We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRZWO:2026:103 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8580

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:103
Datum uitspraak: 26-06-2026
Datum publicatie: 26-06-2026
Zaaknummer(s): Z2025/8580
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen huisarts. De huisarts heeft de zoon van klaagster gezien vanwege klachten die zij geduid heeft als sinusitis. De zoon van klaagster is twee dagen nadat de huisarts hem voor het laatst zag opgenomen in het ziekenhuis.Daar is hij enige tijd later overleden aan de gevolgen van een doorgebroken sinusitis die heeft geleid tot intracerebrale abcessen en uiteindelijk een uitgebreid beeld van cerebritis. Het college begrijpt goed dat klaagster met de kennis van nu het gevoel heeft dat zij en haar zoon ten tijde van het consult door de huisarts niet serieus genomen zijn. Maar het college moet het handelen van verweerster beoordelen op basis van de informatie die toen beschikbaar was. Verweerster naar het oordeel van het college voldoende onderzoek gedaan en zij kon op basis van haar bevindingen tot haar diagnose en beleid komen. 


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing van 26 juni 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klaagster,

tegen

C,

huisarts,

destijds werkzaam in B,

verweerster, hierna ook: de huisarts,

gemachtigde: mr. B.D.W. Martens, advocaat te Den Haag.

1. De zaak in het kort
 

1.1    Klaagster klaagt over de behandeling van haar overleden zoon. Zij vindt dat de huisarts niet goed gehandeld heeft.
 

1.2     Het college komt tot het oordeel dat de verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hierna licht het college dat toe.
 

2. De procedure
 

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift, ontvangen op 2 juni 2025;
  • de brief van de secretaris aan klager van 30 juni 2025;
  • het aanvullende klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 9 juli 2025;
  • het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 4 september 2025;
  • het proces-verbaal van het op 13 november 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek.

2.2    De zaak is behandeld op de openbare zitting van 29 mei 2026. Klaagster en verweerster zijn verschenen. Klaagster is verschenen samen met een zoon van haar. Verweerster werd bijgestaan door haar gemachtigde. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigde van verweerster heeft pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.
 

3. De feiten
 

3.1     Klaagster klaagt over de behandeling van haar zoon E, geboren in 2007 en overleden op 30 september 2024, verder patiënt te noemen.

Klaagster belde op 9 september 2024 met de praktijk van verweerster en vertelde dat patiënt sinds een week verkouden was, een volle neus had, hoofdpijn had en geen koorts had. Klaagster dacht zelf aan voorhoofdsholteontsteking. Er was geen pijn bij bukken of kauwen en hij had geen opgezwollen oogleden. Er werd telefonisch advies gegeven: “neusspray/stomen/zoutwater, pijnstilling”.
 

3.2       Verweerster heeft patiënt vervolgens op 11 september 2024 gezien op haar spreekuur. Hij had last van hoofdpijn en was al twee weken verkouden. In het dossier staat het volgende genoteerd:

“Info: veel hoofdpijn, verkouden. Ha 2 weken verkouden, neus verstopt

O temp 38.8, helder, geen tachypneu sat 98% pulm vag, asd ga drukpijn sinus frontalis en maxillaris bdz, mong ga

E acute rinosinusitis

P rec/xylo

P R/20 amoxicilline caps 500mg (3.1)”
 

3.3       Verweerster heeft antibiotica voorgeschreven als voorzorgsmaatregel omdat patiënt op 9 september 2024 nog geen koorts had maar op 11 september 2024 wel. Ook vertelde patiënt over een geplande training bij defensie die op korte termijn zou plaatsvinden. Dit was een extra argument voor verweerster om een antibioticakuur voor te schrijven samen met de neusspray. Patiënt heeft de laatste tablet van de kuur tijdens zijn training voor zijn opleiding bij defensie ingenomen. Tijdens de training was er niks aan hem te merken.
 

3.4       Op maandag 23 september 2024 om 8.10 uur nam klaagster telefonisch contact op met de praktijk van verweerster omdat het sinds zondag niet goed ging. Patiënt at niet meer en had last van hoofdpijn. Klaagster vertelde de assistente dat de kuur klaar was, maar dat de klachten aanhielden. Er was geen sprake van koorts. De assistente gaf aan dat ze zou overleggen met de huisarts en dat er teruggebeld zou worden. Klaagster heeft zelf om 12.30 uur opnieuw met de praktijk gebeld, maar er werd niet opgenomen. Zij is naar de praktijk gegaan en heeft de assistente gesproken. Er is vervolgens een afspraak gemaakt voor 15.40 uur. Uiteindelijk zag verweerster patiënt om 16.20 op haar spreekuur. Verweerder heeft in het dossier het volgende genoteerd:

“Kuur is op geen koorts meer, wel nog holtes en hoofdpijn, geen nekpijn of oor klachten

