ECLI:NL:TGZRZWO:2026:125 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2026/9526

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:125
Datum uitspraak: 07-08-2026
Datum publicatie: 07-08-2026
Zaaknummer(s): Z2026/9526
Onderwerp: Onheuse bejegening
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Bejegeningsklacht tegen een fysiotherapeut in zijn hoedanigheid van praktijkhouder kennelijk ongegrond. De lezingen van partijen over wat gebeurd is lopen uiteen. De voorzitter kan niet vaststellen dat de fysiotherapeut tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE

Voorzittersbeslissingvan 7 augustus 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klaagster,

tegen

C,

fysiotherapeut,

werkzaam in D,

verweerder, hierna ook: de fysiotherapeut.

1. De zaak in het kort
 

1.1     De fysiotherapeut is eigenaar van een fysiotherapiepraktijk. Klaagster heeft hier een aantal behandelsessies ondergaan bij een medewerker van de praktijk. Tijdens de laatste behandeling vond volgens klaagster een harde massage plaats, waarna zij ernstige pijnklachten ontwikkelde. Volgens klaagster is in het ziekenhuis vastgesteld dat er schade aan haar ribbenkast is ontstaan. In november 2025 is klaagster naar de praktijk gegaan om de situatie te bespreken. Hier heeft zij met verweerder gesproken. De klacht heeft betrekking op de bejegening door verweerder.
 

1.2     De voorzitter komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht de voorzitter toe hoe tot deze beslissing is gekomen.
 

2. De procedure
 

2.1     De voorzitter heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift, ontvangen op 13 januari 2026;
  • de brief van de secretaris aan klaagster van 9 februari 2026;
  • het aanvullende klaagschrift, ontvangen op 19 maart 2026;
  • het verweerschrift, ontvangen op 22 april 2026;
  • het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 6 juli 2026.
  •  

3. De klacht en de reactie van de fysiotherapeut

3.1     Uit het aanvullende klaagschrift begrijpt de voorzitter dat klaagster de fysiotherapeut - samengevat - onprofessioneel gedrag en een respectloze bejegening verwijt. Dit heeft betrekking op haar bezoek aan de praktijk in november 2025, toen zij de situatie na haar behandeling wilde bespreken en eventueel een hulpmiddel aan wilde schaffen. Volgens klaagster werd zij tijdens het gesprek direct en zonder enige aanleiding door verweerder geconfronteerd met ernstige beschuldigingen over openstaande facturen en heeft hij haar beledigd en vernederd. Bij een gesprek later op de dag heeft verweerder weliswaar zijn excuses aangeboden, maar dat was op een wijze die zij als ongepast en intimiderend heeft ervaren. Verweerder sprak volgens klaagster op een dwingende en respectloze toon en zijn houding en communicatie getuigen naar haar mening niet van professioneel of zorgvuldig handelen.

3.2       De fysiotherapeut heeft verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Hij herkent zich niet in de gemaakte verwijten. Volgens hem kwam klaagster de praktijk binnen en wilde zij direct met hem spreken terwijl hij met een behandeling bezig was en bleef zij aandringen op een onmiddellijk gesprek. Omdat de situatie hoorbaar opliep, heeft de fysiotherapeut kort zijn behandelkamer verlaten om klaagster te woord te staan. Hierop volgden beschuldigingen over een behandeling van een collega die door de fysiotherapeut niet direct konden worden geplaatst. Volgens de fysiotherapeut heeft hij klaagster meerdere keren verzocht om de praktijk te verlaten en op een later moment terug te komen, ook zodat hij navraag kon doen bij de betreffende collega en om vervolgens haar verhaal aan te horen. De fysiotherapeut erkent dat hij klaagster daarbij heeft verward met een andere patiënt die eerder de toegang tot de praktijk was ontzegd en dat hij klaagster hierop heeft aangesproken. Toen klaagster en de betreffende collega later die middag kwamen voor een gesprek, heeft hij hiervoor zijn excuses aangeboden. Tijdens dit gesprek ontstonden volgens de fysiotherapeut opnieuw communicatieproblemen en uitte klaagster zich dreigend. Hierna was een goed gesprek niet meer mogelijk.  
 

4. De overwegingen

4.1     De voorzitter acht de klacht kennelijk ongegrond en licht dat hieronder nader toe.

4.2     Vast staat dat partijen allebei een andere lezing hebben over de gesprekken die in november 2025 op de fysiotherapiepraktijk hebben plaatsgevonden: waar klaagster stelt dat de fysiotherapeut zich onder meer beledigend en vernederend jegens haar heeft uitgelaten, was het volgens de fysiotherapeut juist klaagster die zich onheus gedroeg. Weliswaar erkent de fysiotherapeut dat hij klaagster in eerste instantie verwarde met een andere patiënt die eerder de toegang tot de praktijk was ontzegd en dat hij haar daarop had aangesproken, maar daarmee staat voor de voorzitter nog niet vast dat dit op een onheuse of onprofessionele wijze is gebeurd. In gevallen als deze, waarin de lezingen van partijen over de aan de klacht ten grondslag gelegde feitelijke handelingen uiteenlopen en niet goed kan worden vastgesteld welke van beide lezingen het meest aannemelijk is, kan die klacht in beginsel niet gegrond worden verklaard. Dit berust niet hierop dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan het woord van de fysiotherapeut maar op de omstandigheid dat voor het oordeel dat de fysiotherapeut tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld eerst voldoende aannemelijk moet zijn dat het verweten handelen feitelijk heeft plaatsgevonden. Dat is in deze zaak niet het geval. Objectief bewijs is niet voorhanden.

4.3       Voor zover daarnaast uit de klacht zou kunnen worden afgeleid dat klaagster de fysiotherapeut verwijt dat de behandeling door de betreffende collega niet juist zou zijn uitgevoerd, kan dit verwijt al niet slagen vanwege het feit dat hiervoor ook iedere nadere onderbouwing ontbreekt.

5. De beslissing

De voorzitter verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 7 augustus 2026 door P.A.H. Lemaire, voorzitter, bijgestaan door M.D. Moeke, secretaris.

secretaris                                                                                                                          voorzitter

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • de voorzitter u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.