ECLI:NL:TGZRZWO:2026:144 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/9454

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:144
Datum uitspraak: 04-09-2026
Datum publicatie: 04-09-2026
Zaaknummer(s): Z2025/9454
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht van ouders tegen vertrouwensarts kennelijk ongegrond. Klacht tegen vertrouwensarts over een onderzoek over Kindermishandeling door falsicifiactie. Klagers verwijten de vertrouwensarts ook dat ze onvoldoende objectief was in het onderzoek.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing in raadkamer van 4 september 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klagers (hierna ook: ouders),

tegen

C,

kinderarts en vertrouwensarts,

werkzaam in D,

verweerster, hierna ook de vertrouwensarts

gemachtigde: mr. A.C. de Die, advocaat te Amsterdam.

1. De zaak in het kort

1.1     Klagers hebben klachten tegen een vertrouwensarts over een onderzoek van Veilig Thuis (VT). Klagers verwijten de vertrouwensarts ook dat ze onvoldoende objectief was in het onderzoek. De vertrouwensarts heeft het onderzoeksproces van VT en haar rol daarin in het verweerschrift onderbouwd.
 

1.2     Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
 

2. De procedure

2.1     Het college heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  • het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 16 december 2025;
  • het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 23 maart 2026;
  • het e-mailbericht van klagers van 26 mei 2026;
  • het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 2 juni 2026 met de vertrouwensarts en haar gemachtigde;
  • het e-mailbericht aan klagers van de secretaris van 2 juni 2026;
  • het e-mailbericht van klager van 4 juni 2026;
  • het e-mailbericht van klagers van 7 juli 2026 waarin zij aangeven de klacht in te willen trekken;
  • de brief van de gemachtigde van verweerster van 14 juli 2026 met de wens om de behandeling van de klacht voort te zetten;
  • het e-mailbericht van klagers van 21 juli 2027 waarin zij bezwaar maken tegen de voortzetting van de klachtbehandeling.


2.2       Klagers hebben bezwaar gemaakt tegen de gewenste voortzetting van de behandeling van de klacht door verweerster. Artikel 65d van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) bepaalt dat de behandeling van de klacht wordt gestaakt tenzij de beklaagde schriftelijk verklaart voortzetting van de behandeling te verlangen. Dat heeft verweerster gedaan met de brief van 7 juli 2026. De behandeling van de zaak wordt daarom niet gestaakt en dus verder behandeld. De Wet BIG kent geen mogelijkheid voor bezwaar door klagers tegen verdere behandeling. 

2.3       Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren. 
 

3. De feiten

3.1     Klagers zijn de ouders van drie minderjarige zonen. Op 30 juni 2025 heeft het E hun zorgen over de draagkracht van ouders en de discrepantie tussen de informatie van ouders en andere betrokkenen over de gezondheid van hun kinderen besproken met klagers. E heeft advies gevraagd bij VT. Op 1 juli 2025 is een melding gedaan door het E bij Veilig Thuis (hierna: VT).
 

3.2     Klaagster nam op 2 juli 2025 contact op met VT en informeerde naar de melding.
 

3.3     Op basis van de inhoud van de melding (zorgen over veelvuldige (acht) zorgaanvragen voor zorg- en hulpmiddelen voor de kinderen zonder dat duidelijk is dat deze (medisch) geïndiceerd zijn) en de beschikbare informatie werd in het kader van de eerste veiligheidstaxatie gedacht aan de mogelijkheid van kindermishandeling in de vorm van falsificatie (KMdF).
 

3.4     De dossierbehandelaar (hierna: dossierhouder) van VT nam telefonisch contact op met klaagster voor een huisbezoek. Vanuit VT werd gemeld dat in het eerste gesprek de zorgen zouden worden besproken, ouders uitleg zouden krijgen over het onderzoek en welke informanten zouden worden benaderd.
 

3.5     Op 3 juli 2025 vond een eerste multidisciplinaire overleg (MDO) plaats bij VT. Daarbij waren aanwezig de dossierhouder, gedragswetenschapper, een arts VT en de vertrouwensarts. Het onderzoek werd met spoed gestart.
 

