ECLI:NL:TGZRZWO:2026:127 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2026/9543
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2026:127 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-08-2026 |
| Datum publicatie: | 07-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | Z2026/9543 |
| Onderwerp: | Onzorgvuldige dossiervorming |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht van een patiënt tegen een huisarts. Klacht over verslaglegging van een specifiek consult |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing in raadkamer van 7 augustus 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
tegen
C,
huisarts,
werkzaam in D,
verweerster, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. drs. E.E. Rippen, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 De huisarts werkt als huisarts in loondienst bij een huisartsenpraktijk waar
klager patiënt was. De klacht gaat over de verslaglegging van het laatste consult
dat zij met klager heeft gehad.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe
het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlage, ontvangen op 16 december 2025;
- het verweerschrift.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Dit mondeling vooronderzoek is na ontvangst van verhinderdata van de zijde van de huisarts in overleg met klager gepland op 17 juni 2026. Op 15 juni 2026 heeft klager per e-mail laten weten alsnog niet aanwezig te zullen zijn bij het geplande mondeling vooronderzoek.
Na hiervan op de hoogte te zijn gesteld heeft de gemachtigde van de huisarts laten
weten ook af te zien van de mogelijkheid van een mondeling vooronderzoek.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 Klager werd op 6 november 2025 door de huisarts gezien op haar spreekuur. Zij maakte daarvan de volgende notitie:
“S komt op spreekuur om te bespreken dat hij met E en de gemeente in de clinch ligt. Hij is terecht gekomen in de bemoeizorg van E omdat hij niet zou meewerken en/of uit contact was. Hij had huisvesting van F, maar daar moest hij uit. Hij kwam erachter dat ze hem naar de WVGGZ […] willen hebben. Daarom heeft hij rechtzaak aangespannen om dat te voorkomen, dat is voorlopig gelukt, maar hij is nog niet safe. E kan blijkbaar in zijn medische dossier kijken. Er staan dingen in die niet kloppen volgens dhr. Dat wil hij graag aangepast hebben. Onder andere over diazepam. Hij kreeg voorheen diazepam 5mg zo nodig. Dat recept is vlgs dhr ongevraagd gewijzigd naar 1dd 10 mg standaard, terwijl dhr dat niet nodig had en niet wou. E denkt nu dat hij een benzodiazepine verslaving heeft. Een ander punt dat niet klopt vlgs dhr is over Refusal. Hij heeft daarvoor ongeveer 3x een recept gehad t/m februari 2024, daarna is het niet meer voorgeschreven en geleverd. Thuisapotheek heeft daar sinds febr 2024 geen recepten meer van gehad. Maar het staat in oktober 2025 nog wel op actief in het medicatie-overzicht in zijn medische dossier. Terwijl hij het niet meer heeft gekregen sinds februari 2024. E denkt nu dat hij gedurende langere tijd behandeld is met Refusal, maar dat dat niet goed geholpen heeft. Maar dat is niet zo, want hij kreeg het niet meer.
Uitgelegd dat vragen over praktijkvoering, dossiervoering en andere praktische zaken door de praktijkhouder [naam praktijkhouder] worden geregeld.
O dhr maakt een verzorgde indruk, schone kleding, geen alcohollucht, hij leek niet onder invloed. Kon een normaal gesprek voeren, zijn probleem is invoelbaar.
E Afkicken GHB-verslaving m.b.v. baclofen
P gesprek, uitleg dat hij zich met zijn verzoek moet wenden tot de praktijkhouder [naam praktijkhouder]. Dhr heeft medewerking nodig van [naam praktijkhouder] en hij is daarom bereid om de tuchtrecht aanklacht in te trekken.”
3.2 Op 11 november 2025 meldde klager per e-consult dat de evaluatie “Afkicken GHB-verslaving m.b.v. baclofen” onzin was omdat het woord GHB noch baclofen was gevallen. Ook schreef klager gezegd te hebben: “Ik ben bereid de tuchtklacht in te trekken als [naam praktijkhouder] bereid is mijn dossier naar waarheid te corrigeren” en “U mag dat best voorstellen.”.
3.3 De huisarts heeft naar aanleiding van dit bericht en een telefonisch contact met klager enkele dagen later de tekst van de evaluatie aangepast. Sindsdien staat onder “E” bij de hiervoor geciteerde notitie: “gesprek over stand van zaken”.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klager verwijt de huisarts:
- dat zij bij de notitie van het consult van 6 november 2025 als evaluatie heeft genoteerd “afkicken GHB-verslaving mbv baclofen” terwijl dit in het consult helemaal niet aan de orde is gekomen;
- dat zij in de notitie ten onrechte heeft genoteerd dat zij de medewerking van de praktijkhouder nodig had;
- dat zij heeft genoteerd dat klager bereid was om de tuchtrecht aanklacht in te trekken, terwijl klager heeft gezegd “ik ben bereid de tuchtklacht in te trekken als [naam praktijkhouder] bereid is mijn dossier naar waarheid te corrigeren.”
- dat zij zaken die zij tijdens het consult beloofde te noteren, niet heeft genoteerd.
4.2 De huisarts erkent dat het consult inderdaad niet ging over GHB-verslaving en dat zij de notitie per abuis onder deze episode heeft gezet. Zij heeft dit direct aangepast nadat zij klager hierover telefonisch gesproken had op 13 november 2025.
De werkafspraken binnen de praktijk waren zo dat verzoeken over het dossier en praktische zaken met de praktijkhouder besproken dienden te worden. Ten tijde van het consult van 6 november 2025 was verweerster er niet van op de hoogte dat klager meende dat de behandelrelatie met de praktijkhouder was beëindigd.
