrij zich te verweren met relevante gegevens uit het dossier van de betrokkene. Het gebruik van niet relevante gegevens moet worden aangemerkt als een ongeoorloofde schending van het beroepsgeheim en de privacy van de patiënt en andere betrokkenen. Bij de beoordeling van de vraag welke gegevens relevant zijn komt de zorgverlener wel enige beoordelingsruimte toe.
5.23 Het college is vervolgens van oordeel dat de psychiater tot de conclusie heeft kunnen komen dat de overgelegde gegevens relevant waren voor haar verweer. De aanvankelijk door klager ingediende klacht ging onder meer over (de totstandkoming van) de rapportage. Onder deze omstandigheden was het overleggen van de volledige rapportage niet onzorgvuldig. Dat daarin ook informatie over het gezin van klager was opgenomen stond aan overlegging van de volledige rapportage niet in de weg. Het gaat om voor de rapportage relevante informatie, terwijl het verder anonimiseren van deze informatie zinloos zou zijn. Het college was namelijk al bekend met de personalia van de in de rapportage genoemde klaagster. Klager had immers klaagster al aangewezen als zijn gemachtigde in de tuchtklachtprocedure, wat de psychiater bij het opvragen van het verweer ook bekend was. Ook bij de door de psychiater verder bij en in haar verweer verstrekte aanvullende gegevens is zij binnen de grenzen gebleven van wat als voor het verweer relevante gegevens kan worden aangemerkt.
5.24 Uit het voorgaande volgt dat klachtonderdelen g), h) en i) en p) kennelijk ongegrond zijn.
Klachtonderdeel j) gebruik van een ondeugdelijk en onvolledig rapport voor schadelijke persoonskwalificaties
5.25 Klager legt aan dit klachtonderdeel ten grondslag dat de psychiater enerzijds aangeeft dat geen volledig rapport tot stand is gekomen en essentiële informatie ontbrak voor een gedegen diagnose en conclusie, maar wel diverse inhoudelijke kwalificaties geeft over klager. De psychiater voert aan dat de gebruikte bewoordingen zijn bedoeld om onderzoeksbevindingen te beschrijven en – voor zover – mogelijk te verklaren binnen de context van het forensisch onderzoek. Waar dit niet mogelijk is, wordt volgens de toepasselijke richtlijn met hypothesen gewerkt. De psychiater heeft geen diagnose gesteld omdat zij klager niet in voldoende mate heeft kunnen onderzoeken. Om die reden kon ook geen koppeling worden gemaakt met een formeel classificatiekader zoals de DSM-5, aldus de psychiater.
5.26 Het college overweegt dat verweerder de feitelijke bevindingen tijdens het onderzoek in haar rapportage mocht beschrijven. Ook in gevallen waarin uiteindelijk niet voldoende informatie kan worden verkregen om een diagnose te stellen mag van haar worden verwacht dat zij een beschrijving geeft van het gedrag van een onderzochte tijdens het onderzoek en bij aanwijzingen voor mogelijk aanwezige psychopathologie dit ook zou benoemen. De psychiater heeft dit – met de nodige onderbouwing en voorzichtigheid – gedaan.
5.27 Uit het voorgaande volgt dat klachtonderdeel j) kennelijk ongegrond is.
Klachtonderdeel m) rapportage zonder inhoudelijke relatie tot de tenlastelegging en daarmee een diffamerend karakter
5.28 Klager voert als kern van dit verwijt aan dat de rapportage een fundamenteel gebrek vertoont. De rapportage bevat namelijk geen inhoudelijke analyse van de tenlastelegging terwijl dit juist de kern vormt van een forensisch psychiatrisch onderzoek, aldus klager. De psychiater schrijft in haar verweer dat zij niet is toegekomen aan het deel van het onderzoek dat betrekking had op de “houding ten opzichte van het ten laste gelegde” en dat dit het gevolg was van het niet volledig meewerken van klager aan het onderzoek.
5.29 Het college overweegt dat de psychiater in de rapportage vanaf pagina 23 navolgbaar heeft toegelicht waarom zij de gestelde vragen niet heeft kunnen beantwoorden, geen diagnose kon stellen en geen relatie kon worden gegeven tussen het tenlastegelegde en de aanwezigheid van een eventuele stoornis. Ook dit verwijt kan niet slagen.