3.6     Op 9 juli 2025 vond een tweede MDO plaats. Daarbij waren aanwezig de dossierhouder, gedragswetenschapper, de arts VT en de vertrouwensarts. De hoofdvraag, deelvragen en hypothesen van het onderzoek werden geformuleerd:
(alle citaten zijn overgenomen inclusief taal- en typefouten en voor zover relevant voor de klacht)
“- Is er sprake van kindermishandeling door het uitvergroten of falsificeren van de klachten van de kinderen?
De deelvragen zijn:
“- Welke diagnoses zijn er gesteld?
- Zijn de gestelde diagnoses bevestigd door een professional?
- Welke diagnoses zijn onderzocht en welke zijn bevestigd of weerlegd?
- Zijn de gestelde diagnoses passend bij de beschreven klachten?
- Op basis waarvan zijn de diagnoses gesteld?
- Passen de beperkingen van de kinderen bij de gestelde diagnoses?
- Heeft de psychische problematiek van ouders effect op de opvoedsituatie van de kinderen? Zo ja, wat is het effect hiervan?

Er zijn twee hypothesen geformuleerd:
Hypothese 1; De opvallend hoge frequentie van zorgaanvragen, medische diagnoses en hulpmiddelen voor de jonge kinderen binnen het gezin sluiten niet aan bij de zorgbehoeftes van de kinderen.
Hypothese 2; De opvallen hoge frequentie van zorgaanvragen, medische diagnoses en hulpmiddelen voor de jonge kinderen binnen het gezin sluiten aan bij de zorgbehoeftes van de kinderen.”

 

3.7     Op 10 juli 2025 meldde het E dat de diagnostische rapporten van F door ouders waren toegestuurd en deze compleet en correct zijn. Het deel over de incomplete stukken in de melding kon vervallen. Deze informatie is (wegens vakantie) op 21 juli 2025 bij de dossierhouder terechtgekomen.
 

3.8     Op 14 juli 2025 heeft een eerste huisbezoek bij klagers plaatsgevonden. Daarbij waren de dossierhouder en de vertrouwensarts aanwezig. Van dit huisbezoek bevindt zich een verslag in het dossier.
Op 16 juli 2025 vond een telefonisch gesprek plaats tussen klaagster en de dossierhouder. Daarvan bevindt zich een verslag in het dossier. Op 21 juli 2025 vond app-contact plaats tussen klaagster en de dossierhouder, de inhoud van deze contacten is opgenomen in het dossier.
 

3.9     Op 22 juli 2025 vond een MDO plaats waarin besloten werd om de aanvullende stukken die de dossierhouder op 21 juli 2025 bereikte, aan de melding toe te voegen.  Daarbij waren aanwezig de dossierhouder, de arts VT en de gedragswetenschapper.

Op 29 juli 2025 is er een MDO geweest. Daarbij waren aanwezig de dossierhouder, de arts VT en een gedragswetenschapper. Klagers hebben verzocht om de onderzoeksvragen en hypothesen en besloten werd deze met ouders te delen.
 

3.10     VT heeft informatie opgevraagd bij de huisarts en G (kindergeneeskunde). Klagers waren bereid om nadere informatie te geven op verzoek van VT. Ook het H is benaderd voor informatie.
 

3.11     Op 26 augustus 2025 vond een MDO plaats. Daarbij waren aanwezig de dossierhouder, de arts VT, een gedragswetenschapper en de vertrouwensarts. Ouders zijn na dit MDO geïnformeerd. Daarna werden informatieverzoeken gedaan aan F, een kinderdagcentrum, twee scholen, I en aan een bij het gezin betrokken PGB’er.
 

3.12     Begin september 2025 heeft de vertrouwensarts contact gehad met de kinderarts van twee van de kinderen. De kinderen waren op dat moment in onderzoek in verband met een groeiachterstand en stonden gepland voor een groeihormoontest. De vertrouwensarts besprak met de kinderarts, ter overweging, een kortdurende opname in het ziekenhuis voor klinische introductie van voedingsmiddelen waarvoor hetero-anamnestisch (op basis van informatie van moeder) een allergie zou bestaan.
 

3.13     De dossierhouder had op 9 september 2025 een overleg op de school van twee van de kinderen. De school maakte zich geen zorgen over de ontwikkeling van de kinderen. Diezelfde dag heeft de dossierhouder overlegd met het Kinderdagcentrum en ontving informatie van hen. Het Kinderdagcentrum had andere zorgen over een van de kinderen dan moeder. I heeft informatie overgelegd. Het H heeft informatie aan VT verstrekt.
 

