We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRZWO:2026:114 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/9315

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:114
Datum uitspraak: 17-07-2026
Datum publicatie: 21-07-2026
Zaaknummer(s): Z2025/9315
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht van patiënt tegen radioloog kennelijk ongegrond. Verwijt dat de radioloog een MRI-scan van de prostaat van klager in 2017 niet zorgvuldig heeft beoordeeld. De radioloog heeft aangevoerd dat hij de beelden zorgvuldig heeft beoordeeld waarbij de kans op klinische prostaatkanker onwaarschijnlijk was, aan de hand van PI-RADS versie 2 (uit 2015).

                    REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG ZWOLLE

Beslissing in raadkamer van 17 juli 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klager,

tegen

C,

Radioloog,

werkzaam in D,

verweerder, hierna ook: de radioloog,

gemachtigde: mr. M. Roth, advocaat te Zoetermeer.

1.     De zaak in het kort

1.1     Klager verwijt de radioloog dat hij een MRI-scan van de prostaat van klager in 2017 niet zorgvuldig heeft beoordeeld. De radioloog heeft aangevoerd dat hij de beelden zorgvuldig heeft beoordeeld waarbij de kans op klinische prostaatkanker onwaarschijnlijk was, aan de hand van PI-RADS versie 2 (uit 2015).


1.2     Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.


2.     De procedure
 

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 25 november 2025;
- het verweerschrift met de bijlage, ontvangen op 5 februari 2026;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 16 april 2026.

2.2     Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.


2.3     Klager heeft eerder een tuchtklacht ingediend tegen de behandelend uroloog. Het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle heeft de klacht op 31 oktober 2022 gedeeltelijk gegrond verklaard en de uroloog een waarschuwing gegeven (de uitspraak is gepubliceerd op www.tuchtrecht.overheid.nl onder nummer: ECLI:NL:TGZRZWO:2022:144). Het Centraal Tuchtcollege heeft op 18 december 2023 uitspraak gedaan en het beroep verworpen.


3.    De feiten

3.1     Klager, geboren in 1947, heeft op 30 juni 2017 een eerste consult gehad bij de uroloog, vanwege het bestaan van mictieklachten. Klager werd verwezen voor een MRI-scan van de prostaat. Deze is op 6 juli 2017 uitgevoerd.

3.2     Van de MRI-scan maakte de radioloog het navolgende verslag (alle citaten zijn overgenomen inclusief type- en taalfouten en voor zover relevant voor de klacht):
“Klinische informatie / vraagstelling:

evaluatie prostaatca.

Verslag:

MRI-prostaat en bekken: Toediening Gadovist i.v..Normale blaasvulling met enige blaaswandtrabeculatie. Veel faeces in het rectosigmoïd. De prostaat omvang bedraagt 4,5 cm x 4,6 cm bij 3,4 cm. De middenkwab puilt in lichte mate uit in de blaasbodem. Licht inhomogeen beeld van de prostaat zonder duidelijk aantoonbare significante tumor. De BH 800 toont een licht homogeen aspect. Afgrensbaar kapsel en vesiculae. Geen aanwijzingen voor lymfadenopathie in het kleine bekken. De botstructurentonen geen bijzonderheden behoudens degeneratie laaglumbaal.

Conclusie: Geen duidelijke aanwijzingen voor een prostaatmitose. Licht vergrote middenkwab. PIRADS-2.”
De MRI-beelden zijn overgelegd in deze tuchtklachtprocedure en maken deel uit van het procesdossier.

3.3     In 2020 steeg de PSA-waarde bij klager en is een nieuwe MRI-scan gemaakt. Toen werd een PI-RADS-4 vastgesteld. Klager is daarna doorverwezen naar het E.

3.4     In 2022 vond in het E door een radiotherapeut een revisie plaats van de MRI uit 2017. Daarvan is navolgend verslag opgemaakt:
“Klinische gegevens:

2020 Prostaatcarcinoom waarvoor radiotherapie

Vraagstelling:

Vraag van patiënt is of er in retrospectie al tumor op de MRI van 2017 uit [naam ziekenhuis, RTG]. Daarom beide MRI’s ter revisie opgevraagd.

Datum onderzoek: 06/07/2017

Vergelijking: Geen

Conclusie van elders:

Geen duidelijke aanwijzingen voor een prostaatmitose. Licht vergrote middenkwab. PIRADS 2. Revisie, enkel gericht op huidige vraagstelling. Niet akkoord conclusie verslag elders.
In de perifere zone rechts dorsolateraal mogelijk doorlopen naar ventraal mid prostaat is een T2 hypo-intens gebied zichtbaar met verlaagd signaal op ADC (echter geen verhoogd signaal op DWI) met opvallend vroeg arteriële aankleuring op de dynamische series derhalve toch suspect. Geschatte ADC-waarde 1027. Geschatte afmeting 2 cm. Morfologisch niet typisch beeld van een BPH nodus ondanks enige BPH transitiezone. Toch sprake van PIRADS 4 laesie.

Beleid:

Op verzoek van patiënt en uroloog verlag revisie MRI prostaat 2017 in deze brief doorgestuurd.”
 

4.     De klacht en de reactie van de radioloog

4.1     Klager verwijt de radioloog dat hij de MRI-scan van 2017 destijds onzorgvuldig heeft beoordeeld en ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat sprake was van PI-RADS 2.


4.2     De radioloog heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.


4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen. 