5.30 Klachtonderdeel m) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel s) twijfel over kwalificaties en het uitblijven van een reactie daarop
5.31 Klager heeft naar voren gebracht dat er gerede twijfel is over of de psychiater wel aan de (diploma)vereisten voldoet voor haar vak. Hij wijst er daarbij op dat zij niet als arts geregistreerd staat in I. De psychiater heeft aangevoerd dat de door klager geuite vermoedens over haar professionele kwalificaties iedere feitelijke grondslag missen.
5.32 Het college overweegt dat klager op geen enkele manier heeft onderbouwd waarom de afwezigheid van een registratie in I tot twijfel zou moeten leiden aan de professionele kwalificaties van een in Nederland BIG-geregistreerde arts. Wat de link is met I en waarom klager aanneemt dat de psychiater daar haar “oorspronkelijke medische diploma” (al dan niet) zou moeten hebben behaald, blijft volledig onduidelijk. Voor zover dit klachtonderdeel gaat over de door klager gestelde twijfel aan de professionele kwalificaties van de psychiater kan dit daarom alleen al vanwege het volledig ontbreken van een deugdelijke onderbouwing niet slagen. Vanwege het ontbreken van deze onderbouwing kan de psychiater niet worden verweten dat zij op haar beurt geen uitgebreide inhoudelijke weerlegging van de aannames van klager heeft gegeven. Dat betekent dat ook het verwijt over het uitblijven van een reactie niet kan slagen.
5.33 Klachtonderdeel s) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel q) misleidende proceshouding in het verweerschrift en klachtonderdeel r) onrechtmatige daad, reputatieschade en behoud van rechten
5.34 Zoals hiervoor al is overwogen moet een verweerder in de gelegenheid zijn adequaat verweer te voeren. Dat een klager het niet eens is met het verweer of een andere lezing heeft van de aan de klacht en het verweer ten grondslag gelegde feiten brengt niet met zich dat de proceshouding van een verweerder misleidend is. Ook in dit geval is behalve van een verschil van inzicht tussen beide partijen niet gebleken van een misleidend verweer, zoals klager stelt. Het klachtonderdeel over de proceshouding van de psychiater slaagt daarom niet.
5.35 In een tuchtprocedure staat ter beoordeling of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Dat betekent dat de vraag of bepaald handelen kan worden aangemerkt als een onrechtmatige daad in deze procedure niet ter beoordeling staat. Ook de vraag welk gevolg bepaald handelen heeft gehad (zoals reputatieschade) staat niet ter beoordeling in een tuchtprocedure. Voor zover klager met dit klachtonderdeel bedoelt vastgesteld te krijgen dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen overweegt het college onder verwijzing naar alles wat hiervoor is overwogen dat daarvan niet is gebleken ten aanzien van de door klager naar voren gebrachte klachtonderdelen. Het klachtonderdeel over de onrechtmatigheid van het handelen van de psychiater slaagt daarom evenmin.
5.36 Uit het voorgaande volgt dat de klachtonderdelen q) en r) kennelijk ongegrond zijn.
Slotsom
5.37 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is voor wat betreft de klachtonderdelen a) tot en met d), f), k) tot en met o) en q) tot en met u). Voor zover relevant voor klaagster zijn de overige klachtonderdelen kennelijk ongegrond. Ten aanzien van klager geldt dat alle klachtonderdelen kennelijk ongegrond zijn.
6. De beslissing
Het college:
Ten aanzien van klager:
- verklaart alle klachtonderdelen kennelijk ongegrond;
Ten aanzien van klaagster:
- verklaart klaagster kennelijk niet-ontvankelijk voor wat betreft de klachtonderdelen a) tot en met d), f), k) tot en met o) en q) tot en met u);
- verklaart alle overige klachtonderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 9 oktober 2026 door P.A.H. Lemaire, voorzitter, H.J. Kolthof en H.J. de Boer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. Keukenmeester, secretaris.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld
bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.