3.14      De vertrouwensarts had op 18 september 2025 telefonisch contact met een kinderarts naar aanleiding van een recente verwijzing van een van de kinderen. Besproken is dat een klinische observatie kon worden overwogen. De vertrouwensarts heeft bij school geïnformeerd naar het actuele beeld.
 

3.15     De PGB’er heeft informatie aangeleverd. Haar beeld was dat sprake is van een warm, liefdevol en zorgzaam gezin dat het niet altijd makkelijk heeft.
 

3.16     Op 22 oktober 2025 vond een vervolggesprek (huisbezoek) plaats van de dossierhouder en de vertrouwensarts met klagers. Het advies van VT werd met ouders gedeeld: een klinische opname van alle drie de kinderen om hen te observeren, de klachten en symptomen te objectiveren en de eerder gestelde diagnoses te evalueren. Daarnaast zou het onderzoeksrapport met ouders doorgenomen worden. Het onderzoeksrapport maakt deel uit van de stukken. VT acht het van belang om ook met de kinderen te spreken, maar daar reageren ouders terughoudend op.
 

3.17     Op 5 november 2025 werd in een MDO (waarbij aanwezig: de dossierhouder, gedragswetenschapper, arts VT en de vertrouwensarts) het onderzoeksrapport besproken. De gedragswetenschapper is niet eerder bij het onderzoek betrokken geweest. In het MDO vond een kritische beoordeling en toetsing van de bevindingen plaats, het onderzoek, de conclusies en het advies.
 

3.18     Op 6 november 2025 werd het onderzoeksrapport naar ouders gestuurd. De dossierhouder liet weten dat VT de week erna in gesprek kon gaan over het rapport. Klagers verzochten, vanwege meerdere omstandigheden, om meer tijd.
Op 13 en 20 november 2025 vonden MDO’s plaats. Bij het MDO van 13 november 2025 was de vertrouwensarts aanwezig. Op 20 november 2025 heeft de dossierhouder aan ouders laten weten een gesprek eind januari (zoals door ouders verzocht) niet wenselijk te achten. Een gesprek in de tweede week van december 2025 werd voorgesteld. Klagers kregen tot 27 november 2025 de tijd om te reageren op eventuele feitelijke onjuistheden in het rapport. Op 24 november 2025 werd een reactie van ouders op het rapport ontvangen.
 

3.19     Op 9 december 2025 deden klagers een formeel verzoek tot het uitvoeren van een volledig nieuw onderzoek, door een nieuw onafhankelijk team. Op 10 december 2025 vond een gesprek (huisbezoek) plaats tussen de dossierhouder, de vertrouwensarts en klagers. Klagers hebben in dit gesprek hun visie gegeven en lieten weten dat zij een eigen plan hebben gemaakt als alternatief voor het advies van VT. Het door ouders gemaakte plan was een familiegroepsplan. Het advies van VT is door de dossierhouder en de vertrouwensarts toegelicht. Ouders verzochten om een ordner met documentatie ter hand te stellen aan VT en VT diende daarvoor een verklaring te ondertekenen. De ordner is door de dossierhouder en de vertrouwensarts niet aangenomen. Klagers verzochten het hele traject on hold te zetten. Aangegeven is de verzoeken van klagers intern te overleggen.
 

3.20     Op 11 december 2025 heeft een MDO plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: dossierhouder, twee gedragswetenschappers, arts VT, de vertrouwensarts en de teammanager). De verzoeken van ouders werden niet gehonoreerd en dit werd op
15 december 2025 door de dossierhouder aan ouders gemeld.
Ouders hebben nog niet gereageerd op het verzoek tot correctie van feitelijke onjuistheden en krijgen daartoe de gelegenheid tot 23 december 2025.
 

3.21     Op 15 december 2025 reageerden klagers op het afwijzen van hun verzoeken. Klagers stelden zich op het standpunt dat het rapport niet met derden mocht worden gedeeld en formuleerden hun klachten. Tevens informeerde zij VT over een melding bij de IGJ en een tuchtklacht bij het RTG tegen de vertrouwensarts.
 

