ECLI:NL:TGZRZWO:2026:148 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8895

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:148
Datum uitspraak: 18-09-2026
Datum publicatie: 18-09-2026
Zaaknummer(s): Z2025/8895
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen psychotherapeut. De ex-partner van klaagster (hierna: patiënt) is bij de psychotherapeut onder behandeling geweest. Van deze behandeling heeft de psychotherapeut op 6 februari 2025 een ontslagbrief opgesteld en aan de huisarts gezonden. In deze brief worden onder meer uitlatingen gedaan over klaagster. Klaagster maakt de psychotherapeut hierover verschillende verwijten. Naar het oordeel van het college betreft het hier enkel de weergave van het subjectieve verhaal van patiënt en blijkt uit de brief niet van enig eigen oordeel van de psychotherapeut. De klacht is kennelijk ongegrond.  

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing in raadkamer van 18 september 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klaagster,

tegen

C,

psychotherapeut,

(destijds) werkzaam in D,

verweerder, hierna ook: de psychotherapeut.

1. De zaak in het kort

1.1     De ex-partner van klaagster (hierna: patiënt) is bij de psychotherapeut onder behandeling geweest. Van deze behandeling heeft de psychotherapeut op 6 februari 2025 een ontslagbrief opgesteld en aan de huisarts gezonden. In deze brief worden onder meer uitlatingen gedaan over klaagster. Klaagster maakt de psychotherapeut hierover verschillende verwijten.
 

1.2     Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
 

2. De procedure

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 6 augustus 2025;
  • het verweerschrift met bijlagen;
  • de brief van de secretaris aan verweerder van 5 november 2025;
  • een nadere toelichting van verweerder, ontvangen op 17 november 2025;
  • de repliek van klaagster met bijlage, ontvangen op 23 december 2025;
  • de dupliek van verweerder, ontvangen op 2 januari 2026;
  • het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 14 april 2026.

2.2     Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren. 
 

3. De feiten

3.1     In de ontslagbrief van 6 februari 2025 die de psychotherapeut over de behandeling van patiënt voor de huisarts heeft opgesteld is het volgende vermeld:

“(…)

Uit de afgenomen speciale anamnese komt naar voren dat patiënt sinds 6,5 jaar gescheiden is, welke beslissing ze toentertijd samen hebben genomen. Sindsdien zijn er langzamerhand problemen ontstaan rondom de bezoekregeling van de kinderen aan hem. De eerste jaren had hij de kinderen een keer per 14 dagen in het weekend. Spanningen namen toe toen patiënt een nieuwe vriendin kreeg die ook kinderen heeft in dezelfde leeftijd als die van hem. Daar had ze commentaar op. Gesprek met ex zelf lukte niet omdat hij slechts verwijten te horen krijgt. Toen hij aangaf zelf ook meer gezag over de kinderen wilde hebben namen aantijgingen en beschuldigingen toe. Heeft zelf ooit ex vastgegrepen toen ze ruzie zocht waar de kinderen bij waren. Is hier naar eigen zeggen terecht voor veroordeeld. Krijgt nu te horen dat ex hem ervan beschuldigt de kinderen seksueel te hebben misbruikt. Als hij vraagt waarop zij de beschuldigingen baseert geeft ze geen antwoord. Ex doet ook geen aangifte bij de politie wat hij zou verwachten als er werkelijk sprake is van misbruik. Ex heeft nu bezoekregeling teruggeschoefd naar 1x per maand gedurende 5 uren. Voorwaarde is dan dat hij ze alleen ziet en bij thuisontvangst zijn vriendin en haar kinderen het huis moeten verlaten. Heeft een poos terug gemeld dat hij onder deze condities de kinderen niet kan en wil zien. Heeft toen een periode afstand genomen. Toen kwamen er kaarten van haar via de kinderen dat ze hun vader misten en wilden zien. Denkt zelf dat ze via de kinderen grip op hem wil houden wat als straffen wordt ervaren. Krijgt ook steeds mails van ex waarin ze hem vaak beschuldigt. Zoekt nu hulp omdat hij af en toe zijn verhaal kwijt wil en daardoor balans kan houden. Door de stress zijn er af en toe stemmingsschommelingen en soms slecht slapen. Verder gaat het hem goed, kan ook genieten. Relatie met vriendin en haar kinderen is goed. Ook op zijn werk voelt hij zich prettig en gaan de zaken goed. Er is op dit moment onvoldoende grond om een hulpaanbod vanuit de 2 lijns GGZ aan te bieden. Patiënt lijkt meer gebaat nu met inzet van POH of maatschappelijk werk om gesprekken te hebben ter ondersteuning van het huidige proces om zelf balans te kunnen houden in de stappen die hij heeft gezet richting Raad van Kinderbescherming, in de hoop dat hij daardoor wat vaker de kinderen kan gaan zien zonder alle beperkingen die ex hem oplegt.

