ECLI:NL:TGZRZWO:2026:141 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/9153
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2026:141 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-08-2026 |
| Datum publicatie: | 28-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/9153 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een psychiater. Klager verbleef in de penitentiaire inrichting en is in het kader van de strafprocedure onderzocht in het Pieter Baan Centrum. Klager verwijt de psychiater dat voor het diagnostisch oordeel verouderde en foutieve stukken zijn gebruikt, de diagnostische beschouwing gebrekkig is gemotiveerd en relevante stukken uit het strafdossier buiten beschouwing zijn gelaten. Op basis van deze informatie heeft de psychiater volgens klager ten onrechte een TBS-maatregel met dwangverpleging geadviseerd. Het deskundigenrapport voldoet aan de criteria waar dit volgens vaste jurisprudentie aan dient te voldoen en de psychiater heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing in raadkamer van 28 augustus 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
gemachtigde: H,
tegen
C,
GZ-psycholoog,
destijds werkzaam in D,
verweerster, hierna ook: de GZ-psycholoog,
gemachtigde: mr. A.W. Hielkema, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager verbleef in de penitentiaire inrichting E (hierna: de PI). In opdracht van de rechtbank Oost-Brabant werd klager onderzocht door een multidisciplinair team van het F.
De GZ-psycholoog maakte deel uit van dit team. Voor dit onderzoek verbleef klager van 20 januari tot 3 maart 2025 in het F. Klager verwijt de GZ-psycholoog dat voor het diagnostisch oordeel verouderde en foutieve stukken zijn gebruikt. Ook vindt klager dat de GZ-psycholoog de diagnostische beschouwing gebrekkig heeft gemotiveerd en relevante stukken uit het strafdossier buiten beschouwing heeft gelaten. Op basis van deze informatie heeft de GZ-psycholoog – samen met het onderzoeksteam – ten onrechte een TBS-maatregel met dwangverpleging geadviseerd.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe
het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- de e-mail van klager met bijlagen, ontvangen op 8 oktober 2025;
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 1 december 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 15 januari 2026;
- de repliek, ontvangen op 20 februari 2026;
- de dupliek, ontvangen op 23 april 2026.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen
gebruik gemaakt.
2.3 Klager heeft gelijktijdig met deze klacht nog een klacht ingediend tegen de
psychiater met wie verweerster het onderzoek heeft verricht. Deze zaak staat geregistreerd
onder zaaknummer Z2025/9155. In die zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
2.4 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 De GZ-psycholoog is werkzaam voor het F, in G.
3.2 Klager verbleef in de PI E.
3.3 In opdracht van de rechtbank Oost-Brabant werd klager onderzocht door een multidisciplinair team, dat bestond uit de GZ-psycholoog, een psychiater, een forensisch milieuonderzoeker en een groepsleider. Behalve deze onderzoekers maakten een procesbegeleidend gedragsdeskundige en een jurist deel uit van het onderzoeksteam.
3.4 Van 20 januari tot 3 maart 2025 was klager voor het onderzoek opgenomen in het F. Het verblijf van klager is met enkele dagen verlengd in verband met ziekte in het onderzoeksteam. Klager werkte gedeeltelijk mee aan het onderzoek. De GZ-psycholoog heeft haar bevindingen van het door haar verrichte onderzoek opgeschreven in een pro Justitia-rapportage gedateerd op 9 mei 2025.
3.5 De conclusie en het advies uit de pro Justitia-rapportage luidt onder meer (alle citaten letterlijk weergegeven):
Bij betrokkene is sprake van zeer complexe en met elkaar interacterende psychopathologie, die moeilijk in classificerende termen te vangen is. Hij is een zeer achterdochtige en beperkte man, die onder spanning al gauw het overzicht en zijn grip op de realiteit verliest. Ten tijde van onderhavig onderzoek is sprake van een psychotisch toestandsbeeld. Onderliggend is sprake van zwakbegaafdheid en een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken. Hiermee overlappend is bij hem sprake van een verhoogde mate van psychopathische trekken. Verder is sprake van langdurig problematisch middelengebruik.
(…)
Ten tijde van de huidige observatie in het F is betrokkene overtuigd van een samenzwering, waar politie en justitie bij betrokken zijn, maar ook de begeleidster van aangeefster een grote rol in speelt.
