ECLI:NL:TGZRZWO:2026:128 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/9170

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:128
Datum uitspraak: 07-08-2026
Datum publicatie: 07-08-2026
Zaaknummer(s): Z2025/9170
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht van een patiënt tegen zijn (voormalige) huisarts. Klager verwijt de huisarts onder meer dat hij zonder toestemming werd uitgeschreven bij de praktijk, dat monitoring door bloedonderzoek zonder overleg werd gestopt, dat een rapport niet met klager werd besproken en dat de huisarts heeft nagelaten de inhoud daarvan te laten corrigeren, dat medicatie en monitoring daarvan werden gemanipuleerd en dat er onjuistheden in het dossier staan.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing in raadkamer van 7 augustus 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klager,

tegen

C,

huisarts,

werkzaam in D,

verweerder, hierna ook: de huisarts,

gemachtigde: mr. M.R.S. Lieverse, advocaat te Amsterdam.

1. De zaak in het kort

1.1     Verweerder is de voormalig huisarts van klager. Klager verwijt de huisarts onder meer dat klager in april 2025 zonder klagers toestemming werd uitgeschreven bij de praktijk van de huisarts, dat monitoring door bloedonderzoek zonder overleg werd gestopt, dat een rapport van E niet met klager werd besproken en dat hij heeft nagelaten de inhoud daarvan te (laten) corrigeren, dat medicatie en monitoring daarvan werden gemanipuleerd en dat er onjuistheden in het dossier staan.
 

1.2     Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
 

2. De procedure

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 30 oktober 2025 en de eveneens op 30 oktober 2025 ontvangen “overkoepelende brief” met één bijlage (transcript van een telefoongesprek met een medewerker van F);
  • het verweerschrift met de bijlagen;
  • het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 7 mei 2026.

2.2     Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren. 
 

3. De klacht en de reactie van de huisarts

3.1     Klager verwijt de huisarts:

a) dat klager in april 2025 zonder zijn toestemming werd uitgeschreven uit de praktijk;
b) dat pancreatitis monitoring door middel van bloedonderzoek zonder overleg werd gestopt en dat de huisarts klager ten onrechte als “buiten beeld” registreerde;
c) dat de huisarts een op 14 januari 2025 door hem ontvangen G-rapport niet aan klager doorgaf;
d) dat de huisarts het op 14 januari 2025 door hem ontvangen G-rapport niet corrigeerde;
e) dat de huisarts de medicatie en monitoring daarvan manipuleerde, zo werd 1. de diazepam verdubbeld en verkeerd geregistreerd, 2. kaliumsupplement zonder overleg of medische reden gestopt, 3. bloedonderzoek geblokkeerd en 4. de Refusal registratie ten onrechte op actief gehouden en stond er na correctie “al een jaar niet in gebruik”.
f) dat de huisarts in zijn poortwachtersfunctie heeft gefaald door onjuistheden uit de H niet te corrigeren;
g) dat het dossier een vals dossiergegeven, namelijk: “Mishandeling/waanbeeld?”, bevat en geen respons is gegeven op het verzoek van onder meer 26 oktober 2025 om dit te verwijderen;
h) dat hij het verzoek van klager te mogen overstappen naar I weigerde;
i) dat hij de chronologie heeft gemanipuleerd door een document dat door J werd verwerkt later zelf te stempelen, waardoor het lijkt of de huisarts dat het eerst ontving;
j) dat de registratie van Refusal misleidend is, waar staat dat deze “al een jaar niet in gebruik is” moet staan: “na 8 februari 2024 niet meer voorgeschreven”;
k) dat inadequaat werd gereageerd op rectificatieverzoeken.

Klager voegt toe dat de huisarts als praktijkhouder verantwoordelijk is voor alle bovenstaande verwijten.
 

3.2    De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

3.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

4. De overwegingen van het college
 

De criteria voor de beoordeling

4.1     De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
 

4.2     Het college oordeelt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Over de verschillende klachtonderdelen wordt het volgende overwogen.


Klachtonderdeel a) uitschrijving praktijk in april 2025

4.3     Uit het dossier blijkt dat klager, die destijds in F woonde, ervan op de hoogte was dat de huisarts het nodig vond dat hij zich zou inschrijven bij een praktijk in F, maar dat hij bij de praktijk van verweerder wilde blijven. Uit een notitie van 1 april 2025 blijkt dat die dag door huisartsenpraktijk L in F om overdracht van het dossier werd gevraagd. Klager liet aan de assistente weten niet aangemeld te zijn in de betreffende praktijk. Zij maakte desondanks de overdracht in orde. Uit het dossier blijkt verder dat de uitschrijving/overdracht binnen een week werd teruggedraaid in verband met bezwaar van klager. In een bij het verweerschrift gevoegde schriftelijke verklaring van de betrokken assistente blijkt dat de overschrijving in overleg met de huisarts werd ingetrokken omdat klager daar geen duidelijk akkoord voor had gegeven.