DSM-5:

300.82 Somatische symptoomstoornis

V61.29 Negatieve invloed van ouderlijke relatie op de kinderen”.
 

4. De klacht en de reactie van de psychotherapeut

4.1     Klaagster verwijt de psychotherapeut dat hij:

1. zich heeft uitgelaten over klaagster als persoon zonder behandelrelatie, zonder klaagsters toestemming en zonder hoor en wederhoor;

2. mededelingen heeft gedaan in een juridische context die klaagsters rechtspositie hebben beïnvloed, zonder toetsing of verificatie;

3. zijn beroepsgrenzen heeft overschreden door partij te kiezen op basis van eenzijdige informatie;

4. de persoonlijke levenssfeer van klaagster heeft geschonden, door haar zonder toestemming te noemen in een professioneel document dat buiten de behandelrelatie is verspreid.
 

4.2     Volgens de psychotherapeut gaat het slechts om wat patiënt aan hem verteld heeft in de behandelrelatie en blijkt dat ook uit de gebruikte bewoordingen. Primair stelt de psychotherapeut zich op het standpunt dat klaagster niet-ontvankelijk verklaard moet worden, nu geen sprake is van een behandelrelatie. Subsidiair verzoekt hij het college de klacht ongegrond te verklaren. Hij stelt zich op het standpunt dat zijn handelen binnen zijn deskundigheidsgebied als psychotherapeut en in overeenstemming met de professionele standaard heeft plaatsgevonden. Er was geen behandelrelatie met klaagster en dus geen plicht tot hoor en wederhoor, de rapportage was geen waarheidsvinding of juridische verklaring en er was evenmin sprake van schending van beroepsethiek of van onzorgvuldig handelen. De psychotherapeut is als behandelaar geen partij in het conflict tussen klaagster en patiënt en wenst dat ook niet te worden.
 

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
 

Ontvankelijkheid

5.1     De psychotherapeut heeft primair naar voren gebracht dat klaagster niet-ontvankelijk is in de klacht, omdat geen sprake is van een behandelrelatie.

5.2     Het college oordeelt dat klaagster wel in haar klacht kan worden ontvangen. Er is weliswaar geen sprake van een behandelrelatie, maar in de brief van 6 februari 2025 worden wel uitlatingen gedaan over klaagster. Hiermee valt het handelen waarover geklaagd wordt onder de tweede tuchtnorm.

De criteria voor de beoordeling

5.3     Het college moet de vraag beantwoorden of de psychotherapeut voldoende

zorgvuldig heeft gehandeld. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychotherapeut. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de psychotherapeut geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. In artikel 7:454 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat de hulpverlener in het dossier aantekeningen maakt van de gegevens over de gezondheid van de patiënt en de daarvoor gedane verrichtingen en dat hij andere gegevens opneemt voor zover dat voor een goede hulpverlening aan de patiënt noodzakelijk is.

Beoordeling

5.4     Naar het oordeel van het college kunnen de aantekeningen van de psychotherapeut in de ontslagbrief niet anders worden gelezen en begrepen dan de weergave van het subjectieve verhaal van patiënt zoals deze dat aan de psychotherapeut heeft verteld. Het college baseert dit op het feit dat het verhaal volgt op de zinssnede “uit de speciale afgenomen anamnese komt naar voren dat…”, alsmede op de bewoordingen “naar eigen zeggen” en “denkt zelf”. Uit de brief blijkt niet van enig eigen oordeel van de psychotherapeut. De psychotherapeut heeft terecht opgemerkt dat het niet aan hem is om onderzoek te doen naar de juistheid van de door patiënt verstrekte informatie. Wel behoort het tot de taak van de psychotherapeut om alle informatie te noteren die voor een goede hulpverlening relevant kan zijn. Het noteren van de door patiënt geschetste omgang met klaagster moet naar het oordeel van het college worden bezien in de context van het vastleggen van de hulpvraag.

5.5       Nu geen sprake was van een behandelrelatie met klaagster en het hier enkel de weergave betreft van het subjectieve verhaal van de ex-partner van klaagster, was er geen plicht tot hoor en wederhoor. Dat de mededelingen zouden zijn gedaan in een juridische context wordt door het college niet gevolgd, aangezien het immers een terugkoppeling aan de huisarts betrof. Dat de brief later wel in een juridische procedure is gebruikt, maakt dit niet anders en kan niet aan de psychotherapeut worden tegengeworpen. Van het kiezen van partij of schending van klaagsters persoonlijke levenssfeer is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ook geen sprake.

 
Slotsom

5.6     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing

Het college:

  • verklaart de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond.
     

Deze beslissing is gegeven op 18 september 2026 door P.A.H. Lemaire, voorzitter, H.J. de Boer en R. van der Ree, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.D. Moeke, secretaris.

secretaris                                                                                           voorzitter


 


Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.