Diagnostisch is overwogen of het psychotisch toestandsbeeld vanuit de beperkte intelligentie en persoonlijkheid moet worden begrepen. Betrokkene is vanuit zijn zwakbegaafdheid niet goed in staat complexe situaties te overzien en geneigd, vanuit zijn persoonlijkheid, om dan verkeerde, paranoïde conclusies te trekken. Middelengebruik speelt hier nog een complicerende rol in, omdat dit achterdocht verder kan aanjagen en de realiteitstoetsing nog meer onder druk zet.
In het F zijn echter geen aanwijzingen voor middelengebruik, en is desondanks sprake van een psychotisch toestandsbeeld. De overtuiging van een complot is dermate intens en onwrikbaar, dat van een waan kan worden gesproken. Er zijn geen aanwijzingen voor hallucinaties. Er is sprake van sterke paranoïdie en de realiteitstoetsing is gestoord. Hij is geregeld niet goed te volgen; er is sprake van associatief denken en verhoogde betekenisverlening. Wanneer betrokkene over zijn zaak en de samenzwering praat, neemt verwarring verder toe en raakt het denken en spreken gedesorganiseerd. Het psychotisch toestandsbeeld kan bij betrokkene passend zijn bij een waanstoornis, maar kan ook onderdeel zijn van een schizofrene ontwikkeling.
(…)
De persoonlijkheidsstoornis is reeds langdurig aanwezig en was aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Zwakbegaafdheid is chronisch en was eveneens aanwezig. Wat betreft de stoornis in het gebruik van middelen: deze is door onderzoekers uitgesteld omdat er te weinig zicht is gekomen op de hoeveelheid en frequentie van het gebruik. (…) De psychotische stoornis, dat wil zeggen de waanstoornis of schizofrenie, was reeds aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. De vraag in hoeverre sprake was van een psychotisch toestandsbeeld, is daarmee nog niet beantwoord. Immers is iemand met schizofrenie of een waanstoornis niet per definitie psychotisch ontregeld. (…) Uit de beschikbare informatie komt een sterk ontregeld beeld naar voren, waarbij onduidelijk is of dit door psychose of door middelenmisbruik wordt aangejaagd.
(…)
Ondanks dat er geen volledig zicht is verkregen op het toestandsbeeld ten tijde van het ten laste gelegde, is vastgesteld dat bij betrokkene sprake is van een langdurige ontregeling, die fluctueert in ernst. De ernst van ontregeling hangt onder andere af van middelengebruik, dat dit aanjaagt, en van de ernst van psychotische klachten, die eveneens kan fluctueren onder invloed van middelen, slaapdeprivatie, spanning en structuur. Zoals genoemd zijn er aanwijzingen voor middelengebruik in deze periode, evenals voor meer ernstige ontregeling.
Vanwege de doorwerking van de persoonlijkheidsstoornis en zwakbegaafdheid in het ten laste gelegde, adviseren onderzoekers betrokkene de feiten (indien bewezen) verminderd toe te rekenen.
(…)
Bij een klinische afweging van alle risico- en beschermende factoren komen onderzoekers uit op een hoog recidiverisico. Bij betrokkene zijn veel risicofactoren aanwezig, en geen beschermende factoren. Hij kent een zeer uitgebreide justitiële voorgeschiedenis en een lange geschiedenis van problemen op verschillende leefgebieden, waarvoor interventies tot noch toe niets hebben uitgehaald. Steeds is binnen korte tijd sprake van recidive of schending van de voorwaarden. De psychopathologie is complex en ernstig, en het ziektebesef ontbreekt volledig.
De verwachting is dat betrokkene bij onbehandelde terugkeer in de maatschappij, zonder eigen woning of inkomsten, in een parasitaire levensstijl zal terugvallen, middelen zal misbruiken en paranoïde of ontregeld zal raken. De kans op delict gedrag is dan groot. Onderzoekers schatten in dat er een langdurige klinische behandeling noodzakelijk is om het recidiverisico te beperken.
(…)
De verwachting is dat er zeker enkele jaren overheen gaan om resultaat te bereiken.
Betrokkene vertoont geen ziektebesef en geeft aan niet mee te zullen werken aan behandeling, omdat er niets mis is met hem. Ook heeft het verleden bewezen dat behandelingen telkens mislukken doordat betrokkene zich niet meer aan voorwaarden of afspraken hield.
De onderzoekers zien dan ook geen andere mogelijkheid dan te adviseren om betrokkene een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege op te leggen.
