ECLI:NL:TGZRZWO:2026:121 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8887
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2026:121 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-07-2026 |
| Datum publicatie: | 28-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8887 |
| Onderwerp: | Schending beroepsgeheim |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen zes zorgverleners uit een ggz-instelling. De klager verweet de zorgverleners dat het beroepsgeheim was geschonden doordat informatie was gedeeld met de voormalig werkgever van klager en de politie. Het tuchtcollege heeft twee psychiaters en twee gz-psychologen hiervoor een waarschuwing gegeven. De klachten tegen een andere psychiater en een verpleegkundige werden ongegrond verklaard. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG ZWOLLE
Beslissing van 24 juli 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
gemachtigden: mrs. T. van der Goot en R.G. Knegt, beiden werkzaam in Leeuwarden
tegen
O,
gezondheidszorgpsycholoog,
destijds werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: gz-psycholoog,
gemachtigden: mrs. T.A.M. van den Ende en J.I. Eijpe, beiden werkzaam in Utrecht
1. De zaak in het kort
1.1 Klager verwijt de gz-psycholoog dat hij zonder rechtvaardiging het beroepsgeheim
heeft doorbroken en dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld door pas achteraf (een) gespreksverslag(en)
op te maken.
1.2 De gz-psycholoog betwist dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is. Aan de gz-psycholoog
wordt de maatregel van waarschuwing opgelegd. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 5 augustus 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 7 november 2025;
- de repliek met de bijlagen, ontvangen op 30 december 2025;
- de dupliek, ontvangen op 27 januari 2026.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik gemaakt.
2.3 De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak Z2025/8885 op de openbare zitting
van 12 juni 2026. Partijen zijn met hun gemachtigden verschenen. De partijen en hun
gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigden hebben pleitnotities
voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd. Klager heeft ook tegen
andere zorgverleners tuchtklachten ingediend (zaaknummers Z2025/8881, Z2025/8883,
Z2025/8884 en Z2025/8886). In alle zes zaken is heden uitspraak gedaan.
3. De feiten
3.1 Vanaf 3 oktober 2019 was klager als verpleegkundige werkzaam in het E. Tijdens de coronapandemie werkte hij op het zogenoemde covidcohort in het E. Vanwege mentale problemen is klager vanaf 13 december 2021 tot 19 mei 2022 uitgevallen. Na herstel is klager op 13 juli 2022 opnieuw uitgevallen. Sindsdien is hij niet meer (actief) werkzaam binnen het E.
3.2 Eind 2022 is klager via zijn huisarts doorverwezen naar het H van F vanwege
werkgerelateerde klachten (PTSS).
3.3 Op 7 november 2022 had klager een indicatiegesprek met een (sociaal psychiatrisch) verpleegkundige (hierna: de verpleegkundige)[1] binnen het G bij het H van F.
3.4 De verpleegkundige heeft vervolgens de casus van klager anoniem besproken in het multidisciplinair overleg (MDO) waaraan de verpleegkundige, een AIOS, een gz-psycholoog en een gz-psycholoog i.o. hebben deelgenomen. De conclusie was dat er sprake leek te zijn van ernstig verwijtbaar gedrag met gevaarzetting voor anderen en recidivegevaar. Op dezelfde dag heeft de verpleegkundige de casus daarom anoniem voorgelegd aan de interne advocaat van F.
3.5 Van het indicatiegesprek, het MDO en het contact met de interne advocaat heeft de verpleegkundige op 10 november 2022 een verslag opgemaakt. Zij heeft daarin onder meer het volgende genoteerd:
“Hij is enkele jaren geleden aangenomen op de COVID afdeling van een ziekenhuis. Hij voelde zich gezien en gehoord. Hij werd in een regiefunctie geplaatst omdat hij kennis van zaken zou hebben. Deze regiefunctie vroeg verantwoordelijkheid waarvan hij nu opmerkt dat deze niet te dragen was. Er zijn situatie geweest van confrontatie met de dood en plotselinge dreiging van de dood. Dit zorgde voor een voortdurende staat van alertheid en een sterk gevoel van onmacht ten opzichte van andere zorgverleners die regievoerende waren. Cliënt geeft aan dat er meerder situaties zijn geweest waarin hij het gevoel had dat de artsen faalden in hun werk en cliënt hierdoor alleen kwam te staan. Hij spreekt over gevoelens van onmacht in deze periode van zijn leven. Cliënt vertelt dat hij deze gevoelens van onmacht bij ondragelijk leiden niet kon verdragen. Hij heeft in ong. 20 situaties er voor gekozen om regie te nemen door zuurstoftoediening te stoppen of morfine te verhogen zonder overleg met de verantwoordelijke artsen. Hij geeft aan het ondraaglijk leiden en de angstige ogen niet meer te kunnen verdragen en daarom voelde hij zich genoodzaakt om regie te nemen.
