ECLI:NL:TGZRZWO:2026:113 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/9073

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:113
Datum uitspraak: 10-07-2026
Datum publicatie: 15-07-2026
Zaaknummer(s): Z2025/9073
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een tandarts. Deze tandarts was betrokken bij de zorg aan klaagster. Klaagster had implantaten gekregen en zij verwijt de tandarts – kort gezegd - onheuse bejegening en dat hij ten onrechte niet ingreep toen de behandeling van zijn collega ontoereikend bleek. Het college is van oordeel dat de tandarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en verklaart de klacht ongegrond


                                      REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG ZWOLLE

Beslissing van 10 juli 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B,

klaagster,

tegen

C,
tandarts,

destijds werkzaam in B,

verweerder, hierna ook: de tandarts,

1.     De zaak in het kort
 

1.1     De tandarts was betrokken bij de zorg aan klaagster. Klaagster had implantaten gekregen en zij verwijt de tandarts – kort gezegd - onheuse bejegening en dat hij ten onrechte niet ingreep toen de behandeling van zijn collega ontoereikend bleek.
 

1.2     Het college komt tot het oordeel dat de tandarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hierna licht het college dat toe.
 

2.     De procedure
 

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 26 augustus 2025;
  • de brief van de secretaris van 17 september 2025, met het verzoek de klacht aan te vullen;
  • het aanvullende klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 7 oktober 2025.
     

2.2     De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
 

2.3     Klaagster heeft ook een tuchtklacht ingediend tegen de niet BIG-geregistreerde praktijkeigenaar. Deze klacht staat geregistreerd onder zaaknummer Z2025/8950. De voorzitter heeft deze klacht bij beslissing van 17 februari 2026 niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast heeft klaagster een tuchtklacht ingediend tegen een andere tandarts van de praktijk. Deze klacht staat geregistreerd onder zaaknummer Z2025/9072. In deze zaak is nog geen uitspraak gedaan.
 

2.4     De zaak is behandeld op de openbare zitting van 19 juni 2026. Partijen zijn verschenen, de tandarts heeft verweer gevoerd tegen de klachten, waarna partijen hun standpunt mondeling hebben toegelicht.

 

3.     De klacht en de reactie van de tandarts

3.1     Klaagster verwijt de tandarts dat hij:

  1. een kleinerende uitspraak heeft gedaan en haar ‘mevrouwtje’ noemde;
  2. haar niet als patiënt behandelde. Zo verdoofde hij zonder waarschuwing, overlegde met de aanwezige assistentes in een andere taal en hield klaagster niet op de hoogte van wat er gebeurde en stuurde haar tussendoor naar de wachtkamer;
  3. had kunnen zien dat de behandeling van de andere tandarts niet toereikend was.

3.2     De tandarts heeft eerst ter zitting gereageerd op het klaagschrift. Hij heeft klaagster één keer onder zijn supervisie gezien en toen een implantaat blootgelegd. De tandarts zag op dat moment dat twee implantaten niet goed waren vastgegroeid en plaatste healing caps, hechtte de wond en nam contact op met de eigenaar van de praktijk. Ten aanzien van de bejegening stelt de tandarts dat hij zich dit niet kan herinneren aangezien het al drie jaar geleden is, echter biedt hij klaagster zijn excuses aan dat het op deze manier is gelopen.

3.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

4.     De overwegingen van het college

De criteria voor de beoordeling
4.1     De vraag is of de tandarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende tandarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.


4.2     Klaagster kwam op 4 juni 2024 bij een collega van verweerder. Deze collega was praktijkeigenaar en klinisch prothese specialist. Hij adviseerde alle tanden van klaagster te laten trekken, direct vier implantaten te plaatsen in de bovenkaak en twee implantaten in de onderkaak en het plaatsen van een noodprothese. Een maand later werd klaagster door een implantoloog behandeld conform het advies. Nadien volgden er meerdere controles in de tandartsenpraktijk door verschillende behandelaren.


4.3     Klaagster schrijft in haar klacht dat zij op 10 december 2024 een afspraak had bij verweerder. Er waren bij deze afspraak nog twee assistenten aanwezig en gedurende de behandeling kwam er nog iemand bij. Zonder waarschuwing werd zij verdoofd, terwijl klaagster het uitgilde van de pijn. Klaagster schrijft verder dat verweerder tijdens de ingreep overlegde met de medewerkers in een andere taal en vroeg of zij het implantaat zagen zitten, hij kon hem niet vinden en stelde klaagster niet op de hoogte van wat hij aan het doen was. Ook klaagde hij, volgens klaagster, dat er te weinig tijd was voor de behandeling. Klaagster moest vervolgens, na het verdoven van haar mond, plaatsnemen in de wachtruimte zodat verweerder een wortelkanaalbehandeling tussendoor kon doen. Nadat klaagster naar eigen zeggen werd opgehaald, ging verweerder verder waar hij gebleven was en werd het implantaat blootgelegd.