3.22     Op 18 december 2025 vond afstemmingsoverleg plaats met de Raad voor de Kinderbescherming.
Tijdens het MDO op 23 december 2025 (aanwezig: dossierhouder, gedragswetenschapper, arts VT, teammanager en de vertrouwensarts) zijn de klachten en het verzoek tot klachtenbemiddeling van klagers besproken. VT bleef bij de conclusies uit het MDO van 11 december 2025. Klagers hebben een reactie van 550 pagina’s ingediend.
 

3.23     Op 8 januari 2026 vond een MDO met jurist plaats (aanwezig: dossierhouder, gedragswetenschapper, de vertrouwensarts en een beleidsadviseur juridische zaken) om de proportionaliteit van het verweer van ouders en de ontvankelijkheid van de door hen ingediende stukken te bepalen, gezien het mogelijk gebruik van AI. De reactie van klagers werd beoordeeld op correctie van feitelijke onjuistheden en verwerkt in het eindrapport, dat ook deel uitmaakt van de stukken.
 

3.24     Op 19 januari 2026 vond een afsluitend MDO plaats (aanwezig dossierhouder, gedragswetenschapper en de vertrouwensarts). Het rapport wordt definitief vastgesteld en met ouders gedeeld en maakt deel uit van de processtukken.

4. De klacht en de reactie van de vertrouwensarts

4.1     Klagers verwijten de vertrouwensarts dat zij:

  1. als vertrouwensarts medische hypothesen heeft gehanteerd en daaraan heeft vastgehouden zonder toereikende medische onderbouwing, terwijl beschikbare medische informatie daar onvoldoende aanleiding toe gaf;
  2. klagers onvoldoende heeft geïnformeerd over de hypothesen, de medische duiding daarvan en de mogelijke consequenties, waardoor klagers daar niet tijdig en volwaardig op hebben kunnen reageren;
  3. heeft nagelaten zorg te dragen voor correcte hoor en wederhoor, terwijl dit essentieel is bij ingrijpende conclusies en advisering;
  4. conclusies en interpretaties in het dossier heeft vastgelegd op een wijze die onvoldoende neutraal, verifieerbaar en proportioneel is;
  5. als vertrouwensarts onvoldoende professionele distantie en terughoudendheid heeft betracht in een complex en escalerend Veilig Thuis-traject, waar juist medische zorgvuldigheid en de-escalatie geboden waren.
     

4.2     De vertrouwensarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. De vertrouwensarts heeft daartoe – kort samengevat – aangevoerd dat er voldoende medische informatie is verzameld over de zonen van klagers. In het eerste gesprek met ouders
(14 juli 2025) zijn de zorgen over de hoeveelheid zorgaanvragen (in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning, hierna Wmo) gedeeld. In het gesprek op 21 juli 2025 hebben klagers aan de dossierhouder gevraagd of zij werden verdacht van PCF. Op
29 juli 2025 zijn de hypothesen met ouders gedeeld. In deze casus hebben uitzonderlijk veel multidisciplinaire overleggen plaatsgevonden. Ouders zijn regelmatig gesproken. Op het eindrapport hebben klagers kunnen reageren. Dat hebben zij ook gedaan in een reactie van 550 pagina’s, gemaakt met AI (Artificial Intelligence). Deze reactie is door verweerster volledig bekeken en naar aanleiding daarvan zijn aanpassingen gedaan in het rapport qua feitelijkheden. Alle verkregen informatie is in het dossier en in het rapport verwerkt. Het gegeven advies is conform de richtlijn ‘Kindermishandeling door Falsificatie’: klinische observatie van de drie zonen. Daaraan hebben klagers niet willen meewerken. Het alternatief van ouders, een familiegroepsplan, werd door Veilig Thuis niet als reëel alternatief gezien. De vertrouwensarts realiseert zich dat dit advies van Veilig Thuis een ingrijpende maatregel is. Er waren voldoende aanwijzingen voor Kindermishandeling door Falsificatie en het onderzoek gaf geen uitsluitsel of daar wel of geen sprake van was. Daarom was verder onderzoek, in de vorm van klinische observatie van de zonen, aangewezen.
Dat verweerster expert is op dit gebied sluit haar onafhankelijkheid in het onderhavige onderzoek niet uit. Het houden van multidisciplinaire overleggen voorkomt een tunnelvisie.
 

