ECLI:NL:TGZRZWO:2026:124 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/9469
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2026:124 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-08-2026 |
| Datum publicatie: | 07-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/9469 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen psychiater kennelijk ongegrond. Bij klager is sprake van psychiatrische problematiek. In verband hiermee gebruikt hij onder meer antipsychotische medicatie. Klager verblijft in een beschermde woonvorm, waar hij ambulant wordt behandeld. Verweerster is als regiebehandelaar betrokken bij de behandeling van klager. De klacht gaat onder meer over de wijze van bejegening door de psychiater en over door haar gemaakte verwijzingen. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Voorzittersbeslissing van 7 augustus 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
tegen
C,
psychiater,
(destijds) werkzaam in D,
verweerster, hierna ook: de psychiater,
gemachtigde: mr. E.
1. De zaak in het kort
1.1 Bij klager is sprake van psychiatrische problematiek. In verband hiermee gebruikt
hij onder meer antipsychotische medicatie. Klager verblijft in een beschermde woonvorm,
waarbij de zorg wordt geleverd door F van G. Verweerster is hier als psychiater werkzaam
en in die hoedanigheid als regiebehandelaar betrokken bij de behandeling van klager.
Klager klaagt onder meer over de wijze van bejegening door de psychiater en over door
haar gemaakte verwijzingen.
1.2 De voorzitter komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna wordt toegelicht hoe tot
deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 De voorzitter heeft de volgende stukken ontvangen:
- een klaagschrift met bijlage, ontvangen op 23 december 2025;
- een usb-stick, ontvangen van klager;
- een brief van de secretaris aan klager van 3 februari 2026;
- een aanvullend klaagschrift, ontvangen op 10 april 2026;
- een verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 22 mei 2026.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen
gebruik gemaakt.
3. De klacht en de reactie van de psychiater
3.1 Voor de omschrijving van de klacht gaat de voorzitter uit van de puntsgewijze uiteenzetting in het aanvullende klaagschrift dat op 10 april 2026 van klager is ontvangen.
Klager verwijt de psychiater dat zij:
1. geen relevante informatie verstrekt die van invloed is op hem;
2. een persoonlijke negatieve mening over klager heeft;
3. subjectief weigert om met klager in gesprek te gaan;
4. tegen justitie liegt over details;
5. als doelmerk heeft om macht te willen uitoefenen op klager als gevolg van persoonlijke minachting;
6. niet samenwerkt met justitie;
7. bewust probeert om anderen te intimideren met haar persoonlijke oordeel;
8. slordige (behandel)verwijzingen maakt;
9. de patiënt niet serieus neemt over praktische details;
10. geen kennis heeft van de sociale maatschappelijke positie;
11. niet in de realiteit staat met het oordeel hoe iemand functioneert in de maatschappij en zijn vaardigheden;
12. het tegenspreken door een cliënt (klager als persoon) verbiedt.
3.2 De psychiater heeft verzocht de klachten niet-ontvankelijk dan wel ongegrond
te verklaren.
3.3 De voorzitter gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
4. De overwegingen van de voorzitter
4.1 De voorzitter stelt vast dat de klachtonderdelen voornamelijk betrekking hebben op de bejegening door de psychiater van klager. De voorzitter acht de klacht kennelijk ongegrond en licht dat hieronder nader toe.
4.2 De voorzitter constateert dat klager zijn verwijten op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd. De psychiater heeft de klachten aan de hand van concrete feiten weersproken. In gevallen als deze, waarin de lezingen van partijen over de inhoud van de klacht uiteenlopen en niet goed kan worden vastgesteld welke van beide lezingen het meest aannemelijk is, kan die klacht in beginsel niet gegrond worden verklaard. Dit berust niet hierop dat het woord van klager minder geloof verdient dan het woord van de psychiater maar op de omstandigheid dat voor het oordeel dat de psychiater tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld eerst voldoende aannemelijk moet zijn dat het verweten handelen feitelijk heeft plaatsgevonden. Dat is in deze zaak niet het geval. Klager maakt de psychiater verschillende verwijten over haar bejegening, haar oordeel over klager en het niet serieus nemen van hem, maar objectief bewijs daarvoor ontbreekt. Verder gaat de klacht over slordige (behandel)verwijzingen, maar klager heeft dit ook niet nader geconcretiseerd of onderbouwd. Voor zover klager hierbij doelt op de aanvraag van een crisismaatregel begin december 2025 dan wel de aanvraag van een zorgmachtiging eind december 2025, kan de voorzitter niet vaststellen dat hier sprake is geweest van onzorgvuldigheid. De psychiater heeft in haar verweer de noodzaak hiertoe gemotiveerd en met stukken onderbouwd. In het bijgevoegde zorgplan is gemotiveerd uiteengezet waarom het kunnen toepassen van gedwongen medicatie en het kunnen opschalen in zorg nodig werd geacht. Naar het oordeel van de voorzitter heeft klager onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht om de klacht tegenover de gemotiveerde betwisting door de psychiater nader te onderbouwen en aannemelijk te maken.
5. De beslissing
De voorzitter verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 7 augustus 2026 door P.A.H. Lemaire, voorzitter, bijgestaan door M.D. Moeke, secretaris.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- de voorzitter u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.