4.4     Gelet op het voorgaande is het college van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de huisarts betrokken is geweest bij het uitschrijven van klager uit de praktijk op 1 april 2025. Zodra de huisarts op hoogte raakte van de omstandigheid dat klager mogelijk zonder zijn toestemming was uitgeschreven heeft hij ervoor gezorgd dat dit ongedaan werd gemaakt. Binnen een week was klager weer ingeschreven bij de praktijk van de huisarts. Onder deze omstandigheden kan de huisarts van de (korte) uitschrijving geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

4.5
Klachtonderdeel a) is dan ook kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel b) stopzetten pancreatitis monitoring door middel van bloedonderzoek/registratie “buiten beeld”.
4.6     Een laatste contact in verband met een eerder vastgestelde alcoholische pancreatitis vond plaats op 8 februari 2023. Uit het dossier volgt niet dat in verband hiermee nog monitoring plaatsvond of nodig was. Ook uit het klaagschrift blijkt niet wat klager bedoelt met pancreatitis monitoring. Dit deel van de klacht is daarmee onvoldoende onderbouwd.

4.7     Uit het dossier blijkt wel dat klager het niet eens was met het stopzetten van kaliumsuppletie en het niet uitvoeren van bloedonderzoek. Op 12 juni 2024 werd kaliumsuppletie voorgeschreven vanwege een hypokaliëmie van 2,9. Op 24 juni 2024 was de waarde gestegen naar 3,6 en werd genoteerd dat klager mocht minderen met de suppletie. Op 19 juli 2024 werd in het dossier genoteerd dat het kalium goed was en klager mocht stoppen met de tabletten. In de periode hierna is nog regelmatig kaliumsuppletie voorgeschreven. Op 28 maart 2025 werd in overleg met de huisarts naar aanleiding van verzoek om een herhaalrecept voor kaliumsuppletie richting klager per e-mail aangegeven dat eerst labonderzoek moest plaatsvinden omdat het kon zijn dat het kalium te hoog werd, wat gevaarlijk is voor de gezondheid. Klager liet op 31 maart 2025 telefonisch weten het hier niet mee eens te zijn en verbrak de verbinding. Een labformulier werd niet toegestuurd. In de periode hierna verscheen klager tweemaal bij K met een labformulier. Vanwege het vermoeden dat deze labformulieren niet afkomstig waren van de huisarts maar door klager vervalst waren werd door K geen bloedonderzoek gedaan.

4.8     Uit het voorgaande volgt dat van het stopzetten van bloedonderzoek door de huisarts geen sprake is geweest. Klager werd juist bloedonderzoek aangeboden. Dat later labonderzoek door K niet werd uitgevoerd kan de huisarts niet worden verweten. Het ging hier namelijk niet om door de huisarts aangevraagde labonderzoeken. Voor zover klachtonderdeel b) gaat over het stopzetten van monitoring door middel van bloedonderzoek kan dit dan ook niet slagen.

4.9     Voor wat betreft de door klager gestelde registratie “buiten beeld” wordt geconstateerd dat de woorden “buiten beeld” door de huisarts zijn gebruikt in een e-mail van 22 oktober 2025 in een reactie op een e-mail van klager waarin hij vragen heeft over handelen door E. In antwoord daarop schreef de huisarts: “[…] Controle intern op wat een instelling aan zorg en de invulling daarvan biedt doe ik als huisarts niet. Je bent hier in de praktijk doordat je in F woont toch wat buiten beeld momenteel. Ik geloof dat ik je de laatste paar jaar maar 1 of 2 keer heb gezien, dus je zal echt hierop spreekuur moeten komen als er problemen zijn.”

4.10     Het college stelt vast dat hier geen sprake is van een registratie van klager als “buiten beeld”. Uit de e-mail blijkt voldoende dat klager nog altijd patiënt was bij de praktijk van de huisarts en dat er ook nog altijd contact met hem was. Uit de inhoud van de e-mail blijkt voorts dat de woorden “buiten beeld” zijn gebruikt om klager (nogmaals) te wijzen op de omstandigheid dat de behandelrelatie door de afstand werd bemoeilijkt. Deze opmerking werd voorts voorzien van een uitnodiging naar het spreekuur te komen. Van een onzorgvuldig gebruik van de woorden “buiten beeld” en onzorgvuldige vastlegging daarvan in het dossier is dan ook geen sprake. Een daadwerkelijke registratie van klager als “buiten beeld” zonder enige context is er niet. Dit (sub)onderdeel van de klacht slaagt daarom evenmin.

