ECLI:NL:TGZRZWO:2026:151 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/9167

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:151
Datum uitspraak: 02-10-2026
Datum publicatie: 08-10-2026
Zaaknummer(s): Z2025/9167
Onderwerp: Schending beroepsgeheim
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een bedrijfsarts kennelijk ongegrond. Klager heeft zich bij zijn werkgever ziekgemeld na een ongeval. De arts in opleiding tot specialist bedrijfsgeneeskunde heeft de verzuimbegeleiding van klager onder supervisie van de bedrijfsarts op zich genomen. Klager verwijt de bedrijfsarts dat zij verantwoordelijk is voor het handelen van de arts betreffende schending van het beroepsgeheim en onzorgvuldige en partijdige verslaglegging. Het college oordeelt dat niet is gesteld en evenmin is gebleken dat met de delegatie van taken door de bedrijfsarts aan de arts buiten de in het Standpunt gegeven kaders of de supervisieovereenkomst is getreden. Ook kan het college niet vaststellen dat de bedrijfsarts tekort is geschoten is haar rol als supervisor of anderszins onvoldoende verantwoordelijkheid heeft genomen.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing in raadkamer van 2 oktober 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klager,

tegen

E,

bedrijfsarts,

werkzaam in D,
verweerster, hierna ook: de bedrijfsarts,
gemachtigde mr. P. Willems, werkzaam in Loenen.

1. De zaak in het kort

1.1     Klager heeft zich bij zijn werkgever ziekgemeld na een ongeval. De arts in opleiding tot specialist bedrijfsgeneeskunde (hierna: de arts) heeft de verzuimbegeleiding van klager onder supervisie van de bedrijfsarts op zich genomen. Klager verwijt de bedrijfsarts dat zij verantwoordelijk is voor het handelen van de arts betreffende schending van het beroepsgeheim en onzorgvuldige en partijdige verslaglegging.
 

1.2     Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
 

2. De procedure

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  1. het klaagschrift, ontvangen op 22 oktober 2025;
  2. het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 30 januari 2026;
  3. de repliek met de bijlagen, ontvangen op 9 maart 2026;
  4. de dupliek, ontvangen op 31 maart 2026;
  5. het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 24 juni 2026.
     

2.2     De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan heeft klager geen gebruik gemaakt. De bedrijfsarts en haar gemachtigde waren wel aanwezig bij het mondeling vooronderzoek.
 

2.3     Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren. Klager heeft gelijktijdig met deze klacht ook nog een klacht ingediend tegen de betrokken arts. Deze zaak staat geregistreerd onder zaaknummer Z2025/9166. In beide zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
 

3. De feiten

3.1     Klager is begin oktober 2024 voor het eerst ziekgemeld, daarna begin november opnieuw wegens klachten na een ongeval. De arts raakte betrokken bij de verzuimbegeleiding en zij stond onder supervisie van de bedrijfsarts. Zij zat toen in haar derde opleidingsjaar tot bedrijfsarts.
 

3.2     Op 27 december 2024 kwam klager bij de arts op spreekuurconsult.

De arts stelde hierna de rapportage met probleemanalyse op en stuurde deze aan klager en zijn werkgever. Diezelfde dag hadden klager en de arts een telefonisch gesprek op klagers verzoek, waarin de arts de rapportage toelichtte. Er was sprake van zowel medische problemen als werkfactoren.

3.3     Begin januari 2025 werd in samenspraak met klager de probleemanalyse aangepast door de geformuleerde beperkingen in sociaal functioneren te verwijderen.

3.4     Vervolgens vonden er spreekuren plaats op 27 februari, 20 maart en 1 mei 2025.

Klager stuurde op 11 juni 2025 een e-mail naar de arts, waarin hij aangaf een inzageverzoek in zijn medisch dossier te hebben gedaan. Bij e-mail van 13 juni 2025 reageerde de arts dat zij geen eerder verzoek had ontvangen en een kopie van het dossier naar klager zou opsturen. Uit de notitie in het medisch dossier blijkt dat de bedrijfsarts op 17 juni 2025 het dossier naar klager heeft laten opsturen. Op 19 juni 2025 stuurde klager een e-mail waarin hij nogmaals verzocht om toezending van zijn dossier en aanvullende zorgpunten omtrent (onder andere) de verzuimbegeleiding en verslaglegging kenbaar maakte.

