ECLI:NL:TGZRZWO:2026:122 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/9063

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:122
Datum uitspraak: 28-07-2026
Datum publicatie: 29-07-2026
Zaaknummer(s): Z2025/9063
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht van een nabestaande van een patiënt tegen een MDL-arts. Bij de behandeling patiënt werd uitgegaan van galwegkanker. Klaagster verwijt de MDL-arts dat onvoldoende onderzoek werd gedaan naar de mogelijkheid van IgG4 gerelateerde ziekte, dat niets werd gedaan met de uitslag van het bevolkingsonderzoek darmkanker en dat geweigerd werd prednison voor te schrijven.


                             REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG ZWOLLE

Beslissing van 28 juli 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klaagster,

gemachtigde: drs. G.T. Haan, werkzaam in Leusden,

tegen

C,

MDL-arts,

werkzaam in D,

verweerster, hierna ook: de MDL-arts,

gemachtigde: mr. S.J. Muntinga, werkzaam in Utrecht.

1.     De zaak in het kort
 

1.1     De klacht gaat over de behandeling van de inmiddels overleden echtgenoot van klaagster. Bij de behandeling van de echtgenoot van klaagster werd uitgegaan van galwegkanker. Klaagster verwijt verweerster dat onvoldoende onderzoek werd gedaan naar de mogelijkheid van IgG4 gerelateerde ziekte, dat niets werd gedaan met de uitslag van het bevolkingsonderzoek darmkanker en dat geweigerd werd prednison voor te schrijven.

1.2     Het college komt tot het oordeel dat de MDL-arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hierna licht het college dat toe.
 

2.     De procedure
 

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 2 oktober 2025;
  • het verweerschrift met de bijlagen;
  • de brief met bijlagen van klaagster van 25 mei 2026.

2.2     De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
 

2.3     De zaak is behandeld op de openbare zitting van 30 juni 2026. De partijen zijn verschenen. Verweerster werd bijgestaan door haar gemachtigde. De gemachtigde van klaagster was afwezig met bericht van verhindering. De partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigde van verweerster heeft daarnaast pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.
 

3.     De feiten
 

3.1     Klaagster is de nabestaande echtgenote van de heer E, geboren in 1952 en overleden in 2024 (hierna: patiënt).

3.2     Op 8 mei 2023 werd patiënt opgenomen op de afdeling chirurgie met een acute pancreatitis.

3.3     De MDL-arts zag patiënt voor het eerst op 2 juni 2023 na verwijzing door de chirurg in verband met toenemende leverchemiestoornissen. Patiënt had op het moment van het consult last van geelzucht en gaf aan erge jeuk te hebben. Uit bloedonderzoek van 24 mei 2023 bleken cholestatische leverenzymstoornissen met hyperbilirubinemie. Op een echo van 26 mei 2023 waren verwijde galwegen zichtbaar. Ook was er sludge zichtbaar in de galgang en was de galgang niet volledig in beeld te krijgen. Genoteerd werden verder nog een allergie voor jodiumhoudend contrastmiddel en rolstoelafhankelijkheid. Besloten werd een ERCP (kijkonderzoek van de galwegen) uit te voeren.

3.4     Bij de op 9 juni 2023 uitgevoerde ERCP werden verwijde galwegen gezien met in het distale deel van de galgang een ongeveer vijftien millimeter lange zeer nauwe stenose. Er werd een brush uitgevoerd en een plastic stent geplaatst. Geconcludeerd werd dat sprake was van een verdenking op een maligne stenose van de galgang.

3.5     Op 14 juni 2023 werd een MRI van de lever uitgevoerd. Hierop was een stenose van de distale galgang en afvoerbuis van de alvleesklier zichtbaar zonder aantoonbare obstruerende massa of galstenen.

Bij pathologisch onderzoek van het tijdens de ERCP van 9 juni 2023 afgenomen weefsel werd geen maligniteit vastgesteld.