4.11     Gelet op het voorgaande is klachtonderdeel b) kennelijk ongegrond.

Klachtonderdel c), d) en f) rapportage E (niet doorgeven aan klager en niet corrigeren)

4.12     Klager was onder behandeling van E. Bij brief van 14 januari 2025 werd de huisarts door E geïnformeerd over de voortgang van de behandeling. In deze voortgangsbrief staat onder meer dat klager uit contact was en dat daarom besloten was het zorgtraject te beëindigen. Ook staat in de brief dat het alcohol- en drugsgebruik van klager zorgelijk werd gevonden en dat daarom per 20 december 2024 een bemoeizorgtraject was geopend. Klager is het met de inhoud van de brief van E niet eens.

4.13     Het college stelt voorop dat de huisarts erop mocht vertrouwen dat E klager afdoende op de hoogte zou houden van de voortgang van de behandeling. Het was dan ook niet onzorgvuldig dat de huisarts deze brief niet aan klager heeft doorgestuurd of expliciet met hem heeft besproken. Ook kan de huisarts niet verantwoordelijk worden gehouden voor de inhoud van deze brief. Om deze reden kon van hem ook niet worden verlangd dat hij de ontvangen informatie op onjuistheden zou controleren en zou (laten) corrigeren.

4.14     Dat betekent dat ook de klachtonderdelen c), d) en f) kennelijk ongegrond zijn.

Klachtonderdelen e) manipulatie medicatie en monitoring en j) Refusal registratie

diazepam (dosering en registratie)

4.15     Klager stelt dat de dosering diazepam ongevraagd en onnodig was verhoogd naar 10 mg. De huisarts stelt dat een dosering van 10 mg al op 4 november 2022 aan klager werd voorgeschreven omdat klager toen per direct was gestopt met overmatig alcoholgebruik. Deze dosering werd op 20 juni 2024 op verzoek van klager herhaald. Toen klager op 24 oktober 2025 verzocht de dosis diazepam te wijzigen naar “5 mg zo nodig” heeft verweerder dit verzoek dezelfde dag nog ingewilligd.

4.16     Het college constateert dat niet kan worden achterhaald wanneer voor de eerste maal 10 mg diazepam aan klager werd voorgeschreven en wat daarvoor de reden was. Wel is duidelijk dat in maart 2023 diazepam 10 mg werd herhaald en dat dit nogmaals gebeurde op 11 juni 2024 en 20 juni 2024. Dat de dosering diazepam bewust en zonder geldige reden door de huisarts werd verhoogd met het doel de medicatie te manipuleren is onvoldoende onderbouwd.

kaliumsupplement stoppen en bloedonderzoek blokkeren

4.17     De huisarts heeft de eerder voorgeschreven kaliumsuppletie stopgezet nadat klager weigerde bloedonderzoek te laten doen. Dit is niet onzorgvuldig. Uit wat in 4.7 en 4.8 over het uitvoeren van bloedonderzoek is overwogen volgt dat het verwijt dat de huisarts bloedonderzoek blokkeerde, geen doel treft.

Refusal registratie

4.18     Klager heeft Refusal voorgeschreven gekregen. Uit de stukken blijkt dat deze medicatie na februari 2024 niet meer is voorgeschreven, terwijl in het medicatieoverzicht de status van deze medicatie nog op “actief” stond. Het college vindt de omstandigheid dat de Refusal in het medicatieoverzicht nog op “actief” stond onvoldoende voor de conclusie dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Het gaat om een administratieve omissie, terwijl uit de inhoud van het huisartsendossier blijkt dat de Refusal feitelijk niet meer werd voorgeschreven. De huisarts heeft de registratie “actief” ook direct na ontvangst van het door klager daarvoor gedane verzoek gewijzigd. Een exacte stopdatum hoefde de huisarts daarbij niet te benoemen. De beschrijving “al een jaar niet in gebruik” was niet onzorgvuldig.

4.19    Uit het voorgaande volgt dat klachtonderdelen e) en j) kennelijk ongegrond zijn.

Klachtonderdeel g) vals dossiergegeven “mishandeling/waanbeeld?” en weigering dit te verwijderen

4.20     De huisarts heeft aangevoerd dat deze registratie niet van hem afkomstig is, maar van een voorganger. Van een valse registratie is echter geen sprake. Een verzoek om verwijdering van deze episode heeft de huisarts nooit ontvangen.

