ECLI:NL:TGZRZWO:2026:112 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8869

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:112
Datum uitspraak: 12-07-2026
Datum publicatie: 15-07-2026
Zaaknummer(s): Z2025/8869
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Ouders klagen mede namens hun minderjarige zoon tegen een verpleegkundige die betrokken was bij een intake en vervolggesprekken over hun zoon. Verwijten over bewoordingen in het dossier,  bewoordingen die bij het informatie delen met een basisschool en bejegeningsklacht. Klacht ongegrond.

                                REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG ZWOLLE


Beslissing van 10 juli 2026 op de klacht van:

A, mede namens hun minderjarige zoon B,
wonende in C,
klagers,

tegen

D,
verpleegkundige,
werkzaam in C,
verweerder, hierna ook: de verpleegkundige

1.     De zaak in het kort


1.1     Klagers klagen mede namens hun minderjarige zoon tegen een verpleegkundige die betrokken was bij een intake en vervolggesprekken over hun zoon. Klagers verwijten de verpleegkundige onder andere bewoordingen in het dossier en bewoordingen die zouden zijn gebruikt bij het informatie delen met een basisschool. Ook de bejegening van de verpleegkundige is volgens klagers incorrect.


1.2     De verpleegkundige heeft aangevoerd dat hij conform de daarvoor geldende standaarden heeft gewerkt, klagers correct heeft behandeld en de informatie aan de basisschool op zorgvuldige wijze informatie heeft verwoord.


1.3     Het college komt tot het oordeel dat de klacht ongegrond is. Hierna licht het college dat toe.

2.     De procedure
 

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 29 juli 2025;
- het verweerschrift met de bijlage, ontvangen op 15 oktober 2025;
- aanvullende bijlagen op het verweerschrift, ontvangen op 30 oktober 2025;
- aanvullende bijlagen op het verweerschrift, ontvangen op 14 november 2025;
- de aanvulling op het klaagschrift, ontvangen op 27 januari 2026;
- het proces-verbaal van het op 3 februari 2026 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- de reactie van verweerder op het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, ontvangen op 26 februari 2026;
- het e-mailbericht met bijlagen van klagers, ontvangen op 2 juni 2026, met onder meer als bijlage twee schriftelijke verklaringen.


Bij e-mailbericht van 4 juni 2026 heeft de secretaris van het college klagers op hun verzoek daartoe laten weten, dat het college geen aanleiding ziet E als getuige op te roepen, maar dat het klagers vrijstaat haar zelf als getuige mee te nemen.

2.2     De zaak is behandeld op de openbare zitting van 16 juni 2026. Partijen zijn verschenen. Klager werd ter zitting bijgestaan door de heer F. Klagers hebben een verzoek tot behandeling van de zaak achter gesloten deuren gedaan met een beroep op het belang van hun privacy. Het college heeft dit verzoek afgewezen, omdat het college van oordeel is dat het belang van de openbaarheid van het tuchtrecht zwaarder weegt dan het privacybelang van klagers. Klagers hebben geen getuige meegenomen.

3.     De feiten

3.1     Klaagster en haar kinderen verbleven tot januari 2025 bij een locatie van het G in H. Klager is in juli 2024 naar I gekomen. Klagers zijn op 20 januari 2025 verhuisd naar een nieuwe G in J.

3.2     Op 20 februari 2025 vond op de G locatie een intake plaats van de zoon van klagers bij K met verweerder, waarbij moeder aanwezig was. Verweerder is werkzaam als (jeugd)verpleegkundige bij K. Een vervolgafspraak werd ingepland op 24 februari 2025. Van deze gesprekken werden de volgende aantekeningen in het dossier gemaakt (alle citaten zijn opgenomen inclusief type- en taalfouten en voor zover relevant voor de onderhavige tuchtklacht):


“Toelichting kinderopvang Kinderopvang                   is stopgezet vanwege de complexiteit van de                                                                                                           ondersteuningsbehoefte van het kind.

