ECLI:NL:TGZRZWO:2026:142 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2026/10435

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:142
Datum uitspraak: 07-09-2026
Datum publicatie: 07-09-2026
Zaaknummer(s): Z2026/10435
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht tegen een gezondheidszorgpsycholoog kennelijk niet-ontvankelijk. Klager verwijt de gezondheidszorgpsycholoog dat hij een verklaring heeft afgegeven over zijn cliënt, de ex-partner van klager. De voorzitter oordeelt dat klager geen rechtstreeks belanghebbende is in de zin van artikel 65 van de Wet BIG. Klager heeft weliswaar een financieel belang (in de alimentatieprocedure), maar dit kan niet worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Voorzittersbeslissingvan 7 september 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klager,

tegen

C,

gezondheidszorgpsycholoog,

werkzaam te D,

aangeklaagde.

1. De procedure
 

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

  • het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 8 juli 2026;
  • het aanvullende klaagschrift, ontvangen op 22 juli 2026.
  •  

2. De klacht
 

2.1       Klager verwijt aangeklaagde dat hij als behandelaar over zijn eigen cliënte (de ex-partner van klager) een schriftelijke verklaring heeft afgegeven die een waardeoordeel bevat over haar geschiktheid om arbeid te verrichten. De conclusies bij deze verklaring zijn gebaseerd op de behandelrelatie met zijn ex-partner en op haar mededelingen, de benodigde professionele distantie is niet bewaard. Bovendien heeft aangeklaagde hiermee gehandeld op een terrein buiten zijn deskundigheid en bevoegdheid.

2.2       Klager stelt ontvankelijk te zijn in zijn klacht, omdat hij hierdoor rechtstreeks is geraakt in zijn financiële belang, te weten de hoogte van de door hem te betalen partneralimentatie.

3. De overwegingen

3.1       Artikel 47, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) bepaalt dat een geregistreerde zorgverlener is onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van:

  1. enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die die beroepsbeoefenaar in die hoedanigheid behoort te betrachten ten opzichte van:

1° degene, met betrekking tot wiens gezondheidstoestand hij bijstand verleent of zijn bijstand is ingeroepen;

2° degene die, in nood verkerende, bijstand met betrekking tot zijn gezondheidstoestand behoeft;

3° de naaste betrekkingen van de onder 1° en 2° bedoelde personen; [eerste tuchtnorm]

  1. enig ander dan onder a. bedoeld handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. [tweede tuchtnorm].


Artikel 65, eerste lid, onderdeel a., van de Wet BIG bepaalt dat een zaak in eerste aanleg bij het bevoegde regionale tuchtcollege aanhangig kan worden gemaakt door indiening van een klaagschrift door een rechtstreeks belanghebbende.

3.2       De voorzitter merkt allereerst op dat klager klaagt voor zichzelf. Zijn belang is niet gerelateerd aan de zorgverlening als zodanig. Evenmin wordt er in de bestreden verklaring een uitlating gedaan over klager. Klager kan daarom niet worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende onder de eerste tuchtnorm.

3.3       Ook onder de tweede tuchtnorm kan klager niet worden ontvangen. Klager heeft weliswaar een indirect, financieel belang, omdat de verklaring over zijn ex-partner is overgelegd in een alimentatieprocedure, maar een dergelijk belang heeft naar het oordeel van de voorzitter onvoldoende weerslag op de individuele gezondheidszorg.

3.4       De voorzitter weegt hierbij mee dat de wetgever uitdrukkelijk heeft bedoeld de kring van rechthebbenden te beperken. Het doel van het op de Wet BIG gebaseerde tuchtrecht is immers de bewaking van de kwaliteit in de gezondheidszorg. Ten overvloede merkt de voorzitter op dat het civiele procesrecht voldoende handvatten biedt om verweer te voeren tegen stellingen en processtukken van de wederpartij.
 

3.5       Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is.

4.    De beslissing

De voorzitter verklaart klager kennelijk niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven op 7 september 2026 door P.A.H. Lemaire, voorzitter, bijgestaan door M.H. van Ham, secretaris.

secretaris                                                                                                                          voorzitter

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • de voorzitter u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard;
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.