(…).
Cliënt geeft aan zijn werk op dit moment te vermijden omdat hij angst voelt voor zijn eigen handelen. Hij geeft aan dat hij op dit moment denkt dat confrontatie met ondraaglijk leiden hem voor dezelfde keuze zal zetten. Hij geeft aan 'ik zou het weer doen' en doelt hiermee op dat hij weer regie zal nemen over leven en dood.”
3.6 Bij e-mail van 10 november 2022 heeft de verpleegkundige het gespreksverslag aan klager toegezonden met de vraag of klager akkoord is met het delen van dit verslag met de Praktijk Ondersteuner Huisarts GGZ (hierna: POH-GGZ). Klager is hiermee vrijwel direct akkoord gegaan. Later heeft klager meegedeeld dat hij het verslag volledig heeft doorgelezen, dat dit een duidelijk verslag is en dat dit mag worden gedeeld met de POH-GGZ.
3.7 Op 21 november 2022 heeft de POH-GGZ namens de huisarts in verband met de aard van de klachten en conform het advies van het H een verwijsbrief verzonden naar I, waarna het medisch dossier is aangemaakt. Verweerder is als gz-psycholoog aldaar werkzaam.
3.8 Op 21 december 2022 is de geneesheer-directeur/psychiater over de casus van klager geïnformeerd.[2] Zij heeft een tweede indicatiegesprek in aanwezigheid van een klinisch psycholoog geadviseerd.
3.9 Op 28 december 2022 heeft het tweede indicatiegesprek plaatsgevonden tussen klager en de verpleegkundige, in aanwezigheid van een klinisch psycholoog.[3] Van dit gesprek heeft de klinisch psycholoog op dezelfde dag een verslag opgemaakt in de vorm van een intakeformulier en een biografie. Hij heeft daarin onder meer het volgende genoteerd:
“Op dit moment schat ik het recidiverisico laag in, zolang hij niet werkt en in behandeling gaat. hij komt gemotiveerd over. Het werkelijk risico dient idealiter ook door collega's met expertise ingeschat te worden.”
3.10 Op 4 januari 2023 heeft een intakegesprek plaatsgevonden tussen klager en gz-psycholoog/i.o. tot klinisch psycholoog (hierna: de gz-psycholoog) verbonden aan I. Van dit gesprek heeft de gz-psycholoog op 16 januari 2023 een verslag opgemaakt in de vorm van een intakeformulier.
3.11 Op 11 januari 2023 heeft een intern overleg plaatsgevonden waaraan de psychiater, de verpleegkundige, de klinisch psycholoog, de gz-psycholoog en de interne advocaat hebben deelgenomen. Dit gesprek had tot doel beoordeling van de vraag of er grond was om het beroepsgeheim van de betrokken zorgverleners te doorbreken. Er is besloten dat de verpleegkundige, de klinisch psycholoog en de gz-psycholoog nogmaals met klager in gesprek zouden gaan. Hem zou worden gemeld dat het verstandig zou zijn wanneer hij zichzelf zou melden bij de politie. Wanneer hij dat niet zou doen, zou F dat doen.
3.12 Op 16 januari 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen klager, de gz-psycholoog, de verpleegkundige en de klinisch psycholoog, nadat de interne advocaat op basis van het afwegingskader van Leenen beoordeelde of sprake was van een conflict van plichten. Tijdens dit gesprek is een psychiater[4] kort aangesloten om het suïciderisico bij klager te beoordelen. Van dit gesprek hebben de klinisch psycholoog en deze psychiater nog dezelfde dag in het EPD een notitie gemaakt. De klinisch psycholoog heeft onder meer het volgende genoteerd:
“Beleid:
- Client gaat nadenken over het zichzelf aangeven bij de politie. Er wordt nauw contact gehouden en morgen een termijn afgesproken.