4.4     Ter zitting stelde klaagster dat het dossier dat zij heeft ontvangen, incompleet is. Dit is echter geen apart klachtonderdeel. Partijen zijn het er over eens dat verweerder klaagster één keer heeft behandeld, op dat moment de implantaten blootlegde en vervolgens tot de constatering kwam dat deze niet stevig genoeg vastzaten. Deze conclusie heeft verweerder naar eigen zeggen doorgegeven aan de praktijkeigenaar. Deze behandeling ligt ten grondslag aan de onderhavige klacht.

Klachtonderdelen a) en b) bejegening
4.5     Het college zal deze klachtonderdelen, gelet op de samenhang, gezamenlijk beoordelen. Klaagster verwijt de tandarts dat hij haar kleineerde door haar ‘mevrouwtje’ te noemen en over haar hoofd heen te praten over een collega. Klaagster voelde zich niet als persoon gezien. Verweerder erkent dat hij niet tevreden was met het werk dat zijn collega’s eerder hadden uitgevoerd, maar herinnert zich gelet op het tijdsverloop niet de precieze gang van zaken rondom de conversatie. Ook kan hij zich niet herinneren dat hij klaagster ‘mevrouwtje’ zou hebben genoemd, maar als het voor klaagster verkeerd heeft gevoeld biedt hij hier zijn excuses voor aan. Verder wacht hij vaker met behandeling totdat de verdoving goed werkt, en kan een patiënt op zo’n moment even wachten in de wachtruimte. Tussendoor kon verweerder bij een andere patiënt een wortelkanaalbehandeling starten.


4.6     Het college heeft er oog voor dat de bij klaagster uitgevoerde behandeling (het trekken van het gehele gebit en plaatsen van implantaten) de nodige impact op haar heeft gehad en nog altijd heeft. Toch zal het college op een zakelijke manier de klacht moeten beoordelen. Bij deze beoordeling gaat het om persoonlijke verwijtbaarheid van de zorgverlener, in dit geval verweerder. Verweerder heeft naar eigen zeggen klaagster één keer behandeld. Klaagster heeft dit niet weersproken. Op dat moment was verweerder niet tevreden met de eerder uitgevoerde behandeling door een collega. Het college kan niet vaststellen wat er precies is gezegd tijdens deze behandeling omdat verweerder zich hetgeen klaagster stelt niet kan herinneren. Wel verklaart verweerder dat hij normaal gesproken patiënten niet zo behandelt en juist heel vriendelijk is, maar dat het door zijn accent wellicht verkeerd is begrepen. Van een zorgverlener mag in beginsel worden verwacht dat die een patiënt met respect behandelt. Het college kan niet vaststellen wat er is gezegd, maar de tandarts heeft uitdrukkelijk verklaard dat hij geen enkele intentie had om klaagster te kleineren. Hij heeft, zo hij de door klaagster weergegeven bewoordingen heeft gebruikt, daarvoor uitdrukkelijk zijn excuses aangeboden. Bij die stand van zaken acht het college dit klachtonderdeel niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Verder is het laten wachten van een patiënt in de wachtruimte om de verdoving goed te laten inwerken, gebruikelijk binnen de beroepsgroep en niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Wel blijft het belangrijk om de patiënt te informeren waarom deze even buiten de behandelruimte plaats moet nemen.

De klachtonderdelen zijn, gelet op het voorgaande, ongegrond.

Klachtonderdeel c) beoordeling werk collega

4.7     Klaagster stelt dat verweerder had kunnen zien dat het werk van zijn collega niet toereikend was. Verweerder zegt in reactie hierop dat hij dit inderdaad heeft gezien en naar de praktijkeigenaar is gegaan met de mededeling dat twee implantaten niet goed vast zaten. Aangezien hij zelf niet de hoofdverantwoordelijke was voor de behandeling van klaagster, heeft hij op dat moment gedaan wat hij moest doen. Klaagster was hier niet van op de hoogte. Het college ziet geen aanknopingspunten om hier aan te twijfelen en houdt het er voor dat verweerder ontevreden was met de eerder uitgevoerde behandeling en vervolgens contact opnam met de praktijkeigenaar. Wat de praktijkeigenaar vervolgens zelf heeft gedaan met deze mededeling, ligt buiten de invloedsfeer van verweerder. De klacht is ongegrond.

Slotsom
4.8     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn.


5.     De beslissing

Het college verklaart alle onderdelen van de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door J. Sap, voorzitter, W.P. Claus, lid-jurist, C.A. Krabbe, B.D. van der Meulen en G.L.M.M. van der Werff, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.H. van Ham, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026.

secretaris                                                                      voorzitter


Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.     Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.


c. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.