3.6 Op 2 juli 2025 heeft de rechtbank het vonnis gewezen. Klager werd onder andere veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en, overeenkomstig het advies van verweerder, tbs met dwangverpleging.
4. De klacht en de reactie van de GZ-psycholoog
4.1 Klager verwijt de GZ-psycholoog dat zij:
- foutieve en verouderde informatie heeft gebruikt voor het diagnostisch oordeel en relevante en volledige stukken uit het strafdossier buiten beschouwing heeft gelaten, waardoor de onafhankelijkheid van het onderzoek ernstig in gedrang is gekomen;
- ten onrechte de risicofactor ‘Psychose’ heeft gebruikt als diagnose;
- de diagnostische beschouwing gebrekkig heeft gemotiveerd.
4.2 De GZ-psycholoog heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de GZ-psycholoog de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende GZ-psycholoog. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de GZ-psycholoog geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
5.2 Daarnaast zijn er eisen die volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg aan een deskundigenrapport worden gesteld, te weten:
1. het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2. het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
3. in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
4. het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;
5. de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
5.3 Het college toetst verder ten volle of het onderzoek door de GZ-psycholoog uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of de GZ-psycholoog in redelijkheid tot haar conclusie heeft kunnen komen.
5.4 Het college oordeelt dat de GZ-psycholoog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en zal dat hieronder nader uitleggen.
Klachtonderdeel a) gebruik van foutieve en verouderde informatie, onvolledige stukken
5.5 Klager verwijt de GZ-psycholoog dat het medisch oordeel voornamelijk is
gebaseerd op foutieve en verouderde informatie. Hij stelt daarbij dat de GZ-psycholoog
met name gebruik heeft gemaakt van oude pro Justitia-rapportages en intelligentieonderzoeken
uit 2006, 2013 en 2016. Volgens klager vormen de eigen observaties van de GZ-psycholoog
en de mede-onderzoekers slechts een klein onderdeel van het rapport. Daarnaast heeft
de GZ-psycholoog uit de observaties van de groepsleiding onjuiste conclusies getrokken,
bijvoorbeeld dat klager wantrouwend overkomt. Volgens klager hebben de onderzoekers
dit ten onrechte geduid als symptoom van een stoornis. Verder stelt klager dat actuele
feiten die de diagnose en het risicoprofiel ontlasten – zoals het vermogen van klager
om excuses aan te bieden en zijn uitstekende persoonlijke verzorging – zijn gemarginaliseerd
in de rapportage. Tot slot vindt klager dat de GZ-psycholoog relevante stukken uit
het strafdossier ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten, doordat een deels
zwartgelakt logboek is gebruikt. Volgens klager toont het volledige dossier discrepanties
die niet in het gebruikte rapport zijn verwerkt. Klager is van mening dat het gebruik
van verouderde en foutieve informatie – in combinatie met een onvolledig dossier –
heeft geleid tot een rapportage die de onafhankelijkheid van het onderzoek ernstig
in gedrang brengt.
5.6 Volgens de GZ-psycholoog heeft zij geen gebruik gemaakt van foutieve en verouderde informatie. Het is gebruikelijk om bij pro Justitia onderzoek alle informatie te verzamelen die zicht geeft op hoe het eerder met iemand is gegaan, zoals oude pro Justitia-rapportages. Het is verder volgens de GZ-psycholoog niet juist dat de eigen observaties slechts een klein deel vormen van het rapport. Uit de rapportage blijkt welke observaties zijn gedaan tijdens het actuele onderzoek. Ook is het niet juist dat zij de actuele feiten heeft gemarginaliseerd aangezien deze uitgebreid en meerdere malen in het rapport zijn beschreven. Dit was voor de GZ-psycholoog echter onvoldoende om tot een wijziging in de diagnostiek of het risicoprofiel te komen. De GZ-psycholoog is verder van mening dat uit de observaties geen onjuiste conclusies zijn getrokken, omdat zij niet twijfelt aan de weergave van de observaties door de groepsleiding. Ten aanzien van het strafdossier stelt de GZ-psycholoog dat stukken in het dossier zwart zijn gelakt om de persoonsgegevens van aangeefster en bij de zaak betrokken hulpverleners te beschermen. Om die reden hadden de onderzoekers geen dossier zonder zwartgelakte gegevens nodig om onderzoek te kunnen doen.