3.6     Op 20 juni 2023 zag de MDL-arts patiënt opnieuw. Patiënt gaf aan continu pijn in de bovenbuik te hebben, wat erger werd na eten. Patiënt had ook nog erg veel jeuk en een vreemd gevoel in de blaas. De geelzucht was afgenomen ten opzichte van het eerdere consult. Besproken werd dat de aangetroffen vernauwing van de galgang vooralsnog niet bewezen kwaadaardig was. Als beleid werd besproken dat een nieuwe ERCP zou worden gepland, waarbij opnieuw materiaal zou worden afgenomen en zo nodig een nieuwe stent zou worden geplaatst. Verder zou uitgebreid bloedonderzoek worden gedaan, inclusief IgG4.

3.7     Direct voorafgaand aan de ERCP van 11 juli 2023 werd een endoscopische echografie uitgevoerd. Daarbij werd een nauwe stenose van de galgang gezien. Ook werd een pathologische wandverdikking van de galgang gezien. Als differentiaaldiagnose werden genoteerd een cholangiocarcinoom en IgG4 gerelateerde ziekte. Bij de ERCP werd een twee centimeter lange stenose gezien in de distale galgang. De eerder geplaatste stent werd vervangen door een nieuwe plastic stent. Ook werden biopten afgenomen.

3.8     Op 11 juli 2023 volgde de uitslag van het PA-onderzoek. Van een naaldbiopt van de pancreaskop werden enkele atypische cellen aangetroffen. Van de intraductale biopten van de galgang werd focaal enige atypie en losliggende cellen met een reactief aspect gezien, maar onvoldoende aanwijzingen voor maligniteit. In het materiaal was geen infiltraat met plasmacellen en waren er onvoldoende aanwijzingen voor IgG4 gerelateerde ziekte. De IgG4 waarde in het bloed bleek niet verhoogd.

3.9     Patiënt werd op 17 juli 2023 besproken tijdens het MDO GE (gastro-enterologie) oncologie. Deze adviseerde: “Verdenking cholangioca blijft bestaan, DD igG4 ziekte. Grote operatie niet mogelijk gezien comorbiditeit en wens patient, proefbehandeling prednison akkoord en indien geen respons bij MRI dan plaatsten SEMS”

3.10     De volgende dag zagen patiënt en de MDL-arts elkaar opnieuw. De MDL-arts noteerde dat zij uitleg had gegeven over de onduidelijkheid van de diagnose en dat patiënt instemde met het starten van prednison (in een afbouwschema) om eventuele IgG4 ziekte te behandelen. Een MRI van de lever werd gepland voor zes weken later.

3.11     Op de MRI van de lever van 1 september 2023 werd een duidelijke afname van diffuse restrictie en volume in de galwegen en pancreas corpus/staart gezien. Er was nog wel een persisterende diffusie restrictie in pancreaskop en met name paraduodenale groeve zichtbaar. Gezien ook een toename van T2-hyperintensiteit in de duodenumwand werd door de radioloog primair gedacht aan een maligniteit.

3.12     Patiënt en de MDL-arts zagen elkaar opnieuw op 5 september 2023. Van de anamnese noteerde de MDL-arts onder meer dat patiënt veel pijn had, dat ontlasting niet wilde komen, dat hij (nog steeds) afviel en dat hij vettige ontlasting had ondanks creon. Patiënt had inmiddels vijf antibioticakuren gehad wegens blaasontsteking. De MDL-arts concludeerde dat sprake was van een toename van afwijkingen in de pancreaskop ondanks prednison, wat maligniteit waarschijnlijker maakte dan IgG4 ziekte. Afgesproken werd dat een ERCP zou worden uitgevoerd waarbij een brush zou plaatsvinden en een metalen stent zou worden geplaatst. Op verzoek van patiënt en klaagster werd de deels afgebouwde prednison terug opgehoogd.

3.13     Op 19 september 2023 werd door een verpleegkundig consulent in het dossier genoteerd dat patiënt telefonisch had laten weten dat hij een positieve uitslag had voor het bevolkingsonderzoek darmkanker. Patiënt zou hiervoor naar F moeten, maar wilde dit eerst met de MDL-arts bespreken.