De notitie over het intrekken van de tuchtklacht was zo bedoeld als klager beschrijft, namelijk dat klager bereid was de tuchtklacht in te trekken na medewerking van de praktijkhoudend huisarts. Ze had beter het woord “daarna” in plaats van “daarom” kunnen gebruiken.
Voor wat betreft het laatste klachtonderdeel voert de huisarts aan dat zij haar eigen observaties heeft genoteerd. De in het klachtonderdeel genoemde punten zijn daarin aan de orde gekomen. Deze delen van de verslaglegging zijn echter niet zichtbaar in de in de online omgeving zichtbare notities.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Het college oordeelt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld. Bij de beoordeling van de klachtonderdelen is relevant dat bij raadpleging
van de online omgeving voor de patiënt niet de volledige dossiernotitie zichtbaar
is. In de online omgeving is voor de patiënt alleen de tekst zichtbaar bij evaluatie
(de tekst achter de letter E) en het beleid (de tekst achter de letter P). De tekst
achter de letters S en O is voor de patiënt niet zichtbaar in de online omgeving.
Bij de beoordeling van de klacht moet echter worden uitgegaan van de tekst van de
volledige dossiernotitie. Het college licht zijn oordeel over de verschillende klachtonderdelen
als volgt toe.
Klachtonderdeel a) notitie “afkicken GHB-verslaving”
5.2 Klager verwijt de huisarts dat zij als evaluatie van het consult heeft genoteerd “afkicken van een GHB-verslaving mbv baclofen”, terwijl dit in het consult helemaal niet aan de orde is gekomen. De huisarts heeft toegelicht dat zij het verslag van het consult per ongeluk heeft gekoppeld aan deze, al bestaande, episode. Zij heeft dit aangepast nadat zij hier door klager op gewezen was.
5.3 Het college overweegt dat uit de dossiernotitie blijkt dat het consult niet ging over het afkicken van een GHB-verslaving en ook niet over baclofen. Bij lezing van de – volledige – dossiernotitie is meteen duidelijk dat de tekst achter de letter E niet aansluit bij de notitie en niet juist kan zijn. Het college heeft dan ook geen aanleiding voor twijfel aan de uitleg van de huisarts dat het hier om een vergissing gaat. De huisarts heeft dit ook direct aangepast toen zij achter deze onjuistheid kwam. Hoewel de vergissing te betreuren is, is dit onvoldoende voor een gegrond tuchtrechtelijk verwijt.
Klachtonderdeel a) is daarmee kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel b) medewerking
praktijkhouder
5.4 Het college overweegt dat de huisarts als parttime huisarts in loondienst
weliswaar betrokken is geweest bij een deel van de huisartsenzorg aan klager, maar
dat klager als patiënt niet op haar naam stond ingeschreven bij de praktijk. Uit de
notitie blijkt verder dat klager problemen had met E, volgens hem doordat zaken in
het dossier niet klopten. Hij wees daarbij naar eerder voorgeschreven medicatie. Geconcludeerd
moet worden dat de vragen van klager niet gingen over een specifieke dossiernotitie
van de huisarts zelf, maar over de zorgverlening over een langere periode. Gelet hierop
was de uitleg van de huisarts dat klager zich met vragen over dossiervoering, praktijkvoering
en praktische vragen tot de praktijkhouder kon wenden niet onzorgvuldig. De omstandigheid
dat klager op dat moment al een tuchtklacht tegen de praktijkhouder had ingediend
maakt het voorgaande niet anders. Het indienen van een tuchtklacht betekent niet automatisch
dat daarmee de behandelrelatie tussen de klager en de beklaagde is beëindigd. De huisarts
mocht er dan ook van uitgaan dat de behandelrelatie tussen de praktijkhouder en klager
op dat moment nog steeds bestond. Klachtonderdeel b) is ook kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c) notitie over intrekken tuchtklacht
5.5 De verslaglegging van een consult hoeft geen letterlijke weergave te zijn van wat de patiënt zegt. Met de notitie “Dhr heeft medewerking nodig van [naam praktijkhouder] en hij is daarom bereid om de tuchtrecht aanklacht in te trekken.” is het intrekken van de tuchtklacht verbonden aan de medewerking van de praktijkhouder. Hiermee is naar het oordeel van het college de strekking van de opmerking van klager, dat hij bereid was de tuchtklacht in te trekken als de praktijkhouder bereid was zijn dossier naar waarheid te corrigeren, voldoende weergegeven. Ook klachtonderdeel c) is daarmee kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d) niet noteren van zaken die zij beloofde te noteren
5.6 Klaagster heeft naar voren gebracht dat de huisarts tijdens het consult beloofde te noteren: “verzorgde indruk, schone kleren, geen alcohol”, “we kunnen een normaal gesprek voeren”, “Hoogstwaarschijnlijk niet onder invloed” en de bevestigde medicatiediscrepanties (Refusal/diazepam). De huisarts heeft aangevoerd dat zij onder de O-regel heeft genoteerd wat zij heeft waargenomen tijdens het consult en onder de S-regel de medicatiediscrepantie heeft genoemd.
5.7 Het college constateert dat de door klager genoemde zaken wel zijn genoteerd. Dat betekent dat klachtonderdeel d) alleen al hierom kennelijk ongegrond is.
Slotsom
5.8 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de alle klachtonderdelen kennelijk ongegrond zijn.
6. De beslissing
Het college verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 7 augustus 2026 door P.A.H. Lemaire, voorzitter,
A.D.J. van Empel en H.M. Kole, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. Keukenmeester, secretaris.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld
bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.