5.     De overwegingen van het college


De criteria voor de beoordeling
5.1     De vraag is of de radioloog de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende radioloog. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de radioloog in 2017 geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Overwegingen

5.2     Klager verwijt de radioloog, op basis van de revisie door het E in 2022, dat de radioloog in 2017 de MRI-scan niet zorgvuldig heeft beoordeeld. Volgens klager had de radioloog in 2017 niet tot de conclusie kunnen komen dat sprake was van PI-RADS


5.3     De radioloog heeft aangevoerd dat de scan in 2017 door hem is beoordeeld aan de hand van de geldende standaard. Dit is de Prostate Imaging Reporting and Data System (PI-RADS versie 2 - 2015). Daarbij is de kans op klinische prostaatkanker bij PI-RADS 1 zeer onwaarschijnlijk, bij PI-RADS 2 onwaarschijnlijk, PI-RADS 3 een intermediair risico (de aanwezigheid van kanker is onduidelijk), PI-RADS 4 waarschijnlijk en PI-RADS 5 zeer waarschijnlijk. De radioloog wijst erop dat een MRI-scan een onderdeel is in het opsporen van prostaatkanker. De verwijzer, de uroloog in dit geval, doet meer onderzoek en bepaalt aan de hand daarvan de vervolgbehandeling.

De radioloog was op de hoogte van de PSA-waarde bij klager, die normaal was. De radioloog was niet op de hoogte dat bij klager sprake was van een gen mutatie.


5.4     Het college is van oordeel dat de conclusie dat de radioloog de MRI-beelden niet zorgvuldig heeft beoordeeld niet gerechtvaardigd is. De radioloog heeft de beelden beoordeeld aan de hand van de geldende beroepsstandaard (PI-RADS, versie 2). Daarbij is door de radioloog de grootte van de prostaat beschreven.

In het verslag staat vermeld dat er geen duidelijk aantoonbaar significante tumor te zien is. Er was op de MRI geen duidelijke laesie te zien op de T2. Voor zover deze zichtbaar was bevond zich deze centraal en dit is vaak een adenoom (een goedaardig gezwel bestaande uit klierweefsel die vaker voorkomt in de prostaat). De radioloog heeft deze aankleuring kunnen interpreteren als een adenoom. Alsmede als een licht vergrote prostaatvergroting en enige adenoomvorming waarbij geen sprake was van een duidelijk afwijkende diffusie (ADC en DWI-metingen). Er was geen verhoogd DWI-signaal te zien wat een aanwijzing is voor aanwezigheid van klinisch significante kanker. De ADC-metingen waren 1036, 1124 en 1170 bij Siemens MRI software waarbij een waarde boven de 950 binnen een normale variatie viel. Het kan de radioloog niet worden tegengeworpen dat de kwaliteit van de MRI-beelden anno 2017 bij de toen in het ziekenhuis aanwezige apparatuur suboptimaal was. Deze term in het verweerschrift maakt niet dat de radioloog, zoals klager stelt de beelden niet had moeten beoordelen. Niet gebleken is dat de kwaliteit onvoldoende was om de beelden te kunnen beoordelen.

Het college is van oordeel dat gelet op de door de radioloog beschreven beelden van de MRI-scan, de beoordeling van de MRI-scan in 2017 zorgvuldig is geweest.


5.5     Klager voert aan dat hem bij de revisie in 2022 door het E is meegedeeld dat op de MRI-scan uit 2017 al afwijkingen te zien waren. Het college passeert die stelling van klager. Bij die revisie was immers meer informatie bekend dan de radioloog tot zijn beschikking stond in 2017. Klager was vanaf 2020 in behandeling bij het E in verband met uitzaaiingen van prostaatkanker die in 2020 waren geconstateerd. De beoordeling vijf jaar later door het E, als gespecialiseerd oncologisch centrum, met de kennis van dat moment in 2022, maakt nog niet dat de radioloog zich in 2017 bij zijn beoordeling niet aan de professionele standaard heeft gehouden. Bij de tuchtrechtelijke beoordeling moet teruggekeken worden naar het moment van handelen, dus naar 2017, en nadien gebleken informatie moet daarbij buiten beschouwing worden gelaten. Dat de radioloog toen tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, is het college niet gebleken.

5.6     Tijdens het mondeling vooronderzoek heeft klager nog gemeld dat de radioloog deel heeft genomen aan een klachtencommissie van het ziekenhuis waarin het handelen van de uroloog centraal stond. Klager heeft dit niet als klacht geformuleerd in de richting van de radioloog. Voor zover klager, door het opsturen van onderbouwende stukken over de gang van zaken bij de klachtencommissie van het ziekenhuis, de klacht na het mondelinge vooronderzoek alsnog heeft willen uitbreiden, geldt het volgende. Deze stukken zijn niet aan het dossier toegevoegd (en retour gestuurd naar klager) omdat het vooronderzoek al was gesloten. Gelet op het stadium van de procedure met een verwijzing voor beoordeling van de klacht door het college in raadkamer was een aanvulling van de klacht niet meer mogelijk, gelet op artikel 65c van de Wet op de Beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG).

Slotsom
5.7     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.


6.     De beslissing


Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 17 juli 2026 door A.A.A.M. Schreuder, voorzitter, B.A.A.M. van Hasselt en B. Kreike, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door J.W. Sijnstra-Meijer, secretaris.

secretaris                                                                  voorzitter


Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.     Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.     Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.


c.     Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.