3.14     De aangevraagde ERCP werd op 29 september 2023 uitgevoerd. Als conclusie werd genoteerd: “Plastic endoprothese verwijderd. Maligne ogende stenose distale CBD. Brush en plaatsing fcSEMS.”

3.15     In het afgenomen materiaal werden wederom onvoldoende aanwijzingen voor maligniteit aangetroffen.

3.16     Van het spreekuurcontact op 12 oktober 2023 noteerde de MDL-arts onder meer dat klager in overleg met de huisarts prednison had afgebouwd en over was gegaan op pijnstilling. Patiënt was verder afgevallen. Ontlasting ging zeer moeizaam. Verder noteerde ze van de anamnese: “Gesproken over diagnose; nog steeds sterke verdenking galwegkanker maar geen bewijs. Besproken dat nu aanvullend onderzoek geen consequenties heeft.”

3.17     Als beleid noteerde ze: “iom patient en echtgenote: nu expectatief beleid, gezien aanvullend onderzoek voor evt. PA-bewijs van maligniteit geen behandelconsequenties gaat hebben (patient wil sowieso niet geopereerd worden). Inzetten op symptoombestrijding, pijnklachten staan erg op de voorgrond. Overleg met huisarts over evt. coeliakusblokkade? 17-10 gebeld met huisarts […]: afgesproken dat ik informeer bij pijnspecialist of dit zinvol is en dat ik terugkoppel aan de huisarts. Overleg […] pijnarts/anesthesisist: coeliacusblokkade met alcohol, kan zinvol zijn, maar zal niet alle pijn wegnemen. Patient gebeld; wil graag verwezen worden. Verwijzing gemaakt en ook teruggekoppeld aan de huisarts. Patient neemt contact op bij klachten.”

3.18     De verpleegkundig consulent had naar aanleiding van het consult van de dag daarvoor op 13 oktober 2023 telefonisch contact met klaagster. Zij noteerde daarvan in het dossier onder meer “Wat betreft de positieve BVO, is dit waarschijnlijk aambeien en volgt verder ook geen vervolg.

Dhr heeft geen afspraken meer in G, zorg is terug naar de huisarts.

Zorg met ons ook afgesloten, mevr heeft ons telefoonnummer en belt ons bij vragen over haar man.”

3.19     Patiënt werd op 20 november 2023 via de spoedeisende eerste hulp (SEH) opgenomen op de afdeling urologie op verdenking van een urosepsis. In de bloedkweek werd aeromonas aangetroffen, niet in de urine, waarna MDL (een collega van verweerster) in consult werd betrokken. Ook de anesthesioloog werd betrokken in verband met de pijnklachten. Patiënt werd op 24 november 2023 naar huis ontslagen.

3.20     De MDL-arts had op 1 december 2023 telefonisch contact met patiënt. Volgens de notitie van de MDL-arts vertelde patiënt dat het matig ging en dat de pijn regelmatig de kop opstak. Hij was gestopt met het gebruik van (door de anesthesioloog voorgeschreven) methadon. Dit gaf namelijk veel vochtophoping, hij was in een paar dagen negen kilogram aangekomen door vocht. Door de fentanyl had hij enorme darmproblemen, waarvoor hij kauwtabletten van de huisarts en sinds één dag lactulose kreeg. Patiënt had nog voor vier dagen antibiotica waar hij ook altijd van verstopte.

3.21     Op 12 december 2023 meldde patiënt zich opnieuw bij de SEH met pijn in de rechter bovenbuik. Na echografisch onderzoek werd geconcludeerd dat sprake was van buikpijn bij een beeld van ontsteking in colon ascendens. In overleg met een collega van de MDL-arts werd besloten dat patiënt naar huis kon en dat fecesonderzoek (calprotectine) zou worden gedaan.