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college

De criteria voor de beoordeling

5.1     De vraag is of de vertrouwensarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende vertrouwensarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de vertrouwensarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener eventueel ook anders of beter had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.2     Het college oordeelt dat de vertrouwensarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en licht dat hierna toe.

Klachtonderdeel a) onvoldoende onderzoek en medische informatie
5.3     Klagers verwijten de vertrouwensarts dat zij medische hypothesen heeft gehanteerd en daaraan heeft vastgehouden zonder toereikende medische onderbouwing, terwijl beschikbare medische informatie daar onvoldoende aanleiding toe gaf.

5.4     De vertrouwensarts heeft aangevoerd dat in multidisciplinair overleg de hypothesen zijn geformuleerd. Daarbij is de ingebrachte medische informatie meegenomen en op grond daarvan is de hoofdvraag ‘Is er sprake van kindermishandeling door het uitvergroten of falsificeren van de klachten van de kinderen?’ in gezamenlijkheid geformuleerd.

5.5     Het college is van oordeel dat VT op basis van de haar beschikbare melding en overige informatie een verdedigbare onderzoeks(hoofd)vraag heeft geformuleerd. Op basis van de melding vanuit het E en de zorgen van de overige bij het gezin betrokken zorgverleners was nader onderzoek geïndiceerd. Tussen de observaties over de gezondheid en het functioneren van de kinderen van betrokken instanties en organisaties en de zorgaanvragen voor de kinderen door de ouders, was een discrepantie. Dat de vertrouwensarts daarbij medische informatie niet op waarde heeft geschat is het college niet gebleken. Er is uitgebreid medische informatie opgevraagd. Ook is door klagers niet aannemelijk gemaakt dat er reden zou zijn geweest om de twee hypothesen (de zorgaanvragen passen of passen niet bij de ontwikkeling van de kinderen) tijdens het onderzoek aan te passen. Niet gebleken is dat de vertrouwensarts hierbij buiten de grenzen van een redelijke bekwame beroepsuitoefening heeft gehandeld.

Klachtonderdeel b) onvoldoende informatie over hypothesen.
5.6     Klagers verwijten de vertrouwensarts klagers onvoldoende te hebben geïnformeerd over de hypothesen, de medische duiding daarvan en de mogelijke consequenties, waardoor klagers daar niet tijdig en volwaardig op hebben kunnen reageren.

5.7     De vertrouwensarts stelt zich op het standpunt dat vanuit VT ouders uitgebreid zijn geïnformeerd en voldoende hebben kunnen reageren.

5.8     Het college overweegt dat op 14 juli 2025 in het eerste huisbezoek van de dossierhouder en de vertrouwensarts de rol en taak van VT is besproken met ouders. Daarbij is uitgelegd aan ouders dat VT zal onderzoeken of de hoeveelheid zorgaanvragen, medische diagnoses en hulpmiddelen passend zijn. Op 22 juli 2025 is in een MDO besloten de hypothesen te delen met ouders. Dit is gebeurd door de dossierhouder. Het college is van oordeel dat daarmee ouders voldoende zijn geïnformeerd en hebben kunnen reageren op de hypothesen. Dat de vertrouwensarts dit persoonlijk had moeten doen volgt het college niet en dat zij hierbij buiten de grenzen van haar beroepsuitoefening heeft gehandeld is het college niet gebleken.

Klachtonderdeel c) onvoldoende hoor en wederhoor
5.9     Klagers verwijten de vertrouwensarts dat zij heeft nagelaten zorg te dragen voor correcte hoor en wederhoor, terwijl dit essentieel is bij ingrijpende conclusies en advisering.

5.10     De vertrouwensarts stelt zich op het standpunt dat zowel dossierhouder als zij uitgebreid met klagers hebben gesproken, zowel tijdens de huisbezoeken, als na het uitbrengen van advies, waarbij klagers een omvangrijke reactie hebben ingediend naar aanleiding van het rapport, die door de vertrouwensarts is gelezen en waarna feitelijke correcties in het rapport zijn aangebracht.