Verhouding draaglast draagkracht onderzocht           Ja

Bijzonderheden verhouding draaglast en draagkracht   Draaglast is hoog door de complexiteit van de zorgbehoefte van                                                                               de kinderen en instabiele thuissituatie. Draagkracht is beperkt                                                                                   door emotionele en praktische overbelasting waardoor extra                                                                                     ondersteuning noodzakelijk is.
Inschatten verhouding draaglast-draagkracht             Belemmerend

Aandachtskenmerken

Zijn er kind/jongere kenmerken                                Ja

Ontwikkelingsprobleem                                            Ja
Schoolproblemen                                                    Ja
Gedragsproblemen                                                  Ja
Zijn er ouderkenmerken                                           Ja
Ouderkenmerken ouder 1                                        Zorgtekort, Ontbreken sociaal netwerk, Chronisch ziek,                                                                                            Psychiatrische aandoening

Ouderkenmerken ouder 2                                       Zorgtekort, Ontbreken sociaal netwerk, Langdurige                                                                                                   werkloosheid/arbeidsongeschiktheid, Spreekt geen of nauwelijks                                                                               Nederlands

Inschatting aandachtskind/jongeren

Aandachtskind, eigen inschatting: (protocol aanwezig]   Ja

Signalering Zorg voor jeugd

Reeds eerder gesignaleerd in verwijsindex                    Ja

Conclusie

                  Voorlichting, advies, gegeven naar aanleiding gesprek met ouder/verzorger/jongere

                  Ontwikkelingsfasen/-problematiek/spraaktaal ontwi,

                  Relaties/vrienden/peers/ouders/pesten,

                  Behandelingsmogelijkheden/gezondheids- en welzijns, 

                  Kinderopvang/peutelspeelzaal/onderwijs, Psychosociaal

Conclusie                        B komt uit een L gezin dat veel heeft meegemaakt.

                                     Zijn moeder is gediagnostiseerd met een bipolairestoornis waar ze op psychofarmaca is ingesteld. Ze is tevens onder behandeling. Daarnaast is zijn zus is bekend met biopsychosociale problematiek volgens moeder. B. vertoont prikkelzoekende en motorisch onrustig gedrag. Er is mogelijk sprake van een taalontwikkelingsstoornis (TOS) en een algemene ontwikkelingsachterstand. Hij spreek slechts enkele woorden in Engels wat leidt tot communicatieve verwarring en frustratie, maar hij begrijpt de Nederlandse taal redelijk. Zijn interactie is grotendeels non-verbaal en hij vertoont soms impulsief en weinig doelgericht gedrag. Een autismespectrumstoornis (ASS) kan op basis van zijn sensorische en sociaal-communicatieve kenmerken niet worden uitgesloten en dient onderzocht te worden. In zijn vroege kinderjarigen heeft B een brandwond aan zijn linkerarm opgelopen in [naam land, RTG], wat medische en traumagerelateerde gevolgen lijkt te hebben. Daarnaast heeft hij dermatologische bijzonderheden, waaronder een schilferige plek op zijn hoofd en een moedervlek op zijn linkerzijde. Zijn basisbehoefte zoals eten en slapen, lijken afhangen van zijn gemoedtoestand en dagritme. Wanneer hij overdag lekker actief is in een kinderopvangen, blijven deze basisbehoefte stabiel, al blijft hij momenteel sterk gehecht aan flesvoeding, wat kan wijzen op een vertraagde orale ontwikkeling. B is aangemeld voor vroeghulp bij waaronder BEC en logopedie maar door de instabiele thuissituatie en frequente overplaatsingen, heeft zijn moeder afspraken afgezegd. Logopedische interventie dient z.s.m. te worden opgestart. Kinderopvang werd per 31 mei 2024 beëindigd wegens ernstig externaliserend gedrag waarbij hij impulscontroleproblemen vertoond en zowel zichzelf als andere in risicovolle situatie bracht. De moeder ervaart de opvoeding als emotioneel en praktisch overbelastend. Er is sprake van opvoedingsstress binnen het gezin wat gedeelte kan worden gereduceerd door passende ondersteuning binnen het gezin. Een gespecialiseerde kinderopvang met structurele begeleiding zou een passende voorziening kunnen zijn voor B.. Revisie z.s.m. bij de JA.”
 

3.3     Op 27 februari 2025 is er telefonisch contact geweest met de verpleegkundige op initiatief van een openbare basisschool. Op 13 maart 2025 is er een gesprek geweest op deze school met de schooldirecteur, waarbij klaagster en de verpleegkundige aanwezig waren.