3.22     Patiënt werd op 16 december 2023 via de SEH opgenomen. De pijn in de rechter bovenbuik was ondanks morfine niet verbeterd en hij had ook koorts. Patiënt had twee dagen eerder voor het laatst ontlasting gehad. Patiënt had ook veel rectaal bloedverlies gehad. De conclusie van een op 16 december 2023 gemaakte echo van de bovenbuik was een verdenking op progressie van ziekte met nieuwe leverhaarden, hoog suspect voor metastasen. Verder was er sprake van maagretentie en matig peristaltiek darmpakket. Cholangitis werd minder waarschijnlijk geacht gezien aerobilie. Ook was er een vermoedelijk reactieve wandverdikking van het colon.

3.23     Op 19 december 2023 werd een ERCP uitgevoerd in verband met een verdenking op cholangitis (ontsteking van de galwegen). Tijdens de procedure werd een forse oesofagitis vastgesteld. In de bulbus was sprake van gezwollen plooien en retentie. Vanwege onrust en pijn werd de procedure beëindigd.

3.24     In de avond van 19 december 2023 bezocht de MDL-arts patiënt. Ook had zij telefonisch contact met klaagster. De MDL-arts noteerde van dit gesprek onder meer dat klaagster vroeg of opnieuw prednison gegeven kon worden en dat de MDL-arts had geantwoord het niet waarschijnlijk te vinden dat prednison op dat moment zou helpen en dat er bovendien een contra-indicatie was vanwege bacteriemie. Zij noteerde ook dat dit eventueel te overleggen was met de anesthesioloog.

3.25     Op 20 december 2023 vond er een familiegesprek plaats met een collega van de MDL-arts. Deze noteerde van het gesprek onder meer dat het vermoeden van maligniteit bevestigd leek vanwege de levermetastasen en dat de verwachting was dat patiënt verder achteruit zou gaan. De sepsis van de huidige opname was met antibiotica sterk verbeterd. De ontlasting was inmiddels op gang met macrogol, bloedverlies was tijdens de opname niet meer gezien en waarschijnlijk was er deels sprake van bloedarmoede door chronische ziekte, mogelijk ook bij reflux. Voor de pijn zou advies van het pijnteam worden afgewacht. Er was sprake van oedemen, waarschijnlijk als gevolg van een slechte voedingsstatus. Het beleid hiervoor was zwachtelen en benen hoog.

3.26     In overleg met het pijnteam werd de pijnmedicatie aangepast. Patiënt werd op       23 december 2023 uit het ziekenhuis ontslagen. Dezelfde dag was er telefonisch contact met een collega van de MDL-arts. Dit contact was op verzoek van patiënt, die aangaf een hele bolle buik te hebben, veel vocht in de benen te hebben en twaalf kilogram te zijn aangekomen. De collega van de MDL-arts noteerde dat er waarschijnlijk sprake was van vochtretentie door doorgemaakte sepsis. Afgesproken werd dat het gewicht dagelijks zou worden vervolgd en dat de volgende dag of de dag daarna opnieuw contact zou zijn bij toename van het gewicht voor starten diureticum.

3.27     Kort daarna werd door de huisarts een diureticum voorgeschreven. Op 28 december 2023 was er telefonisch contact tussen de MDL-arts en klaagster.

3.28     Patiënt overleed enkele dagen later.

4.     De klacht en de reactie van de MDL-arts
 

4.1     Klaagster verwijt de MDL-arts dat:

  1. het protocol om IgG4 ziekte vast te stellen niet is gevolgd, behalve prednison is niets onderzocht, zoals een PA van biopten, uitgebreid bloedonderzoek, uitgebreid urineonderzoek en een PET-scan;
  2. ondanks dat bij het landelijk onderzoek darmkanker bloed bij de ontlasting was aangetroffen en het verzoek aan de MDL-arts hier nader onderzoek naar te doen, met deze uitslag niets is gedaan en dit ook niet vermeld staat in het dossier;
  3. geweigerd werd patiënt weer terug te zetten op prednison vanwege de bijwerkingen, terwijl colitis ook behandeld wordt met prednison en de bijwerkingen van prednison niet erger zijn dan de bijwerkingen van de andere pijnmedicatie zoals verstoppingen.