5.11     Het college is van oordeel dat voldoende hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. Er hebben meerdere huisbezoeken plaatsgevonden. Op 22 juli 2025 zijn, zoals hiervoor overwogen, de hypothesen gedeeld. Op 22 oktober 2025 is het advies met klagers gedeeld en aangeboden daarover op 6 november 2025 in gesprek te gaan. Na een verzoek van klagers om een gesprek te hebben in januari 2026 heeft VT aangegeven een gesprek in de tweede week van december 2025 wenselijk te achten. Daarbij zijn klagers in de gelegenheid gesteld te reageren op het rapport tot 27 november 2025. Na het MDO van 11 december 2025 zijn klagers nogmaals in de gelegenheid gesteld om te reageren (op feitelijke onjuistheden) in het rapport, tot 23 december 2025. Op 23 december 2025 hebben klagers een uitgebreide reactie op het rapport ingediend. Uit het voorgaande blijkt dat klagers uitgebreid in de gelegenheid zijn gesteld om tijdens het onderzoek en na het uitbrengen van het advies hun zienswijze en correcties in te dienen. Dat de vertrouwensarts onvoldoende hoor en wederhoor heeft toegepast volgt niet uit het voorgaande. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel d) conclusies en interpretaties in dossier onvoldoende zorgvuldig
5.12     Klagers verwijten de vertrouwensarts dat conclusies en interpretaties in het dossier zijn vastgelegd op een wijze die onvoldoende neutraal, verifieerbaar en proportioneel is.

5.13     De vertrouwensarts voert aan dat de conclusies in het rapport zijn vastgelegd na veelvuldige MDO’s en waarbij de achterliggende (medische) informatie in het rapport is toegevoegd.

5.14     Het college overweegt dat het rapport vermeldt van welke instanties informatie is verkregen en deze deel uitmaken van het VT dossier. De conclusies en interpretaties in het onderzoeksrapport, waarbij het advies is om nader onderzoek te doen omdat geen van beide hypotheses kan worden bevestigd danwel uitgesloten, zijn in gezamenlijkheid in meerdere MDO’s tot stand gekomen. Bij deze MDO’s waren de dossierhouder, een gedragswetenschapper, een arts VT en meestal de vertrouwensarts aanwezig. Het college is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de vertrouwensarts bij de totstandkoming van die conclusies onzorgvuldig heeft gehandeld. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel e) Onvoldoende professionele distantie in VT-traject
5.15     Klagers verwijten de vertrouwensarts dat zij onvoldoende professionele distantie en terughoudendheid heeft betracht in een complex en escalerend Veilig Thuis-traject, waar juist medische zorgvuldigheid en de-escalatie geboden was. De kern van dit verwijt van klagers komt erop neer dat de vertrouwensarts vanwege haar expertise op het gebied van KMdF niet met een onafhankelijke, objectieve, blik onderzoek heeft gedaan.

5.16     De vertrouwensarts stelt zich op het standpunt dat er een gedegen onderzoek is gedaan, met vele MDO’s, en geen sprake is van een tunnelvisie. De vertrouwensarts merkt hierbij op dat de beide hypothesen van het onderzoek beide opties open houden. Dat zij expertise heeft op het gebied van KMdF wil niet zeggen dat zij geen onafhankelijk onderzoek heeft gedaan.

5.17     Het college is van oordeel dat uit het dossier niet blijkt van vooringenomenheid van de vertrouwensarts in het uitgevoerde onderzoek. Het onderzoek is door meerdere disciplines uitgevoerd en er zijn veelvuldig MDO’s gevoerd. Het college wijst daarbij expliciet op het MDO op 5 november 2025. Daarbij was een andere gedragswetenschapper betrokken dan tot dat moment. In het MDO heeft een kritische beoordeling en toetsing plaatsgevonden van de bevindingen, het onderzoek, de conclusies en het advies. Het college is van oordeel dat er geen enkele grond is voor de stelling dat de vertrouwensarts vanwege haar expertise geen onafhankelijk onderzoek zou hebben uitgevoerd.

Slotsom
5.18     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing

Het college verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
 

Deze beslissing is gegeven op 4 september 2026 door P.A.H. Lemaire, voorzitter, M.H. van de Merwe en A.S.M. Kraak, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door J.W. Sijnstra-Meijer, secretaris.

secretaris                                                                                           voorzitter


 


Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.