Klagers hebben van deze basisschool een schrijven ontvangen met de door de basisschool opgeschreven informatie die de school heeft ontvangen over klagers zoon:

“27-02-2025 [naam zoon, RTG]

Telefonisch contact [naam andere school, RTG] -> T. IB

[Naam school, RTG] heeft geen informatie betreffende [naam zoon, RTG]

T. ([naam andere school, RTG]) heeft [naam zoon, RTG] geobserveerd. Indruk: zeer afhankelijk van moeder, mogelijk kenmerken ASS??, vraagtekens bij plaatsing basisonderwijs. Is teruggekoppeld naar toenmalige begeleider vanuit M. Specifieke aanpak nodig. Moeder AZC [straatnaam, RTG] Er is een P-arts en P-verpleegkundige gekoppeld aan [straatnaam, RTG]

Moeder geeft toestemming aan P om gegevens te delen met school.

[voor en achternaam verweerder, RTG] P geeft aan:

- Moeder psychiatrische aandoening

- Moeder medicatie bipolaire stoornis

- [naam zoon, RTG] traumatische ervaring [buitenland, RTG]

- Algemene ontwikkelingsachterstand.

- Functioneert op niveau ongeveer tweejarige.

- Intensieve begeleiding nodig.

- Spraak- en taalontwikkeling: geen tot amper NL.

- Impulsbeheersing = lastig

- Moeder ervaart problemen “thuis”

- [voornaam verweerder, RTG] vraagt zich echt af of regulier basisonderwijs de juiste plek is.

- Advies → de onderwijsinstelling moet ervaring hebben met algemene ontwikkelingsachterstand. [naam zoon, RTG] is niet zomaar plaatsbaar.

- Veiligheid [naam zoon, RTG] en andere kinderen in het geding bij vorige kinderopvang. 03-03-2025

Contact [voor en achternaam verweerder, RTG]

Plaatsing op [naam school, RTG] niet wenselijk gezien bovenstaande punten. Wij kunnen niet
voldoen aan de onderwijsbehoeften van [naam zoon, RTG]

P-jeugdarts door [voornaam verweerder, RTG] betrokken bij de casus.

Gezamenlijke afspraak maken met [voornaam verweerder, RTG] en gezin [achternaam klagers, RTG] voor gesprek. Vervolgafspraak op 13-3-2025 met [voornaam verweerder, RTG], school + gezin [achternaam klagers, RTG] 13-3-2025

Overleg met [voornaam verweerder, RTG], school en [voornaam klaagster, RTG] (moeder [naam zoon, RTG])

School spreekt uit op dit moment niet te kunnen voldoen aan de onderwijsbehoeften van [naam zoon, RTG] naar aanleiding van de informatie die [voornaam verweerder, RTG] eerder heeft gedeeld. [Voornaam verweerder, RTG] beaamt dit en ziet problematiek bij [naam zoon, RTG] (zie bovenstaande opsomming).

Afspraak: [voornaam verweerder, RTG] heeft al lijntjes uitgezet en afspraken gemaakt over vervolgstappen richting MKD of andere plek. Hij neemt dit nu over en houdt ons voorlopig op de hoogte.”
 

3.4     In de stukken bevindt zich een notitie van 17 juli 2025 inhoudende dat klagers een verzoek hebben ingediend voor inzage in het dossier van hun zoon.


3.5     In de stukken bevinden zich e-mailberichten van 24 en 25 juli 2025 afkomstig van het e-mailadres N naar klagers ondertekend door de klachtenfunctionaris. In deze berichten staat in totaal vier keer dr. vermeld voor de achternaam van verweerder.


4.     De klacht en de reactie van de verpleegkundige

4.1     Klagers verwijten de verpleegkundige dat hij
a) klagers heeft misleid over zijn functie en kwalificaties door zich voor te stellen als arts/psycholoog, terwijl hij verpleegkundige is;
b) een anoniem en onjuist rapport heeft opgesteld;
c) de toegang tot onderwijs van hun zoon heeft verhinderd door de directeur van de basisschool telefonisch mee te delen dat hun zoon "abnormaal" zou zijn en een gevaar vormde voor zichzelf en andere kinderen;
d) de privacy en vertrouwelijkheid heeft geschonden door privé-informatie over de psychische toestand van moeder zonder toestemming van moeder in het rapport te vermelden, hetgeen niet relevant is voor de zoon;
e) hij zich intimiderend en ongepast heeft gedragen door te schreeuwen tegen moeder;
f) dat hij de inzage in het medisch dossier heeft belemmerd door te zeggen dat het dossier te ingewikkeld zou zijn en door te suggereren dat er mogelijk documenten uit het dossier zijn verwijderd of aangepast.