4.2     De MDL-arts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Het maken van een PET-CT is niet geïndiceerd voor het maken van onderscheid tussen galwegkanker of IgG4 gerelateerde ziekte. Hiervoor kan met een MRI worden volstaan. Op de bij patiënt gemaakte MRI-scans werden geen specifieke kenmerken voor IgG4 ziekte gezien. De IgG4 waarde in het bloed van patiënt bleek na onderzoek niet verhoogd en in afgenomen biopten waren geen kenmerken van IgG4 aanwezig. Urineonderzoek behoort niet tot de standaard uit te voeren onderzoeken in het kader van IgG4 ziekte.

Over de uitslag van het bevolkingsonderzoek is inderdaad gesproken tijdens het consult op 12 oktober 2023. De MDL-arts heeft dit echter per abuis niet genoteerd. Voor aanvullend onderzoek naar aanleiding van deze uitslag was echter geen aanleiding. Het aangewezen onderzoek was namelijk een colonoscopie om bloedsporen in de ontlasting te verklaren. Gezien de diagnose van cholangiocarcinoom zeer waarschijnlijk was en patiënt daar geen genezende behandeling voor kon en wilde krijgen, was een dergelijk invasief en risicovol onderzoek niet zinnig. Het is overigens onwaarschijnlijk dat de positieve uitslag van het bevolkingsonderzoek toen al duidde op de drie maanden later mogelijk bestaande colitis en latere refluxoesofagitis.

Na het einde van de proefbehandeling met prednison heeft de MDL-arts op verzoek van patiënt en klaagster de prednison terug opgehoogd. Deze is later door de huisarts gestaakt en weer later kwam patiënt onder behandeling van het pijnteam. Toen klaagster de MDL-arts op 19 december 2023 verzocht om prednison voor te schrijven heeft de MDL-arts klaagster geadviseerd deze vraag bij het pijnteam neer te leggen.

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5.     De overwegingen van het college

De criteria voor de beoordeling

5.1     De vraag is of de MDL-arts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende MDL-arts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.


5.2     Alvorens in te gaan op de beschreven klachtonderdelen merkt het college in algemene zin het volgende op naar aanleiding van de behandeling ter openbare zitting. Klaagster is ervan overtuigd dat een ontsteking haar echtgenoot fataal is geworden en betwijfelt de diagnose galwegkanker. Zij betwijfelt verder in tamelijk scherpe bewoordingen de inzet van de MDL-arts in het stellen van de juiste diagnose, de gehanteerde pijnbestrijding en het advies van de klachtenonderzoekscommissie van H. Op dit moment lijkt er enkel ruimte om met klaagster in gesprek te komen, indien haar visie wordt geaccepteerd. Uiteraard realiseert het college zich dat klaagster een zeer verdrietige periode doormaakt na het overlijden van haar man. Uit het dossier en de gegeven toelichting blijkt naar het oordeel van het college dat de MDL-arts haar handelen tijdens de consulten aan klaagster en patiënt uitgebreid heeft uitgelegd. Hoewel zij na het consult van 12 oktober 2023 niet meer actief bij de behandeling van de patiënt betrokken was, heeft zij nog wel een aantal keren contact gehad, op verzoek van een collega en van de patiënt zelf om vragen te beantwoorden. Ook na het overlijden heeft zij zich bereid getoond met klaagster te spreken om vragen te beantwoorden. Het is jammer dat klaagster deze weg niet heeft benut, alvorens de zaak ter toetsing voor te leggen aan het college. Ook voor de MDL-arts wordt daarmee een ingrijpende procedure in gang gezet. Tijdens de tuchtrechtelijke procedure is het mondeling vooronderzoek vervolgens bij uitstek de plek om nadere verduidelijking te verkrijgen. Het is te betreuren dat klaagster ook daarvan af heeft gezien.

