ECLI:NL:TGZRZWO:2026:152 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/9166

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:152
Datum uitspraak: 02-10-2026
Datum publicatie: 02-10-2026
Zaaknummer(s): Z2025/9166
Onderwerp: Schending beroepsgeheim
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een arts in opleiding tot specialist bedrijfsgeneeskunde kennelijk ongegrond. Klager heeft zich bij zijn werkgever ziekgemeld na een ongeval. De arts (verweerster) heeft de verzuimbegeleiding van klager onder supervisie van de bedrijfsarts op zich genomen. Klager verwijt de arts dat zij haar beroepsgeheim heeft geschonden door informatie zonder toestemming te delen met de werkgever van klager, en dat de verslaglegging onzorgvuldig en partijdig is. Het college oordeelt dat bij de door de bedrijfsarts aan de werkgever doorgegeven informatie geen medische informatie zat en de bedrijfsarts binnen de grenzen van het beroepsgeheim is gebleven. Daarnaast is het college niet gebleken van onzorgvuldig of partijdig handelen.  

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing in raadkamer van 2 oktober 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klager,

tegen

C,

destijds arts in opleiding tot specialist bedrijfsgeneeskunde,

werkzaam in D,
verweerster, hierna ook: de arts,
gemachtigde mr. P. Willems, werkzaam in Loenen.

1. De zaak in het kort

1.1     Klager heeft zich bij zijn werkgever ziekgemeld na een ongeval. De arts heeft de verzuimbegeleiding van klager onder supervisie van de bedrijfsarts op zich genomen. Klager verwijt de arts dat zij haar beroepsgeheim heeft geschonden door informatie zonder toestemming te delen met de werkgever van klager, en dat de verslaglegging onzorgvuldig en partijdig is.
 

1.2     Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
 

2. De procedure

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift, ontvangen op 22 oktober 2025;
  • het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 30 januari 2026;
  • de repliek met de bijlagen, ontvangen op 9 maart 2026;
  • de dupliek, ontvangen op 1 april 2026;
  • het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 24 juni 2026.
     

2.2    De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan heeft klager geen gebruik gemaakt. De arts en haar gemachtigde waren wel aanwezig bij het mondeling vooronderzoek.
 

2.3     Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren. Klager heeft gelijktijdig met deze klacht ook nog een klacht ingediend tegen de betrokken superviserend bedrijfsarts. Deze zaak staat geregistreerd onder zaaknummer Z2025/9167. In beide zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
 

3. De feiten

3.1     Klager is begin oktober 2024 voor het eerst ziekgemeld, daarna begin november opnieuw wegens klachten na een ongeval. De arts heeft de verzuimbegeleiding gedaan onder supervisie van de bedrijfsarts. Zij zat toen in haar derde opleidingsjaar tot bedrijfsarts.
 

3.2     Op 27 december 2024 kwam klager bij de arts op spreekuurconsult.

De arts stelde hierna de rapportage met probleemanalyse op en stuurde deze aan klager en zijn werkgever. Diezelfde dag hadden klager en de arts een telefonisch gesprek op klagers verzoek, waarin de arts de rapportage toelichtte. Er was sprake van zowel medische problemen als werkfactoren.

3.3     Begin januari 2025 werd in samenspraak met klager de probleemanalyse aangepast door de geformuleerde beperkingen in het sociaal functioneren te verwijderen.

3.4     Vervolgens vonden er spreekuren plaats op 27 februari, 20 maart en 1 mei 2025.

Klager stuurde op 11 juni 2025 een e-mail naar de arts, waarin hij aangaf een inzageverzoek in zijn medisch dossier te hebben gedaan. Bij e-mail van 13 juni 2025 reageerde de arts dat zij geen eerder verzoek had ontvangen en een kopie van het dossier naar klager zou opsturen. Uit de notitie in het medisch dossier blijkt dat de bedrijfsarts op 17 juni 2025 het dossier naar klager heeft laten opsturen. Op 19 juni 2025 stuurde klager een e-mail waarin hij nogmaals verzocht om toezending van zijn dossier en aanvullende zorgpunten omtrent (onder andere) de verzuimbegeleiding en verslaglegging kenbaar maakte.