4.2     De verpleegkundige heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.


5.     De overwegingen van het college

De criteria voor de beoordeling

5.1     De vraag is of de verpleegkundige de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verpleegkundige. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de verpleegkundige geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Klachtonderdeel a) misleiding door verweerder door zich voor te stellen als arts/psycholoog, terwijl hij verpleegkundige is.

5.2     Klagers stellen zich op het standpunt dat de verpleegkundige zich heeft voorgesteld als arts dan wel psycholoog. Als onderbouwing hebben zij twee verklaringen van medebewoners van O gevoegd van 1 juni 2026. Ook verwijzen zij naar de e-mailberichten vanuit de P van 24 en 25 juli 2025.


5.3     De verpleegkundige betwist dit verwijt. Hij wijst erop dat hij overeenkomstig de vaste gestandaardiseerde werkwijze binnen de Jeugdgezondheidszorg tijdens de intake heeft toegelicht dat op een later moment een consult bij de jeugdarts zou volgen, hetgeen er op duidt dat hij niet die jeugdarts was. De verpleegkundige wijst voorts op diverse aantekeningen in het dossier waarin hij juist een onderscheid maakt tussen zichzelf en de jeugdarts, door te adviseren de jeugdarts te betrekken. Dit volgt ook uit het verslag van de school van het gesprek op 13 maart 2025 waarin de school noemt dat de verpleegkundige heeft aangegeven dat een jeugdarts P betrokken is bij de casus. Dat de klachtenfunctionaris in de e-mailberichten van 24 en 25 juni 2025 aan hem refereert als “dr. [naam verweerder, RTG]” vindt de verpleegkundige ongelukkig, maar dit valt hem niet tuchtrechtelijk aan te rekenen.


5.4     Het college is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de verpleegkundige zich aan klagers zou hebben voorgedaan als arts of psycholoog. Wat klagers hierover stellen, ontkent de verpleegkundige. Hij heeft in het dossier bij de intakegesprekken op 20 en 24 februari 2025 genoteerd “Revisie z.s.m. bij de JA.”, waarbij deze afkorting staat voor jeugdarts. Ook bij de school was blijkens de brief van 13 maart 2025 bekend dat verweerder jeugdverpleegkundige was en dat een jeugdarts bij het gezin betrokken zou worden. Dat de verpleegkundige zich onder die omstandigheden aan klagers zou hebben gepresenteerd als arts/psycholoog, is naar het oordeel van het college niet aannemelijk. Ook de door klagers overgelegde getuigenverklaringen tonen dat niet aan. Deze getuigen zijn immers niet bij de gesprekken tussen klaagster en de verpleegkundige aanwezig geweest. Dat de klachtenfunctionaris van K – nadat verweerders betrokkenheid bij het gezin van klagers was geëindigd – in e-mailcorrespondentie gerefereerd heeft aan de verpleegkundige als ‘dr. [naam verweerder, RTG]’ is ongelukkig, maar dit valt de verpleegkundige niet persoonlijk aan te rekenen.

Klachtonderdeel a) is ongegrond.

Klachtonderdeel b) opstellen van een anoniem en onjuist rapport
5.5     Klagers verwijten de verpleegkundige dat zijn naam niet onder de onder 3.2 weergegeven aantekeningen (volgens klagers: rapport) in het dossier staat. Ook betogen zij dat daar onjuistheden in staan. Er staat volgens klagers onterecht genoteerd dat klager geen sociaal netwerk heeft en geen baan. Ook verwijten klagers verweerder dat hij in de rapportage onjuiste diagnoses opnam en schreef dat hun zoon uit een fles dronk.


5.6     De verpleegkundige voert aan dat er na afloop van ieder consult aantekeningen worden gemaakt en bevindingen worden genoteerd in het (digitale) gezinsdossier. Bij overplaatsing naar een andere locatie wordt het dossier ‘warm’ overdragen door een andere P en is alle eerder genoteerde informatie beschikbaar. Die eerdere informatie was hem dus bekend. De verpleegkundige heeft zelf observaties gedaan tijdens de intake, waar hij de zoon een fles heeft zien drinken en dit heeft hij genoteerd. De informatie over vader was dat hij in het buitenland wenste te blijven, omdat hij bang was geen werk te krijgen in Nederland. In Nederland mogen mensen namelijk niet aan het werk zolang zij in de asielprocedure en in een asielzoekerscentrum verblijven. De meeste mensen komen alleen aan, en hebben logischerwijs geen sociaal netwerk in Nederland, vandaar die aantekeningen over de vader. Voor klaagster geldt dat zij de verpleegkundige zelf heeft verteld dat zij een bipolaire stoornis heeft, ook dat heeft de verpleegkundige in zijn aantekeningen verwerkt.