Klachtonderdeel a) het protocol om IgG4 ziekte vast te stellen is niet gevolgd
5.3     Het college is van oordeel dat de MDL-arts voldoende onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheid van IgG4 ziekte. Het maken van een PET-CT is niet geïndiceerd voor het maken van onderscheid tussen galwegkanker of IgG4 gerelateerde ziekte. De MRI-scans gaven geen specifieke kenmerken voor IgG4 ziekte. De IgG4 waarde in het bloed van patiënt was niet verhoogd en in de afgenomen biopten waren geen kenmerken van IgG4 aanwezig. Voor urineonderzoek was geen aanleiding. In juli 2023 is met instemming van patiënt gestart met een proefbehandeling met prednison. Als dit een goed effect op het ziekteproces zou hebben, zou dit een aanwijzing kunnen zijn voor de aanwezigheid van IgG4 ziekte. In september 2023 constateerde de MDL-arts dat, hoewel patiënt minder klachten ervaarde sinds het gebruik van prednison, er sprake was van een toename van de afwijkingen in de pancreaskop, wat galwegkanker waarschijnlijker maakte dan IgG4 ziekte. Het klachtonderdeel is ongegrond.


Klachtonderdeel b) Met de uitslag van het landelijk onderzoek darmkanker is niets gedaan en dit is niet vermeld in het dossier
5.4     Het college stelt vast dat op 19 september 2023 de uitslag van het landelijk onderzoek darmkanker van patiënt is genoteerd in het dossier. Patiënt was volgens de uitslag geïndiceerd voor nader onderzoek. Het is niet in discussie dat deze uitslag is besproken op 12 oktober 2023 in het overleg tussen de MDL-arts en patiënt. In haar brief van 25 mei 2026 zegt klaagster dit ook. In haar eigen verslag heeft de MDL-arts de uitkomst van het overleg op dit punt niet vastgelegd. Op 13 oktober 2023 is wel telefonisch tussen klaagster en de verpleegkundig consulent teruggekoppeld waarom er geen vervolg werd gegeven. Het college vindt de afweging van de MDL-arts dat vervolgonderzoek (colonoscopie) onnodig belastend was en niet zinvol in het geval van patiënt, navolgbaar. Het college volgt klaagster niet in haar stelling dat de positieve uitslag aanleiding had moeten zijn voor nader onderzoek omdat dit ook zou kunnen wijzen op colitis. Op basis van het in het dossier beschreven verloop van het ziektebeeld van patiënt tot dan toe waren er geen symptomen die aanleiding gaven tot het vermoeden van een colitis of (andere) ontstekingsziekte. Het aantreffen van bloed bij het bevolkingsonderzoek darmkanker is bij afwezigheid van andere symptomen geen aanleiding voor nader onderzoek naar colitis of andere ontstekingsziekte. Het college oordeelt verder dat de MDL-arts ook zelf in het dossier had moeten noteren waarom de uitkomst van onderzoek niet noopte tot nader onderzoek, maar dit verzuim is niet van dien aard, in het licht van de verder zorgvuldige verslaglegging, dat dit leidt tot gegrond tuchtrechtelijk verwijt. Het klachtonderdeel is ongegrond. Klachtonderdeel c) Er werd geweigerd om patiënt weer terug te zetten op prednison


5.5     Het college stelt op basis van het dossier vast dat patiënt op 19 december 2023 aan verweerster heeft gevraagd of opnieuw prednison kon worden gegeven. Verweerster heeft geantwoord het niet waarschijnlijk te vinden dat prednison zou helpen en dat er een contra-indicatie zou zijn. Verweerster was toen niet de eerstverantwoordelijke voor de pijnbestrijding, omdat patiënt voor de pijnbestrijding onder behandeling was van de anesthesioloog. Verweerster heeft klaagster geadviseerd dit te bespreken met het pijnteam. Zij noteerde in het dossier dat dit te overleggen was met de betrokken anesthesioloog. Onder deze omstandigheden kan er aan verweerster niet een persoonlijk verwijt worden gemaakt dat zij geweigerd heeft om patiënt prednison voor te schrijven. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Slotsom
5.6     Uit de overwegingen hiervoor volgt de klacht ongegrond is.


6.     De beslissing
 

Het college verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door Th.A. Wiersma, voorzitter, P.J. Wahab en J.H. Wijsman, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. Keukenmeester, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.

secretaris                                                                           voorzitter


Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
a.Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.     Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.


c.     Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.