5.7 Het college overweegt als volgt. Dit klachtonderdeel ziet op het eerste en
het vierde criterium waaraan een rapportage dient te voldoen, namelijk dat het rapport
de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust, dient te vermelden alsmede
de bronnen waar gebruik van is gemaakt.
Zoals de GZ-psycholoog terecht verklaart, is het gebruikelijk om bij een pro Justitia
onderzoek naast het onderzoek naar iemands actuele toestand alle informatie te verzamelen
die zicht geeft op hoe het eerder met iemand is gegaan. Hierbij kan dus ook gebruik
worden gemaakt van oude pro Justitia-rapportages. Daarbij komt dat uit de pro Justitia-rapportage
blijkt dat klager beperkt en op sommige punten niet meewerkte aan het onderzoek. Ook
in die zin is het begrijpelijk dat de GZ-psycholoog andere bronnen, waaronder de oude
pro Justitia-rapportages, gebruikte om deze beperking te compenseren. Klager is van
mening dat in de oude rapportages onjuistheden staan vermeld, maar hij heeft niet
gesteld dat sprake is van tegenstrijdigheden in de geraadpleegde bronnen. Hij wijst
op onjuistheden in de oude rapportages. In dit verband is van belang dat een rapporteur
in beginsel niet hoeft te onderzoeken of de informatie van de gebruikte bronnen juist
is. De rapporteur mag daar in beginsel van uitgaan. Wel rust op de rapporteur de plicht
om eventuele onderlinge afwijkingen dan wel tegenstrijdigheden in van de verschillende
bronnen ontvangen informatie te signaleren en expliciet te vermelden en te motiveren
welke bron(nen) de rapporteur volgt dan wel hoe hij de tegenstrijdigheden heeft gewogen.
Dat in dit geval sprake is van dergelijke tegenstrijdigheden in uit de geraadpleegde
bronnen afkomstige informatie, heeft klager echter niet gesteld en daarvan is het
college ook niet gebleken. De GZ-psycholoog mocht dan ook uitgaan van de juistheid
van de in de door haar geraadpleegde bronnen gepresenteerde feiten en informatie.
Juist om ervoor te zorgen dat eventuele feitelijke onjuistheden in een rapportage
kunnen worden gecorrigeerd, geldt dat de aan het onderzoek onderworpen persoon een
inzage- en correctierecht heeft. Bij die gelegenheid kan de betrokkene ook kanttekeningen
en/of nuanceringen plaatsen bij de aan de rapportage ten grondslag liggende feiten.
Dat betekent overigens niet dat een rapporteur te allen tijde gehouden is die kanttekeningen
en/of nuances over te nemen.
Daarnaast heeft de GZ-psycholoog voldoende uitgelegd waarom zij de observaties van
de groepsleiding tijdens dit onderzoek heeft betrokken bij haar overwegingen. De conclusie
die de GZ-psycholoog hieraan verbindt komt het college niet onbegrijpelijk voor.
Ten aanzien van het gebruikte strafdossier overweegt het college dat de GZ-psycholoog
een toelichting heeft gegeven op de zwartgelakte passages en waarom deze informatie
niet relevant was voor het onderzoek. Het college acht deze uitleg aannemelijk en
ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Overigens heeft klager de mogelijkheid
gehad om het volledige strafdossier te overhandigen aan de onderzoekers, maar heeft
hij dit nagelaten. Dat klager het niet eens is met de inhoud van de rapportage, de
keuzes die zijn gemaakt bij het verzamelen/gebruiken van informatie of een andere
kijk heeft op de feiten uit de geraadpleegde bronnen, maakt niet dat de conclusie
onvoldoende is onderbouwd of de onafhankelijkheid in het gedrang is gekomen. Het college
heeft daar, gelet op het voorgaande, geen aanwijzingen voor. Dit klachtonderdeel is
ongegrond.
Klachtonderdeel b) gebrekkige motivering van de diagnostische beschouwing en c) ten onrechte gebruiken van de risicofactor ‘psychose’ als diagnose
5.8 Vanwege de onderlinge samenhang worden de klachtonderdelen b) en c) gezamenlijk behandeld. Deze verwijten zien op de diagnose in de door de GZ-psycholoog opgestelde rapportage.