(…).”
3.13 Na dit gesprek is de casus van klager anoniem gedeeld met de directeur behandeling/psychiater.[5]
3.14 Op 19 januari 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen klager, zijn partner en de klinisch psycholoog. Tijdens dit gesprek heeft klager aangegeven dat hij zich met zijn rug tegen de muur gezet voelde en dat hij had aangegeven niet meer te willen werken als verpleegkundige of professional in de zorg. Ook heeft hij gemeld geen behandeling meer te willen ondergaan bij F.
3.15 Op 7 februari 2023 heeft een intern gesprek plaatsgevonden waaraan de interne advocaat, de geneesheer-directeur/psychiater, de verpleegkundige, de gz-psycholoog en de klinisch psycholoog hebben deelgenomen. Tijdens dit gesprek is de doorbreking van het beroepsgeheim besproken en de juridische vereisten daarvoor.
3.16 Op voorstel van de directeur behandeling/psychiater heeft J op 17 februari 2023 – op basis van een inhoudelijk memorandum van de interne advocaat – een second opinion uitgebracht in de vorm van een memo. Zijn conclusie luidt:
“Op grond van vorenstaande overwegingen acht ik doorbreking van het beroepsgeheim in de geschetste situatie zeker verdedigbaar. F en haar zorgverleners nemen daarbij ook een risico – en ik heb enkele opmerkingen gemaakt over de aanpak – maar dat kan niet afdoen aan het gewetensvolle besluit om op deze wijze ernstige schade te willen voorkomen. Ik herhaal echter dat spreken hier geen plicht is, maar een gevoelde noodzaak.”
3.17 Bij brief van 21 februari 2023 hebben de directeur behandeling/psychiater en de geneesheer-directeur/psychiater namens F de Raad van Bestuur van het E geïnformeerd over “ernstige vermoedens van strafbare feiten gepleegd door een verpleegkundige in loondienst bij uw ziekenhuis tegen patiënten van uw ziekenhuis.”
3.18 Bij brief van 24 februari 2023 heeft de directeur behandeling/psychiater klager hierover geïnformeerd.
3.19 Bij brief van 13 maart 2023 heeft de gz-psycholoog de huisarts meegedeeld dat klager op basis van het intakegesprek en het daaropvolgende adviesgesprek heeft afgezien van het zorgaanbod.
3.20 Op 15 maart 2023 heeft de directie van het E aangifte gedaan tegen klager.
3.21 Op 23 maart 2023 zijn de verpleegkundige en de klinisch psycholoog door de politie verhoord. Op 28 maart 2023 is de gz-psycholoog verhoord. Daarbij zijn zij bijgestaan door de interne advocaat. Van de verhoren is proces-verbaal opgemaakt.
3.22 Op 17 april 2023 is klager aangehouden door de politie, waarna hij circa zes weken in hechtenis heeft doorgebracht.
3.23 Op 11 april 2024 heeft het Openbaar Ministerie wegens gebrek aan bewijs de strafzaak tegen klager geseponeerd.
4. De klacht en de reactie van de psycholoog
4.1 Klager verwijt de gz-psycholoog dat hij
- het beroepsgeheim heeft doorbroken zonder dat daarvoor een rechtvaardiging bestond;
- onzorgvuldig heeft gehandeld en onvoldoende zorg heeft verleend door (1) pas achteraf een gespreksverslag op te maken (waardoor sprake is van onvoldoende, onvolledige en onzorgvuldige dossiervoering), (2) zich onvoldoende te verdiepen in de specifieke context waarin klager werkzaam is geweest (de behandeling van terminale Covid-patiënten in de coronaperiode) en (3) geen passende zorg te bieden.
4.2 De gz-psycholoog heeft het college primair verzocht de klacht ongegrond te verklaren en subsidiair, bij gegrondverklaring, geen maatregel op te leggen.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de gz-psycholoog de zorg heeft verleend die van hem verwacht
mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende gz-psycholoog.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen
handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het
uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun
eigen handelen.
