ECLI:NL:TGZRZWO:2026:147 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2026/9693

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:147
Datum uitspraak: 14-09-2026
Datum publicatie: 14-09-2026
Zaaknummer(s): Z2026/9693
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klagers klagen namens hun moeder (patiënte) over de behandeling van patiënte door de psychiater en over het afgeven van verklaringen door de psychiater ten behoeve van rechtszaken. De voorzitter oordeelt dat klagers kennelijk niet-ontvankelijk zijn voor zover ze klagen over de behandeling van patiënte en dat de klacht voor het overige kennelijk ongegrond is.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Voorzittersbeslissingvan 14 september 2026 op de klacht van:

A, wonende te B,
C, wonende te D,

klagers,

tegen

E,

psychiater,

werkzaam te G,

verweerder,
gemachtigde: mr. M.S. Bugter, advocaat te Arnhem.

1. De procedure
 

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

  • het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 4 maart 2026;
  • de brief van de secretaris van 21 april 2026, met het verzoek een recent bewijsstuk te overleggen waaruit blijkt dat zij curator van hun moeder zijn;
  • aanvullende bewijsstukken van 8 mei 2026, met onder andere een actuele uitdraai van het curatele- en bewindregister;
  • het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 17 juli 2026.
     

2De klacht en reactie van verweerder

2.1       Klagers hebben op 4 maart 2026 een klacht ingediend tegen verweerder als behandelend psychiater van hun moeder, H (hierna: patiënte). Zij schrijven in hun klaagschrift dat zij de klacht hebben ingediend in de volgende hoedanigheid: “curatoren, mentoren, wettelijk vertegenwoordigers en toegewijd kinderen die moeder (…) al 15 jaar verzorgen”.

2.2       Klagers verwijten verweerder:
a)         afbouw van psychiatrische medicatie zonder overleg en met instemming van de curatoren;
b)         het afgeven van ongefundeerde en tendentieuze verklaringen ten behoeve van
            rechtszaken;
c)         het nalaten om onze moeder te beschermen tegen haar eigen kwetsbaarheid en tegen
            beïnvloeding en misbruik door derden, waaronder begrepen het nalaten van herstel
            bevorderende samenwerking en het structureel weigeren van overleg met de
            wettelijke vertegenwoordigers.

2.3       Verweerder schrijft in zijn verweerschrift dat hij zich in een moeilijke positie bevindt, omdat klagers voor zover bekend op slechte voet staan met hun moeder, althans met haar geen tot weinig contact onderhouden en al geruime tijd in een juridische strijd rondom de curatele verwikkeld zijn. Inmiddels heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 9 juli 2026 de curatele opgeheven. De door het gerechtshof benoemde deskundige acht patiënte in staat om haar vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen te behartigen. Ook acht hij haar in staat haar persoonlijke belangen te behartigen, zonder beïnvloeding of misbruik van derden.
 

Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat klagers niet-ontvankelijk zijn in hun klachten omdat zij geen toestemming van hun moeder hebben om deze klachten in te dienen. Hun moeder heeft zelfs op 13 juli 2026 aangegeven dat zij tegen deze klachten is. Daarom zijn zij niet-ontvankelijk op basis van artikel 65 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG).

Voor zover klagers wel kunnen worden ontvangen in hun klachten, dienen deze te worden afgewezen omdat de onvrede van klagers zich niet vertaalt naar een tuchtrechtelijk verwijt.
 

3. De overwegingen van de voorzitter
 

Kunnen klagers klagen?
3.1       Een tuchtzaak kan alleen aanhangig worden gemaakt door een schriftelijke klacht van een rechtstreeks belanghebbende (artikel 65 lid 1 sub a van de Wet BIG). Patiënte zelf is in elk geval rechtstreeks belanghebbende. Het uitgangspunt is dat, als patiënte daartoe behoorlijk in staat is, zij zelf – met uitsluiting van anderen – beslist over het indienen van de klacht. Patiënte was onder curatele gesteld. Een onder curatele gestelde kan zelfstandig een klacht indienen tenzij hij niet in staat is om zijn belangen ter zake van de tuchtklacht behoorlijk waar te nemen. Zonder toestemming van patiënte wordt een door een ander ingediende klacht over haar behandeling niet-ontvankelijk verklaard. Als patiënte wilsonbekwaam is, kan een naaste betrekking (bijvoorbeeld een zoon) rechtstreeks belanghebbende zijn en dus een klacht indienen. 

3.2       Uit het arrest van het gerechtshof van 9 juli 2026 blijkt dat patiënte volledig wilsbekwaam is. Hoewel de klacht is ingediend op een moment dat klagers nog curatoren van hun moeder waren, blijkt uit de door partijen overgelegde stukken ook dat er al voor het indienen van de klacht een procedure liep om deze curatele op te heffen (hetgeen uiteindelijk ook is gebeurd). Dit betekent dat klagers alleen kunnen klagen als patiënte daarvoor toestemming geeft. Van dit laatste is niet gebleken. Uit de beslissing van het gerechtshof volgt dat patiënte op de mondelinge behandeling aan het hof heeft verteld dat zij vrijwillig om de twee maanden naar verweerder toe gaat en ook dat klagers patiënte al jaren niet hebben gezien of gesproken.
 