5.7     Het college stelt allereerst vast dat klagers spreken over een rapport, maar dat het gaat om een gezinsdossier. In dit dossier heeft de verpleegkundige – net als de andere vanuit de P betrokken zorgverleners – aantekeningen gemaakt van bevindingen bij de zorgverlening. De aantekeningen in het P-dossier zijn van voorzien van een medewerkerscode. Herleidbaar is welke P-medewerker op welk moment een bepaalde aantekening heeft gemaakt. Anders dan klagers stellen is dus geen sprake van anonieme rapportage. Een groot deel van het dossier, waarover de verpleegkundige bij de intakegesprekken met klaagster beschikte, had hij overgedragen gekregen van de P op de G-locatie waar klagers eerder verbleven. De verpleegkundige heeft zelf op basis van zijn eigen bevindingen tijdens de intakegesprekken op 20 en 24 februari 2025 aantekeningen gemaakt in het dossier. Het is het college niet gebleken dat deze aantekeningen van zijn bevindingen onjuistheden bevatten. De verpleegkundige stelt – anders dan klagers menen – in zijn verslaglegging ook geen diagnoses. De verpleegkundige adviseert op basis van het overgedragen dossier en zijn eigen bevindingen nader onderzoek door de jeugdarts.

Klacht onderdeel b) is ongegrond.

Klachtonderdeel c) de verpleegkundige heeft tegenover de basisschool de term ‘abnormaal’ gebruikt over klagers zoon en dat hun zoon een gevaar vormde voor zichzelf en anderen

5.8     Klagers verwijten de verpleegkundige dat hij de term ‘abnormaal’ en ‘een gevaar/gevaarlijk’ heeft gebruikt, waardoor naar de stelling van ouders hun zoon geweigerd is door de basisschool.


5.9     De verpleegkundige stelt zich op het standpunt dat hij deze term ‘abnormaal’ niet heeft gebruikt en evenmin kenbaar heeft gemaakt dat hun zoon een gevaar is. Volgens de verpleegkundige staat in de warme overdracht vanuit een andere P dat hun zoon een gevaar is voor zichzelf en anderen, maar zijn dat geen bewoordingen die van de verpleegkundige afkomstig zijn. De school beschikte – toen verweerder met de schooldirecteur sprak – al over informatie afkomstig van de school/kinderopvang op de vorige locatie. De verpleegkundige geeft aan juist bij de school te hebben bepleit om de zoon van klagers daar ”een kans te geven”.


5.10     Het college is van oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat de verpleegkundige naar de school de term ‘abnormaal’ en ‘een gevaar/gevaarlijk’ heeft gebruikt. Uit de vanuit de P van de eerdere locatie overgedragen informatie blijkt dat er bij de zoon van klagers sprake was van een spraakachterstand en dat de kinderopvang per 31 mei 2024 was beëindigd. De verpleegkundige schrijft hierover zelf in zijn aantekeningen bij het intakegesprek dat dit gebeurde “wegens ernstig externaliserend gedrag”. Uit de verslaglegging van de school blijkt niet dat de verpleegkundige aan de schooldirecteur zou hebben gezegd dat de zoon van klagers ‘abnormaal’ of ‘gevaarlijk’ zou zijn of dat hij woorden van gelijke strekking zou hebben gebruikt.
Klachtonderdeel c) is ongegrond.


Klachtonderdeel d) privé-informatie over de psychische toestand van moeder is zonder toestemming in het rapport vermeld
5.11     Klagers stellen dat er alleen informatie over hun zoon in het gezinsdossier had mogen worden opgenomen en dat de informatie over moeder zonder toestemming is opgenomen en ook niet relevant is.


5.12     De verpleegkundige stelt dat moeder op 20 februari 2025 bij het consult zelf over haar psychische toestand heeft gesproken. De informatie was ook al bekend uit het dossier, zoals dat was overgedragen vanuit de voorgaande P. De informatie was wel degelijk relevant voor de situatie van de zoon. De verpleegkundige heeft de informatie daarom in het gezinsdossier opgenomen. Moeder heeft, aldus de verpleegkundige, op 20 februari 2025 toestemming gegeven voor het delen van informatie met zorgverleners en hulpinstanties. De directeur van de basisschool heeft hem gemeld dat moeder toestemming zou hebben gegeven voor het delen van informatie.