Klachtonderdeel a) schending beroepsgeheim
5.2 Voor zover klager de gz-psycholoog verwijt dat hij heeft meegewerkt aan
de informatieverstrekking aan het E, kan het college niet vaststellen dat de gz-psycholoog
verantwoordelijk was voor de uiteindelijke beslissing om het beroepsgeheim te doorbreken.
Vaststaat dat de gz-psycholoog de brief van 21 februari 2023 niet heeft ondertekend.
Wel is hij in het voortraject betrokken geweest bij besprekingen over de casus en
de mogelijkheid van een doorbreking van het beroepsgeheim. Op basis van het dossier
kan echter niet worden vastgesteld welke rol hij heeft gespeeld bij de uiteindelijke
besluitvorming of in hoeverre hij daarvoor verantwoordelijkheid droeg. Onder deze
omstandigheden kan hem ten aanzien van de informatieverstrekking aan het E geen zelfstandig
tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Dit onderdeel van de klacht is daarom ongegrond.
5.3 Klager verwijt de gz-psycholoog daarnaast dat hij heeft meegewerkt aan een
politieverhoor en daarbij informatie over hem heeft verstrekt. Het college stelt voorop
dat het met deze uitspraak geen oordeel velt over de vraag of destijds een rechtvaardiging
bestond voor medewerking aan dat verhoor. Centraal staat de vraag of de gz-psycholoog
onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid tot zijn handelwijze heeft kunnen
komen en daarbij voldoende zorgvuldig heeft gehandeld. Daarbij komt dat het college
niet beschikt over alle informatie die noodzakelijk is om de rechtmatigheid van de
medewerking aan de politieverhoren zelfstandig te beoordelen. Zo bevinden de aangifte
van het E en de processen-verbaal van de politieverhoren zich niet in het dossier.
Daardoor kan het college niet vaststellen welke informatie door de gz-psycholoog aan
de politie is verstrekt. De gemachtigden van klager hebben ter zitting verklaard dat
zij ervoor hebben gekozen deze stukken niet in het geding te brengen.
5.4 Wel stelt het college voorop dat van een zorgverlener die overweegt tegenover politie of justitie informatie over een patiënt te verstrekken een hoge mate van zorgvuldigheid mag worden verwacht. Het gaat daarbij om uitzonderlijke situaties waarin zwaarwegende belangen tegenover elkaar staan. Enerzijds is er het zwaarwegende belang van vertrouwelijkheid dat door het beroepsgeheim wordt beschermd. Dit belang is gelegen in de bescherming van de vertrouwensrelatie tussen patiënt en zorgverlener en in het bevorderen dat personen zich zonder terughoudendheid tot een zorgverlener kunnen wenden en de voor goede hulpverlening noodzakelijke informatie verstrekken. Daarmee wordt niet alleen het individuele belang van de patiënt gediend, maar ook het algemene belang van een toegankelijke gezondheidszorg. Anderzijds kan sprake zijn van andere zwaarwegende belangen die verband houden met het voorkomen van ernstige schade. Het enkele belang van waarheidsvinding, opsporing of vervolging van strafbare feiten kan voor een zorgverlener niet zelfstandig een grond vormen om het beroepsgeheim te doorbreken. Van de zorgverlener mag worden verwacht dat hij zich rekenschap geeft van de op hem rustende geheimhoudingsplicht, van de toepasselijke professionele normen binnen de beroepsgroep en van de omstandigheden van het geval. Daarbij mag in een situatie als deze ook worden verwacht dat hij, waar nodig, tijdig professionele advisering inwint alvorens tot een beslissing over eventuele doorbreking van het beroepsgeheim te komen.
5.5 Het college stelt vast dat de gz-psycholoog voorafgaand aan zijn verhoor
betrokken is geweest bij uitgebreide interne besprekingen over de casus, dat in dat
kader juridisch advies is ingewonnen en dat hij zich tijdens het verhoor heeft laten
bijstaan door de interne advocaat van F. Gelet op de beperkte informatie waarover
het college beschikt, kan niet worden vastgesteld dat de gz-psycholoog tijdens het
politieverhoor informatie heeft verstrekt die hij niet had mogen verstrekken of dat
hij anderszins tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dit klachtonderdeel is
daarom ongegrond.