4.21     Het college overweegt dat door klager niet aannemelijk is gemaakt dat genoemde registratie onjuist is en dat de huisarts hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Ook blijkt uit de stukken niet dat klager de huisarts heeft verzocht deze registratie te verwijderen, zodat de huisarts evenmin kan worden verweten dat hij dit niet heeft gedaan.

4.22     Klachtonderdeel g) is dan ook kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel h) overstap naar huisarts Witteveen

4.23     Klager stelt dat de huisarts weigerde mee te werken aan een overstap naar huisarts Witteveen. De huisarts stelt dat een overstap naar huisarts Witteveen geen optie was omdat de huisarts enig praktijkhouder is en alle patiënten op zijn naam staan ingeschreven. Huisarts Witteveen werkt twee dagen per week in loondienst in de praktijk. Zij heeft klager ook meermaals gezien maar het uitsluitend door huisarts Witteveen behandeld willen worden is niet in het belang van de continuïteit en toegankelijkheid van zorg, aldus de huisarts.

4.24     Het college volgt de huisarts in zijn uitleg. Een situatie waarin klager alleen zou kunnen worden gezien en behandeld door een huisarts die slechts twee dagen per week in de praktijk werkte, zou gelet op de continuïteit en toegankelijkheid van zorg, geen verantwoorde zorg zijn. Dat de huisarts hieraan niet heeft meegewerkt is dan ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

4.25     Klachtonderdeel h) is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel i) manipuleren chronologie

4.26     Klager onderbouwt dit klachtonderdeel met een verwijzing naar een door hem overgelegd document dat door J is verwerkt maar door verweerder is gestempeld. Hierdoor lijkt het volgens klager alsof het document eerst door verweerder is ontvangen en wordt verborgen dat klager eerst naar J ging.

4.27     De huisarts heeft aangevoerd dat op het document een gescande sticker zichtbaar is die in de praktijk van de huisarts standaard op binnenkomende papieren stukken wordt aangebracht, zodat wordt gewaarborgd dat het document aan het juiste patiëntendossier wordt gekoppeld. Uit de aanwezigheid van deze sticker kan niet worden afgeleid dat het document eerst door de huisarts persoonlijk is ontvangen of verwerkt. Uit het in het dossier vastgelegde bericht van J aan klager blijkt ook expliciet dat zij het document aan het dossier heeft toegevoegd.

4.28     Het college overweegt dat de uitleg door de huisarts wordt ondersteund door het patiëntendossier waaruit duidelijk blijkt dat het stuk door J op 27 oktober 2025 aan het dossier werd toegevoegd. Gezien de omstandigheid dat de huisarts praktijkhouder is en alle patiënten op zijn naam staan, is het toevoegen van een scan met patiëntgegevens met daarbij de naam van verweerder als huisarts niet ongebruikelijk en ook geen aanwijzing voor manipulatie.    

4.29     Ook klachtonderdeel i) is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel k) inadequaat reageren op correctieverzoeken

4.30     Uit wat hiervoor bij de beoordeling van klachtonderdelen e) en j) is overwogen volgt dat de huisarts direct heeft voldaan aan het verzoek van klager om de dosering en status van de medicatie aan te passen en dit ook voldoende adequaat heeft gedaan. Hij heeft dezelfde dag aan klager laten weten dat de wijzigingen waren doorgevoerd. Verdere actie was naar het oordeel van het college niet nodig.

4.31     Voor zover klager heeft bedoeld dat de huisarts niet heeft gereageerd op een verzoek van klager van 23 oktober 2025 om in het dossier te corrigeren dat hij niet “buiten beeld” was overweegt het college het volgende. Zoals hiervoor onder 4.10 is overwogen was van een “buiten beeld” registratie geen sprake. Ook was het verzoek niet eenduidig gericht op het verwijderen van de woorden “buiten beeld” maar eerder op een bevestiging dat klager “in beeld” was en dat hij onder regelmatige medische monitoring stond via bloedonderzoek, met actieve betrokkenheid van de praktijk. Alle informatie over contacten met klager, bloedonderzoeken et cetera was echter al in het dossier opgenomen, zodat van een duidelijk verzoek om correctie of verwijdering geen sprake was. De huisarts kan dan ook niet worden verweten dat hij op dit verzoek niet is ingegaan.

4.32     Dat er nog andere verzoeken aan de huisarts zijn gericht waar deze op in had moeten gaan is niet gebleken.

4.33     Uit het voorgaande volgt dat ook klachtonderdeel k) kennelijk ongegrond is.

Slotsom

4.34     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

5.     De beslissing

Het college verklaart alle klachtonderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 7 augustus 2026 door P.A.H. Lemaire, voorzitter,
A.D.J. van Empel en H.M. Kole, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. Keukenmeester, secretaris.

secretaris                                                                                           voorzitter


 


Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.