3.5     Tijdens het spreekuur op 25 juni 2025 gaf klager aan dat zijn vertrouwen in de arts onder druk was komen te staan en hij alleen functionele mogelijkheden wilde blijven bespreken. Uit de notitie in het medisch dossier blijkt dat de arts een vervolgconsult op 21 augustus 2025 plande en de situatie met haar superviserend bedrijfsarts wilde bespreken.

3.6     In de periode daarna is er over en weer nog e-mailcontact geweest over het consult op 25 juni 2025, het opvragen van loggegevens en de kopie van het medisch dossier. Klager meldde zich wegens ziekte af voor het spreekuur van 21 augustus 2025 waarna een nieuwe afspraak werd gemaakt voor 4 september 2025. Op 26 en 29 augustus 2025 e-mailde klager de arts met vragen en gesprekspunten ter voorbereiding op het spreekuur van 4 september 2025. De e-mail van 29 augustus stuurde klager vervolgens ook naar de superviserend bedrijfsarts.
 

3.7     Klager liet per e-mail van 2 september 2025 weten dat hij een formele klacht had ingediend bij de arbodienst en het vertrouwen in de arts opzegde. De verzuimbegeleiding werd overgenomen door een andere bedrijfsarts.
 

4. De klacht en de reactie van de arts

4.1     Klager verwijt de arts:

  1. schending van het medisch beroepsgeheim, door beperkingen (sociaal functioneren) in de probleemanalyse zonder toestemming te delen met de werkgever;
  2. onzorgvuldige en partijdige verslaglegging PSA-problematiek (psychosociale arbeidsbelasting).

4.2     De arts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren, omdat zij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
 

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
 

De criteria voor de beoordeling

5.1
De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts in opleiding tot specialist bedrijfsgeneeskunde. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de arts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.2     Het college oordeelt dat de arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hierna licht het college toe hoe het tot die beslissing is gekomen.

Klachtonderdeel a) schending medisch beroepsgeheim
5.3     Klager verwijt de arts dat zij haar beroepsgeheim heeft geschonden door beperkingen (sociaal functioneren) in de probleemanalyse naar aanleiding van het spreekuur op 27 december 2024 zonder toestemming te delen met klagers werkgever.

5.4     De arts heeft aangevoerd dat zij in het contact met de werkgever steeds heeft gehandeld in overeenstemming met de geldende beroepsnormen. Zij heeft geen informatie met de werkgever gedeeld anders dan waartoe zij gezien haar taak gehouden is.