Klachtonderdeel b) onzorgvuldig handelen en onvoldoende zorg
5.6 Het college stelt voorop dat klager zich tot F heeft gewend met een hulpvraag.
Van een gz-psycholoog mag worden verwacht dat hij zich in een dergelijke situatie
in de eerste plaats richt op diagnostiek, begeleiding en behandeling van de patiënt
en daarbij oog houdt voor diens belangen als patiënt. Dat laat onverlet dat zich omstandigheden
kunnen voordoen waarin ook andere belangen, waaronder de veiligheid van derden, een
rol spelen. In dat geval dient een zorgvuldige afweging plaats te vinden tussen de
verschillende betrokken belangen.
5.7 Uit het dossier blijkt dat de gz-psycholoog vanaf begin januari 2023 betrokken
is geweest bij de beoordeling van de casus van klager. Hij heeft een intakegesprek
met klager gevoerd, nam deel aan diverse interne overleggen over een mogelijke doorbreking
van het beroepsgeheim en was betrokken bij het gesprek van 16 januari 2023 dat vervolgens
met klager is gevoerd. Hoewel het college begrijpt dat de door klager verstrekte informatie
aanleiding gaf tot ernstige zorgen, valt op dat de beoordeling van een mogelijke doorbreking
van het beroepsgeheim binnen het verdere traject een dominant onderdeel is geworden.
Hierdoor heeft er onvoldoende gerichte diagnostiek plaatsgevonden, bijvoorbeeld naar
waanstoornissen/psychotische fenomenen, die mogelijk een risicotaxatie beïnvloed had
kunnen hebben. Het college acht daarbij van belang dat klager zich tot F had gewend
vanwege psychische klachten en met de verwachting daar hulp en behandeling te ontvangen.
5.8 Het college acht verder van betekenis dat klager op 16 januari 2023 feitelijk
voor de keuze werd gesteld zichzelf bij de politie te melden, bij gebreke waarvan
F zelf informatie aan de politie zou verstrekken. De gz-psycholoog was bij dit gesprek
aanwezig. Hoewel begrijpelijk is dat de betrokken zorgverleners transparant wilden
zijn over hun overwegingen, heeft deze benadering er mede toe geleid dat de behandelrelatie
onder ernstige druk is komen te staan. Uit de stukken blijkt dat klager zich hierdoor
met zijn rug tegen de muur gezet voelde en dat kort daarna een ernstige vertrouwensbreuk
is ontstaan, waarna hij afzag van verdere behandeling bij F. Juist omdat het beroepsgeheim
en de vertrouwensrelatie een centrale plaats innemen binnen de geestelijke gezondheidszorg,
had van de gz-psycholoog mogen worden verwacht dat hij zich nadrukkelijk rekenschap
gaf van de impact die deze handelwijze op klager en op diens bereidheid om behandeling
te aanvaarden zou kunnen hebben.
5.9 Naar het oordeel van het college heeft de gz-psycholoog hierbij onvoldoende
oog gehouden voor zijn primaire rol als behandelaar en voor de belangen van klager
als patiënt. Daarbij acht het college van betekenis dat ten tijde van de besluitvorming
niet zonder meer kon worden vastgesteld dat sprake was van concrete aanwijzingen voor
een actuele dreiging van ernstig nadeel. Klager werkte sinds juli 2022 niet meer als
verpleegkundige en vervulde geen functie waarin hij opnieuw beslissingen over de behandeling
van patiënten kon nemen. Bovendien was tijdens het tweede indicatiegesprek het recidiverisico
als laag ingeschat zolang klager niet werkte en in behandeling zou gaan. Juist tegen
die achtergrond had van de gz-psycholoog mogen worden verwacht dat hij nadrukkelijk
aandacht bleef houden voor verdere diagnostiek, risicotaxatie, begeleiding en behandeling
van klager. In plaats daarvan is de focus binnen het traject in belangrijke mate komen
te liggen op de vraag of sprake was van een conflict van plichten en een mogelijke
melding aan politie of derden. Daardoor is te weinig aandacht uitgegaan naar de vraag
welke zorg aan klager kon worden geboden. In zoverre heeft de gz-psycholoog niet gehandeld
zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende gz-psycholoog mocht worden verwacht
en is klachtonderdeel b) gegrond.
