We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRZWO:2026:106 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/9029

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:106
Datum uitspraak: 03-07-2026
Datum publicatie: 03-07-2026
Zaaknummer(s): Z2025/9029
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: klacht tegen huisarts ingediend door nabestaanden van patiente. Beroep op artikel 67 lid 3 Wet BIG door de huisarts is gehonoreerd. Klacht is kennelijk ongegrond.  

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing in raadkamer van 3 juli 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klaagster,

tegen

C,

huisarts,

destijds werkzaam in D,

verweerster, hierna ook: de huisarts,

gemachtigde: mr. C.J. van den Ham, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort

1.1     Klaagster beklaagt zich over de behandeling door de huisarts van wijlen haar zus, verder patiënte te noemen.
 

1.2     Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is.  ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
 

2. De procedure

2.1    Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 22 september 2025;
  • het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 14 januari 2026;
  • het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 25 maart 2026;
  • brief van klaagster ontvangen op 17 april 2026;
  • brief van de secretaris aan klaagster van 8 mei 2026.

2.2    Het college heeft met het verweerschrift de beschikking gekregen over stukken uit het medisch dossier van patiënte. De gemachtigde van verweerster heeft deze stukken toegezonden met een beroep op artikel 67 lid 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). De voorzitter heeft bepaald dat klaagster de betreffende stukken niet mag inzien vanwege het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden, waaronder in dit verband ook patiënte wordt begrepen. Klaagster heeft bij brief van 17 april 2026 bezwaar gemaakt tegen deze beslissing. Zij stelt dat het recht van hoor en wederhoor haar hiermee ontnomen wordt.

2.3     Het college zal eerst een oordeel geven over het beroep op artikel 67 lid 3 van de Wet BIG. Hoewel het uitgangspunt is dat partijen kennis kunnen nemen van alle processtukken kunnen op dit uitgangspunt door de wetgever beperkingen worden aangebracht. Artikel 67 lid 3 van de Wet BIG is een door de wetgever verankerde bepaling die ziet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden. Het is vaste jurisprudentie dat ook een overledene in het licht van dit artikel als een derde wordt beschouwd en recht heeft op die bescherming. Door de wetgever is ook voorzien in een mogelijkheid om, onder voorwaarden, wel van de stukken kennis te nemen, namelijk door een gemachtigde die advocaat of arts is. Er is dan hoor en wederhoor mogelijk. Klaagster heeft ervoor gekozen hier geen gebruik van te maken. Het college handhaaft dan ook de eerdere beslissing van de voorzitter.

2.4    Klaagster stelt in haar brief van 17 april 2026 dat zij primair verzoekt het beroep op artikel 67 lid 3 van de Wet BIG af te wijzen en subsidiair dat als de huisarts weigert de stukken over te leggen deze documenten volledig buiten beschouwing te laten. Onder verwijzing naar de bovenstaande overweging, wijst het college dit verzoek af.

2.5     Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren. 
 

3. De feiten

3.1     Verweerster is sinds 2021 samen met een collega de vaste huisarts van patiënte. Verweerster heeft patiënte vier maanden voor haar overlijden voor het laatst gezien. Patiënte was bij verweerster bekend wegens een zwelling in de hals en beenklachten. Patiënte was bij verweerster niet bekend met klachten die passen bij hart- en vaataandoeningen. Dit is ook aan klaagster meegedeeld in een e-mail van 27 maart 2025. Op 27 februari 2025 alarmeren buren van patiënte de politie nadat zij patiënte overleden in haar woning aantroffen. Een bij de praktijk van verweerster werkzame arts in opleiding tot huisarts wordt verzocht te komen schouwen bij patiënte. Zij twijfelt over de doodsoorzaak en schakelt de gemeentelijk lijkschouwer in. Deze concludeert dat er sprake is van niet-natuurlijk overlijden. De familie besluit om geen obductie bij patiënte te laten uitvoeren.
 

3.2     Op 26 maart 2025 ontvangt de praktijk van verweerster een e-mailbericht van klaagster waarin zij verzoekt om gegevens uit het medisch dossier van patiënte. In de hiervoor genoemde e-mail van 27 maart 2025 reageren verweerster en haar collega’s dat zij geen informatie uit het medisch dossier kunnen verstrekken maar bieden zij wel een nazorggesprek aan. Op 28 maart 2025 ontvangt de praktijk van verweerster een reactie van klaagster met een officiële klacht. Verweerster reageert per brief van 16 april 2025 inhoudelijk op de klachten van klaagster en biedt nogmaals een nazorggesprek aan. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 19 juni 2025.

4. De klacht en de reactie van de huisarts

4.1     Klaagster verwijt de huisarts dat zij:

  1. niet de NHG richtlijn Hartfalen heeft gevolgd en ten onrechte geen verder onderzoek naar hartfalen heeft gedaan;
  2. de NHG richtlijn standaard Varices niet heeft gevolgd door ondanks oedeem hartfalen niet te overwegen en niet als differentiaal diagnose uit te sluiten;
  3. de NHG standaard Diepveneuze trombose en longembolie niet heeft gevolgd, waar het gaat om het eenzijdig acuut oedeem;
  4. de diagnose ‘diepe varices’ heeft gesteld zonder nader onderzoek, bijvoorbeeld met duplex-onderzoek in de tweede lijn;
  5. bij het stellen van de diagnose paniekaanvallen niet in overweging heeft genomen of de klachten toch veroorzaakt konden worden door een lichamelijke cardiale aandoening, terwijl de NHG standaard Angst aangeeft dat bij paniekachtige klachten een somatische oorzaak zoals cardiale pathologie uitgesloten moet worden;
  6. bij de symptomen ‘trillende armen en benen’ niet heeft overwogen of uitgesloten dat het ging om een ‘intentietremor’ zoals bedoeld in de NHG richtlijn Essentiele tremor.
     

4.2     De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Zij heeft steeds het belang van patiënte voorop gehad en heeft naar haar inzicht juist gehandeld en er is geen sprake geweest van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.
 

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
 


De criteria voor de beoordeling

5.1     De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

5.2     Het college merkt allereerst op dat het zeer verdrietig is dat patiënte is overleden. Het college realiseert zich dat het overlijden van patiënte een enorme impact heeft gehad op het leven van klaagster en haar familie. Het college heeft daar oog voor maar zal toch op een zakelijke manier moeten beoordelen of verweerster de zorg heeft verleend die van haar mocht worden verwacht.

5.3     De verschillende klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De klacht is enerzijds ingegeven door de wens het medisch dossier in te zien in verband met mogelijke erfelijke aandoeningen, maar dat is door verweerster besproken in haar brief van 27 maart 2025. Voorts heeft verweerster klaagster meegedeeld met welke klachten patiënte bij haar bekend was (en welke klachten niet bekend waren). Het vermoeden van klaagster dat niet conform bepaalde protocollen is gehandeld is ingegeven door de veronderstelling dat patiënte leed aan hartfalen en dat verweerster dat onvoldoende heeft onderkend. Het medisch dossier van patiënte vermeldt slechts één consult vier maanden vóór het overlijden van patiënte. Daaruit kan het college niet afleiden dat de consultvoering onzorgvuldig was en ook overigens zijn er geen aanwijzingen dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Slotsom
5.4     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing

Het college:

  • verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
     

Deze beslissing is gegeven op 3 juli 2026 door J. Sap, voorzitter, A.H.M. van den Nieuwenhof en G.S.H. Vegt, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door K.M. Dijkman, secretaris.

secretaris                                                                                           voorzitter


 


Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.