5.5     Dit klachtonderdeel is niet gegrond. Op grond van de ‘KNMG-code Gegevensverkeer en samenwerking bij arbeidsverzuim en re-integratie’ en de ‘Leidraad Bedrijfsarts en Privacy anno 2019’ die is opgesteld door de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB) mocht de arts de doorgegeven informatie verstrekken indien er sprake was geweest van verzuimbegeleiding. De arts is ingeschakeld na de ziekmelding van klager in oktober/november 2024, waarna een bedrijfsgeneeskundig consult op 27 december 2024 werd ingepland. Dit is een verplicht consult in opdracht van de werkgever. Met dit consult is de verzuimbegeleiding van klager gestart. In het kader van verzuimbegeleiding mag een bedrijfsarts – anders dan bij een vrijwillig consult op verzoek van de werknemer – ook zonder toestemming van de werknemer bepaalde informatie aan de werkgever verstrekken. Het beroepsgeheim voor zorgverleners van artikel 7:457 Burgerlijk Wetboek geldt in die situatie dus niet volledig en onverkort. De bedrijfsarts is adviseur voor zowel de werknemer als de werkgever en in het kader van de ziekteverzuimbegeleiding moet de werkgever in staat worden gesteld om passende maatregelen te nemen om op verantwoorde wijze de re-integratie van de werknemer vorm te geven. Een bedrijfsarts mag daarom bepaalde gegevens aan de werkgever doorgeven die van belang zijn voor de inzetbaarheid van de werknemer, zoals beperkingen, mogelijkheden en verwachte duur van het verzuim. Het gaat om gegevens die de werkgever nodig heeft om het recht op loondoorbetaling vast te stellen en om aan zijn re-integratieverplichtingen te voldoen. Bij de door de bedrijfsarts aan de werkgever doorgegeven informatie zat geen medische informatie. Ook heeft zij niet meer informatie gegeven dan voor het genoemde doel noodzakelijk was. Met het verstrekken van deze informatie aan de werkgever heeft de arts gehandeld zoals van haar mocht worden verwacht en is zij binnen de grenzen van het beroepsgeheim gebleven. Bovendien heeft de arts aangegeven dat zij tijdens het consult over de probleemanalyse met klager heeft doorgenomen wat zij in de rapportage zou zetten. Omdat klager het niet eens was met de formulering van de beperkingen in de probleemanalyse heeft verweerster besloten om de rapportage, nadat deze was verstuurd naar klagers werkgever, alsnog aan te passen en opnieuw naar de werkgever te versturen. Dat getuigt van welwillendheid en zorgvuldigheid. Hoe de werkgever vervolgens met de rectificatie omgaat kan de arts niet worden tegengeworpen. Het college is van oordeel dat de arts in dit verband geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel b) onzorgvuldige en partijdige verslaglegging
5.6     Klager verwijt de arts dat zij de PSA problematiek niet zorgvuldig en niet onpartijdig heeft vastgelegd in het dossier. Het college overweegt als volgt. Uit de stukken komt het beeld naar voren van een arts die heeft geprobeerd om klager – binnen de kaders van haar positie als arts – een afgewogen advies te geven. De arts heeft zowel schriftelijk als tijdens het mondeling vooronderzoek haar handelwijze helder toegelicht. Het college stelt vast dat in het medisch dossier telkens een uitvoerig verslag is neergelegd over hetgeen ten tijde van de consulten is besproken met klager over de PSA problematiek. Naar het oordeel van het college heeft de arts zich vervolgens een zorgvuldig beeld kunnen vormen van de gezondheidstoestand van klager en is zij op grond van deze informatie kunnen komen tot wat zij heeft genoteerd bij ‘reden van verzuim’. Het niet aankruisen van een vakje, maar een toelichting te noteren in een dergelijke rubriek is niet onjuist. Hieruit blijkt dat de arts juist rekening heeft gehouden met alle beperkingen en de complexe (gezondheids)situatie van klager.

5.7      Anders dan klager veronderstelt, blijkt het college niet van onzorgvuldig of partijdig handelen. Het college is van oordeel dat het dossier, de van belang zijnde aantekeningen en andere informatie en stukken bevat. Deze geven ook voldoende onderbouwing voor de beoordeling/overwegingen en de conclusies van de arts over de belastbaarheid van klager. De daarop gebaseerde rapportages en adviezen van de arts aan klager en de werkgever zijn navolgbaar. Over de contactmomenten met de werkgever en het noteren daarvan in het medisch dossier merkt het college op dat nergens uit blijkt dat er relevante informatie van werkgever is gegeven die de oordeelsvorming zou hebben veranderd. Dit alles kan niet tot een gegrond tuchtrechtelijk verwijt leiden. Klachtonderdeel b) is ook kennelijk ongegrond.

Slotsom
5.8     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing

Het college verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
 

Deze beslissing is gegeven op 2 oktober 2026 door P.A.H. Lemaire, voorzitter, M. Prenger en F.J. Perquin, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.C. Sijtsema, secretaris.

secretaris                                                                                           voorzitter


 


Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.