5.10 Voor zover klager de gz-psycholoog verwijt dat hij geen aantekeningen heeft
gemaakt van zijn afwegingen met betrekking tot de doorbreking van het beroepsgeheim,
treft dit geen doel. Er bestaat geen wettelijke plicht die voorschrijft dat een gz-psycholoog
zijn afwegingen om het beroepsgeheim te doorbreken altijd schriftelijk moet vastleggen.
Wel volgt uit de professionele standaard en de rechtspraak dat een gz-psycholoog zijn
handelen (achteraf) moet kunnen verantwoorden. Zoals hiervoor is overwogen, is de
gz-psycholoog daarin niet geslaagd.
Slotsom
5.11 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht deels gegrond is.
Maatregel
5.12 Het college rekent het de gz-psycholoog aan dat hij onvoldoende oog heeft
gehouden voor zijn primaire rol als behandelaar en voor de belangen van klager als
patiënt. Binnen het traject is de aandacht in belangrijke mate verschoven van diagnostiek
en behandeling naar de vraag of sprake was van een conflict van plichten en een mogelijke
melding aan politie of derden. Hierdoor is onvoldoende ruimte gebleven voor het verkennen
van behandel- en begeleidingsmogelijkheden voor klager. Daarbij weegt het college
mee dat de gz-psycholoog een behandelrelatie met klager had en betrokken is geweest
bij het gesprek van 16 januari 2023 waarin klager feitelijk voor de keuze werd gesteld
zichzelf bij de politie te melden. Juist onder die omstandigheden had van hem mogen
worden verwacht dat hij nadrukkelijk oog hield voor de belangen van klager als patiënt
en voor het behoud van een behandelperspectief.
5.13 Anderzijds houdt het college er rekening mee dat de gz-psycholoog niet
degene was die uiteindelijk heeft beslist tot doorbreking van het beroepsgeheim, dat
hij heeft geopereerd binnen een breder multidisciplinair en juridisch besluitvormingstraject
en dat niet is gebleken dat hij lichtvaardig heeft gehandeld of is uitgegaan van oneigenlijke
motieven. Ook kan het college niet vaststellen dat zijn medewerking aan het politieverhoor
tuchtrechtelijk verwijtbaar was.
5.14 Alles afwegende acht het college een waarschuwing passend en geboden. Daarmee
wordt tot uitdrukking gebracht dat de gz-psycholoog onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld
door binnen het behandeltraject onvoldoende oog te houden voor zijn rol als zorgverlener
en voor de belangen van klager als patiënt. De waarschuwing dient als zakelijke terechtwijzing
dat van een gz-psycholoog in een situatie als deze mag worden verwacht dat hij de
belangen bij diagnostiek, risicotaxatie, behandeling en behoud van de behandelrelatie
beter bewaakt.
Publicatie
5.15 Vanwege de samenhang met de tuchtklachten die klager tegen andere betrokken
zorgverleners heeft ingediend en in het algemeen belang zal deze beslissing worden
gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin gelegen dat andere gz-psychologen mogelijk
iets van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding
van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht deels gegrond;
- legt de gz-psycholoog de maatregel op van waarschuwing;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden
bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift De Psycholoog.
Deze beslissing is gegeven door J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, M. Mostert, lid-jurist, R. van der Ree, A. van Dijke, L.P.T. Raijmakers, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door P. van der Stroom, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
a.Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard,
of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring
kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
b. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
c. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege
voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk
in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.
[1] Tegen deze SPV heeft klager ook een klacht ingediend (Z2025/8886).
[2] Tegen deze geneesheer-directeur/psychiater heeft klager ook een klacht ingediend (Z2025/8883).
[3] Tegen deze klinisch psycholoog heeft klager ook een klacht ingediend (Z2025/8885).
[4] Tegen deze psychiater heeft klager ook een klacht ingediend (Z2025/8884).
[5] Tegen deze directeur behandeling/psychiater heeft klager ook een klacht ingediend (Z2025/8881).