5.13     Het college overweegt dat de gezinssituatie van belang is voor de gezondheid en ontwikkeling van kinderen. Kenmerken van ouders zoals hun psychische toestand zijn daarom relevant en worden genoteerd gezinsdossier. De verpleegkunde kon en moest de psychische toestand van moeder dus in het gezinsdossier vastleggen. Dat vergde geen nadrukkelijke toestemming van klaagster zelf.
Klachtonderdeel d) is ongegrond.

Klachtonderdeel e) intimiderend en ongepast gedragen door te schreeuwen tegen moeder
5.14     Klagers stellen dat de verpleegkundige tijdens een gesprek tegen klaagster heeft geschreeuwd. Klagers geven aan dat dit is gebeurd, nadat G-medewerkster E de kamer had verlaten. Klagers hebben het college verzocht de G-medewerkster als getuige op te roepen en te horen.


5.15     De verpleegkundige voert in zijn verweerschrift aan dat hij door een G-medewerker, E, is verzocht met klaagster te spreken. Bij dat gesprek, waarbij de G-medewerker in het begin aanwezig was, heeft verweerder klagers op een rustige toon te woord gestaan en zeker niet geschreeuwd.


5.16     Het college stelt vast dat de lezingen van klagers en de verpleegkundige over hoe het gesprek is verlopen lijnrecht tegenover elkaar staan. Wel is duidelijk dat de door klagers aangedragen getuige hierover geen uitsluitsel kan geven, nu uit het klaagschrift volgt dat het vermeende schreeuwen begon, nadat zij de kamer had verlaten. Het college heeft haar om die reden niet als getuige opgeroepen. Klagers hebben evenmin een schriftelijke verklaring van haar overgelegd. Het is vaste rechtspraak dat in een geval als dit, waarbij sprake is van het woord van de één tegen het woord van de ander, geen oordeel door het college kan worden gevormd. Aan het woord van de één kan immers niet meer waarde worden gehecht dan aan het woord van de ander. Het college kan, omdat voldoende aanwijzingen voor het gelijk van de één en het ongelijk van de ander ontbreken, niet vaststellen welke versie van het verloop van het gesprek hier de juiste is. Omdat de versie van klagers niet is komen vast te staan, slaagt de klacht niet.

Klachtonderdeel e) is ongegrond.

Klachtonderdeel f: inzage in het medisch dossier heeft belemmerd
5.17     Klagers stellen dat de verpleegkundige heeft gesuggereerd dat er mogelijk documenten uit het dossier zouden zijn verwijderd of aangepast. Inzage in het dossier werd door de verpleegkundige bemoeilijkt.


5.18     De verpleegkundige voert aan dat hij het volledige dossier aan klagers heeft verstrekt. Klaagster heeft tijdens het gesprek, waar de G-medewerkster (gedeeltelijk) bij aanwezig was, aangegeven dat zij dacht dat het dossier niet compleet was. De verpleegkundige heeft haar in het dossier toen gewezen op de volgens klaagster ontbrekende passage. Omdat klaagster erbij bleef dat het dossier niet compleet was, heeft de P klagers op 18 juli 2025 nogmaals het dossier verstrekt. Dit dossier was identiek aan het dossier dat de verpleegkundige eerder had verstrekt.


5.19     Het college constateert dat klagers naar aanleiding van hun verzoek tot inzage in het dossier van hun zoon binnen een redelijke termijn een kopie van het dossier hebben ontvangen. Na een herhaald verzoek is het dossier vanuit P nogmaals aan klagers verstrekt. Het is het college niet gebleken dat de verpleegkundige de inzage in het dossier op enigerlei wijze heeft belemmerd, of dat de verpleegkundige documenten uit het dossier zou hebben verwijderd of aangepast.

Klachtonderdeel f) is ongegrond.

Slotsom

5.20     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn.

6.     De beslissing
Het college verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door W.R.H. Lutjes, voorzitter, H.C.B. van der Meer, lid-jurist, R. Broeren-Woudstra, L.H. Kruze en S. Geul, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door J.W. Sijnstra-Meijer, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026.

secretaris                                                                       voorzitter

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.     Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.     Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
c.     Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.