ECLI:NL:TGZRZWO:2026:129 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/9125

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:129
Datum uitspraak: 07-08-2026
Datum publicatie: 07-08-2026
Zaaknummer(s): Z2025/9125
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een psychiater. Klager verwijt de psychiater dat zij een brief naar de huisarts heeft gestuurd met een onjuiste inhoud en een bemoeizorgtraject heeft ingezet als dekmantel voor declaratiefraude.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing in raadkamer van 7 augustus 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klager,

tegen

C,

psychiater,

werkzaam in D,

verweerster, hierna ook: de psychiater,

gemachtigde: mr. A.W. Hielkema, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort

1.1     De psychiater is als regiebehandelaar betrokken geweest bij de behandeling van klager bij E. Klager verwijt de psychiater dat op 14 januari 2025 een brief van E naar de huisarts is gestuurd met een onjuiste inhoud. Ook verwijt hij de psychiater dat zij een bemoeizorgtraject heeft ingezet als dekmantel voor declaratiefraude.
 

1.2     Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
 

2. De procedure

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 30 oktober 2025 en de eveneens op 30 oktober 2025 ontvangen “overkoepelende brief” met één bijlage (transcript van een telefoongesprek van klager met een medewerker van de gemeente D);
  • de brief van de secretaris van 24 november 2025;
  • het aanvullende klaagschrift;
  • het verweerschrift.
     

2.2     De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Dit mondeling vooronderzoek is na ontvangst van verhinderdata van de zijde van de psychiater in overleg met klager gepland op 17 juni 2026. Op 15 juni 2026 heeft klager per e-mail laten weten alsnog niet aanwezig te zullen zijn bij het geplande mondeling vooronderzoek. Na hiervan op de hoogte te zijn gesteld heeft de gemachtigde van de psychiater laten weten ook af te zien van de mogelijkheid van een mondeling vooronderzoek.
 

2.3     Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren. 
 

3. De feiten

3.1       In een voortgangsbericht van 9 juni 2023 werd de huisarts door de behandelend ambulant hulpverlener bij E en de psychiater op de hoogte gesteld van de voortgang van de behandeling van klager bij E. In dit bericht staat onder meer dat klager bij E in ambulante FACT-behandeling was. Het voortgangsbericht werd afgesloten met de conclusie dat de FACT-behandeling zou worden voortgezet, gericht op terugvalpreventie.

3.2       Op 14 januari 2025 werd de huisarts van klager nogmaals met een voortgangsbericht op de hoogte gesteld van de behandeling van klager bij E. Dit voortgangsbericht was alleen voorzien van de naam van de ambulant begeleider. In het voortgangsbericht staat onder meer dat klager sinds enige tijd uit contact was en dat daarop besloten was het zorgtraject te beëindigen. In het bericht staat ook dat het alcohol- en drugsgebruik van klager zorgelijk werd gevonden en dat daarom per 20 december 2024 een bemoeizorgtraject was geopend.
 

4. De klacht en de reactie van de psychiater

4.1     Klager verwijt de psychiater dat:

  1. op 14 januari 2025 een brief van E naar de huisarts is gestuurd met een onjuiste inhoud, als regiebehandelaar was de psychiater verantwoordelijk voor de inhoud van genoemde brief;
  2. zij een bemoeizorgtraject heeft ingezet als dekmantel voor declaratiefraude.

4.2      De psychiater heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Ten tijde van de voortgangsbrief van 12 juni 2023 was zij als regiebehandelaar betrokken bij het specialistische GGZ-behandeltraject van klager. Om die reden was het voortgangsbericht ook door de psychiater ondertekend. Op 14 januari 2025 was er sprake van bemoeizorg. Hierin heeft de psychiater geen rol en zij was op dat moment geen regiebehandelaar. Het voortgangsbericht van 14 januari 2025 is om die reden alleen ondertekend door de behandelaar en niet medeondertekend door de psychiater. Op verschillende momenten is geconcludeerd dat de zorg die klager ontving niet langer passend was. De behandeltrajecten zijn hierop aangepast en dat geldt ook voor de declaraties. Van (declaratie)fraude of valsheid in geschrifte was geen sprake.

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
 

De criteria voor de beoordeling

5.1     De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.2     Het college oordeelt dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Klachtonderdeel a) voortgangsbericht 14 januari 2025
5.3     Het college is van oordeel dat de psychiater overtuigend heeft toegelicht dat zij na het opstarten van het bemoeizorgtraject op 20 december 2024 niet langer als (regie)behandelaar betrokken was bij de zorg aan klager. Zij kan daarmee niet verantwoordelijk worden gehouden voor de inhoud van het door de ambulant hulpverlener opgestelde voortgangsbericht van 14 januari 2025. Klachtonderdeel a) kan alleen al daarom niet slagen en is om die reden kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel b) bemoeizorgtraject als dekmantel voor declaratiefraude
5.4     Uit (de bijlagen bij) het klaagschrift, de aanvulling daarop én het verweerschrift blijkt dat in de periode dat E betrokken was bij zorg aan klager, diverse soorten zorg zijn verleend. Zo is er sprake geweest van een ambulante FACT-behandeling, die werd beëindigd, en van een bemoeizorgtraject per 20 december 2024.

5.5     Beide vormen van behandeling kennen een verschillende financiering. Zo is de vergoeding van behandeling binnen de specialistische GGZ voornamelijk geregeld via de Zorgverzekeringswet en vindt bekostiging van een bemoeizorgtraject voornamelijk plaats op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Dat de wijze van financiering door het beëindigen van het zorgtraject en het openen van een bemoeizorgtraject is gewijzigd, is dan ook het gevolg van toepasselijke regelgeving. Dat sprake is van valsheid in geschrifte en/of declaratiefraude is niet aannemelijk geworden. Gelet op het voorgaande is ook klachtonderdeel b) kennelijk ongegrond.

Slotsom
5.6     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de beide klachtonderdelen kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing

Het college verklaart beide klachtonderdelen kennelijk ongegrond.
 

Deze beslissing is gegeven op 7 augustus 2026door P.A.H. Lemaire, voorzitter, H.J. Kolthof en J.M.C. van Dam, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. Keukenmeester, secretaris.

secretaris                                                                                           voorzitter


 


Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.