5.9 Klager is het niet eens met de door de GZ-psycholoog gebruikte onderzoeksmethodes en risicotaxatie instrumenten. Volgens klager zijn deze onderzoeksmethodes slechts beperkt bruikbaar in detentie, omdat de resultaten meer zeggen over hoe klager zich verhoudt tot het gevangenisregime dan over zijn werkelijke cognitieve en adaptieve capaciteiten in de buitenwereld. Ook vindt hij dat een negatief beeld is ontstaan, geen rekening is gehouden met beschermende factoren en de GZ-psycholoog op onzorgvuldige wijze de conclusie heeft getrokken dat sprake is van psychopathische trekken middels de PCL-R test. Verder was er sprake van diagnostische onzekerheid en had de GZ-psycholoog niet met stelligheid tot haar conclusie kunnen komen.
5.10 De GZ-psycholoog geeft aan dat klager niet meewerkte aan het testpsychologisch onderzoek. Om die reden hebben de onderzoekers enkel gebruik kunnen maken van observatielijsten die door de groepsleiding zijn ingevuld. De onderzoekers houden in dat geval wel rekening met de beperkingen die deze werkwijze met zich meebrengt. De GZ-psycholoog bevestigt dat er verschillende meetinstrumenten zijn gebruikt. Uit één van de onderzoeken blijkt dat geen sprake is van beschermende factoren. De GZ-psycholoog stelt dat een meetinstrument een op zichzelf staand instrument is, waardoor de gegevens uit de ene test niet kunnen worden gebruikt voor een andere test. Voor wat betreft de diagnostische beschouwing is toegelicht dat het beeld van klager valt onder de restcategorie, te weten ‘Andere gespecificeerde schizofreniespectrum of andere psychotische stoornis’. Volgens de GZ-psycholoog zijn de conclusies in de rapportage genuanceerd en niet onzorgvuldig tot stand gekomen.
5.11 Het college overweegt als volgt. Deze verwijten zien met name op het tweede
en derde criterium waaraan de rapportage dient te voldoen, namelijk dat het rapport
blijk dient te geven van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling
te beantwoorden en dat in het rapport op inzichtelijke en consistente wijze uiteen
wordt gezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen.
De GZ-psycholoog heeft in het rapport uitgelegd dat klager niet meewerkte aan testdiagnostiek,
psychomotorische observatie en milieuonderzoek en dat hij daarnaast weinig zicht gaf
op zaken als zijn jeugd, relaties met anderen, middelengebruik en emoties. Het is
dan ook goed navolgbaar dat de GZ-psycholoog gebruik heeft gemaakt van onderzoeksmethodes,
waarbij gebruik is gemaakt van de beschikbare dossierinformatie en is gekeken naar
de manier van leven van klager op de afdeling.
Daarnaast oordeelt het college dat de GZ-psycholoog op pagina 55 tot en met 58 van
het rapport inzichtelijk en op consistente wijze heeft beschreven en onderbouwd op
basis waarvan zij tot de diagnostische conclusie is gekomen dat sprake is van ‘een
andere gespecificeerde schizofreniespectrumstoornis of andere psychotische stoornis’.
De GZ-psycholoog heeft hierbij zowel gebruik gemaakt van informatie over het verleden
van klager, onder andere afkomstig uit oude rapportages en onderzoeken alsook van
de huidige observaties (gedrag). Tijdens de huidige observaties is gebleken dat bij
klager sprake is van sterke paranoïdie en een gebrekkige realiteitstoetsing.
Het college volgt klager niet in zijn standpunt dat de GZ-psycholoog bij het trekken
van de conclusie geen rekening heeft gehouden met beschermende factoren. In het rapport
wordt door de GZ-psycholoog uitvoerig toegelicht hoe alle factoren (risico- en beschermende
factoren) zijn meegewogen en waarom in dit geval geen sprake is van beschermende factoren.
De klachtonderdelen b) en c) zijn daarom ongegrond.
5.12 Voor zover het college nog niet expliciet is ingegaan op de andere criteria,
merkt het college nog op dat het rapport ook daaraan voldoet. Het college begrijpt
dat deze uitkomst niet overeenstemt met de mening van klager. Maar dit verschil van
mening betekent niet dat het rapport uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid
niet de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan en de GZ-psycholoog niet
in redelijkheid tot haar conclusie kon komen.
Slotsom
5.13 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 28 augustus 2026 door P.A.H. Lemaire, voorzitter,
L.P.T. Raijmakers en A. van Dijke, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.N. Cheuk A Lam, secretaris.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld
bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.