3.3       Gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden, en het belang van het klachtrecht in ogenschouw genomen, is de voorzitter van oordeel dat klagers niet-ontvankelijk zijn in hun klacht, voor zover dit ziet op de behandeling van patiënte. Klagers hebben bij klachtonderdelen a) en c) dan ook geen rechtstreeks eigen belang. Klachtonderdelen a) en c) zijn kennelijk niet-ontvankelijk.

Klachtonderdeel b) het afgeven van verklaringen
3.4       Dit klachtonderdeel gaat erover dat verweerder op verzoek van patiënte verklaringen heeft opgesteld die zijn gebruikt in juridische procedures. Volgens klagers zijn deze verklaringen, samengevat, niet op zorgvuldige wijze tot stand gekomen en ten onrechte niet gedeeld met hen als curatoren.

3.5       Zoals hiervoor onder 3.2 uiteen is gezet, waren klagers curatoren van hun moeder en bestond er al geruime tijd juridische strijd over het curatorschap. Op 9 september 2025 heeft verweerder zich per brief gericht tot de rechtbank en het volgende geschreven (alle citaten letterlijk weergegeven):
Bovengenoemde patiënte is al geruime tijd bij ons in behandeling, de laatste periode op vrijwillige basis, ambulant.
Zij heeft al vele jaren een curatele, waarbij het curatorschap door beide zoons wordt gedaan. Over dit laatste bestaat ook al geruime tijd een conflict tussen patiente en haar zoons. Dit heeft patiente met behulp van een advocaat aanhangig gemaakt bij de rechtbank. De zaak hierover loopt, maar kent een langdurige afwikkeling. Er is nu dus ook al geruime tijd geen enkel contact tussen patiente en haar curatoren. Dit maakt de zaak voor ons als behandelaren moeilijk werkbaar. We kunnen behandelstappen of zorgen over de situatie van patiente nu niet goed met curatoren afstemmen.
Deze impasse kan ons inziens het best doorbroken worden door de functie van curator beleggen bij een neutrale partij, zeker hangende de uitspraak van de rechtbank. We willen u derhalve verzoeken om een andere curator aan te wijzen voor patiënte
.”

Tevens correspondeerde verweerder op 9 december 2025 met een andere psychiater, die door het gerechtshof als deskundige was benoemd. In reactie op vragen van deze psychiater liet verweerder weten dat er op dat moment geen aanwijzingen waren voor een psychiatrische stoornis. Verweerder schreef dat patiënte handelings- en wilsbekwaam was en dat hij in de huidige situatie nooit zou overwegen om een mentor/bewindvoerder, laat staan een curator aan te vragen. Verweerder schreef verder: “In die zin zou het curatorschap wat mij betreft geheel kunnen vervallen; in ieder geval moet deze taak bij zoons weg, ook al gezien het feit dat er totaal geen persoonlijk contact meer is in de afgelopen jaren.”
 

3.6       Anders dan verweerder stelt, hebben klagers naar het oordeel van de voorzitter bij dit klachtonderdeel wel een rechtstreeks eigen belang dat geplaatst kan worden in de individuele gezondheidszorg. Onder omstandigheden kan iemand klagen over een door een zorgverlener opgestelde verklaring, wanneer in die verklaring ook uitlatingen worden gedaan over die betreffende persoon en diegene daarmee in diens belangen kan worden geschaad. In zijn verweerschrift schrijft verweerder dat de door klagers beschreven en overgelegde verklaringen niet tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn. Hetgeen verweerder schrijft is, volgens het verweerschrift, een logische conclusie op het feit dat de huidige curatele problematisch verloopt. Hij heeft hiermee slechts rekening gehouden met de belangen van zijn patiënte, die met de curatele enkel werden benadeeld.

3.7       De voorzitter stelt allereerst vast dat de stelling van verweerder dat de curatele problematisch verliep, wordt ondersteund door de beschikbare stukken, waaronder het arrest van het gerechtshof. Klagers hadden hun moeder al jaren niet gezien of gesproken en waren toch nog geruime tijd haar curatoren. Verweerder heeft zich in zijn verklaring - althans voor zover deze over klagers gaat - beperkt tot het beschrijven van de feitelijke situatie. Hij heeft zich verder uitgelaten over de lastige positie waarin de behandelaren zich bevonden. Dit is niet in strijd met de KNMG-richtlijn ‘Omgaan met medische gegevens’ (paragraaf 7.8).  

Klagers zijn niet belanghebbend voor zover verweerder in de verklaring iets stelt over patiënte. Verweerder was, gelet op de lopende procedure, niet gehouden deze verklaringen buiten de procedure om te delen met klagers als curatoren. Verweerder kan ook in zoverre geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
 

4. De beslissing

De voorzitter:
-           verklaart klagers kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht, voor zover het betreft de
            klachtonderdelen a) en c);
-          verklaart de klacht kennelijk ongegrond, voor zover het klachtonderdeel b) betreft.  

Deze beslissing is gegeven op 14 september 2026 door P.A.H. Lemaire, voorzitter, bijgestaan door M.H. van Ham, secretaris.

secretaris                                                                                                                          voorzitter

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • de voorzitter u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard;
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.