3.5     Tijdens het spreekuur op 25 juni 2025 gaf klager aan dat zijn vertrouwen in de arts onder druk was komen te staan en hij alleen functionele mogelijkheden wilde blijven bespreken. Uit de notitie in het medisch dossier blijkt dat de arts een vervolgconsult op 21 augustus 2025 plande en de situatie samen met de bedrijfsarts wilde bespreken.

3.6     In de periode daarna is er over en weer nog e-mailcontact geweest over het consult op 25 juni 2025, het opvragen van loggegevens en de kopie van het medisch dossier. Klager meldde zich wegens ziekte af voor het spreekuur van 21 augustus 2025 waarna een nieuwe afspraak werd gemaakt voor 4 september 2025. Op 26 en 29 augustus 2025 e-mailde klager de arts met vragen en gesprekspunten ter voorbereiding op het spreekuur van 4 september 2025. De e-mail van 29 augustus stuurde klager vervolgens ook naar de bedrijfsarts.
 

3.7     Klager liet per e-mail van 2 september 2025 weten dat hij een formele klacht had ingediend bij de arbodienst en het vertrouwen in de arts opzegde. De verzuimbegeleiding werd overgenomen door een andere bedrijfsarts.
 

4. De klacht en de reactie van de bedrijfsarts

4.1     Klager verwijt de bedrijfsarts dat zij als supervisor verantwoordelijk moet worden gehouden voor:

  1. schending van het medisch beroepsgeheim door de arts, door beperkingen (sociaal functioneren) in de probleemanalyse zonder toestemming te delen met de werkgever;
  2. onzorgvuldige en partijdige verslaglegging PSA-problematiek (psychosociale arbeidsbelasting) door de arts.
     

4.2       De bedrijfsarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren, omdat niet duidelijk is welk concreet persoonlijk verwijt klager haar maakt. Daarnaast vindt de bedrijfsarts dat zij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
 

4.3       Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
 

De criteria voor de beoordeling

5.1     De vraag is of de bedrijfsarts, in de hoedanigheid van supervisor van de bedrijfsarts in opleiding, de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de bedrijfsarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
 

5.2     Het college oordeelt dat de bedrijfsarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hierna licht het college toe hoe het tot die beslissing is gekomen.

De beoordeling

5.3     Het college zal de klachtonderdelen gezamenlijk beoordelen. Het college stelt voorop dat de arts een eigen verantwoordelijkheid heeft als arts wat haar handelen betreft. Zij heeft haar werkzaamheden verricht onder toezicht en verantwoordelijkheid van de bedrijfsarts. In het NVAB Standpunt delegatie van taken door de bedrijfsarts en supervisie (hierna: Standpunt) worden kaders gegeven voor taakdelegatie en supervisie. Dit Standpunt is een uitwerking van de norm waaraan het handelen van de bedrijfsarts moet worden getoetst. Niet is gesteld en evenmin is gebleken dat met de delegatie van taken door de bedrijfsarts aan de arts buiten de in het Standpunt gegeven kaders of de supervisieovereenkomst is getreden.
 

5.4     Verder is het college van oordeel dat uit het medisch dossier voldoende blijkt dat er regelmatig contact en overleg is gevoerd over de casus van klager. Het college kan op basis van de overgelegde stukken en de gegeven toelichting door de bedrijfsarts en de arts tijdens het mondeling vooronderzoek, niet vaststellen dat de bedrijfsarts tekort is geschoten is haar rol als supervisor of anderszins onvoldoende verantwoordelijkheid heeft genomen. Bovendien ziet het college geen aanleiding om te twijfelen aan de uitleg van de bedrijfsarts dat er continu sprake was van wekelijkse intervisie- en supervisiemomenten en veelvuldig onderling overleg over de contacten tussen de arts en klager. Ook is niet gebleken dat de bedrijfsarts heeft nagelaten de notities/rapportages opgemaakt door de arts tussentijds mee te lezen dan wel te beoordelen als verantwoordelijke supervisor. De bedrijfsarts kan dus geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.

Slotsom
5.5     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.

6. De beslissing

Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
 

Deze beslissing is gegeven op 2 oktober 2026 door P.A.H. Lemaire, voorzitter, M. Prenger en F.J. Perquin, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.C. Sijtsema, secretaris.

secretaris                                                                                           voorzitter


 


Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.