O helder, geen zieke indruk temp 36.7 geen nekstijf, isocoren pupillen Geen andere alarm symptomen

E acute rinusinusitis

P afwachtend beleid ivm holtesverstopping Nu fluticasone neusspray 2dd”

3.5       Op 25 september 2024 had klaagster een afspraak buitenshuis. Zij werd door de buurvrouw gebeld dat patiënt niet reageerde toen zij aanbelde. Toen klaagster thuiskwam trof zij patiënt liggend op de bank, hij was incontinent en was niet aanspreekbaar. Zij heeft meteen verweerster gebeld en die heeft met spoed (U1) de ambulance gestuurd. Verweerster is daarna zelf ook naar het ziekenhuis in B gegaan. Er werd een scan gemaakt en daaruit volgde dat er waarschijnlijk sprake was van een cerebraal abces. Patiënt werd overgeplaatst naar D. Patiënt is in geopereerd. Daarna ging patiënt neurologisch en hemodynamisch achteruit en bleek er sprake van uitgebreide cerebritis (= een ontsteking van de hersenen). In overleg met de familie is besloten de IC-behandeling te staken.

3.6       Op 30 september 2024 is patiënt overleden. Verweerster werd hiervan via de postverwerking op de hoogte gesteld.

3.7       Zij heeft de volgende dag contact opgenomen met de familie met de vraag of er behoefte was aan een bezoek. Klaagster en haar andere zoon hadden hier geen behoefte aan. Vanuit de huisartsenpraktijk is er een rouwkaart gestuurd en verweerster heeft op persoonlijke titel ook een brief gestuurd.

3.8       Klaagster en een zoon van haar zijn later naar een andere huisarts overgestapt.

4. De klacht en de reactie van de huisarts
 

4.1     Klaagster verwijt de huisarts:

  1. dat zij bij het tweede consult op 23 september 2024, gelet op alle symptomen en gelet op het feit dat klaagsters zoon had aangegeven te denken aan een hersenvliesontsteking, nader onderzoek had moeten (laten) doen zoals bloedonderzoek;
  2. dat zij een corticosteroïde neusspray heeft voorgeschreven die de situatie heeft verslechterd, en die neusspray niet voorgeschreven had mogen worden;
  3. dat zij klaagster en haar zoon niet serieus heeft genomen, verweerster bleef zeggen dat alles goed zou komen en dat klaagster zich veel te druk maakte.

4.2     De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Zij merkt allereerst op dat het vreselijk is wat er gebeurd is. Gelet op haar bevindingen tijdens het eerste en tweede consult en het klinische beeld tijdens deze consulten en met inachtneming van de geldende NHG-richtlijn Acute rhinosinusitis waren er op dat moment geen symptomen aanwezig die wezen op een gecompliceerde sinusitis. Zij heeft conform de richtlijn de juiste diagnose bij de gepresenteerde klachten gesteld en juiste behandeling toegepast. Daarbij is relevant dat tussen het eerste en tweede consult twee weken zijn verstreken. Toen verweerster patiënt op 23 september 2024 weer zag was er nog geen sprake van een ernstige verslechtering van zijn medische toestand en was de eerder gestelde diagnose nog steeds valide. Er was op dat moment geen aanleiding voor verder onderzoek in de vorm van een bloedonderzoek en of beeldvormend materiaal. Het feit dat er twee dagen later een hersenabces is geconstateerd is zeer droevig, maar kan haar niet worden verweten. Zij heeft gehandeld op basis van de informatie en kennis die zij op dat moment had en kon hebben en heeft daarmee voldoende zorgvuldig gehandeld, aldus de huisarts.

4.3    Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college

De criteria voor de beoordeling

5.1     De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.

Klachtonderdeel a) Verweerster had tijdens het consult op 23 september 2024 nader onderzoek moeten doen.

5.2     Uit het overgelegde dossier en uit hetgeen verweerster ter zitting heeft verklaard blijkt dat verweerster tijdens het consult voldoende onderzoek heeft gedaan. Verweerster heeft genoteerd dat patiënt geen zieke indruk maakte, zij heeft de temperatuur gemeten en er was geen sprake van koorts. Zij heeft verder geen alarmsymptomen waargenomen. Er was geen sprake van nekpijn of nekstijfheid en de pupillen waren normaal. Klaagster stelt zich op standpunt dat patiënt benoemd heeft dat hij dacht aan hersenvliesontsteking. Verweerster stelt dat dit niet ter sprake is gekomen tijdens het consult, maar stelt dat zelfs als dit wel het geval zou zijn geweest zij ook in dat geval gelet op haar bevindingen geen nader onderzoek had hoeven doen. Het college is dit met verweerster eens. De klachten van patiënt gaven op dat moment met de kennis en bevindingen van toen geen aanleiding voor nader onderzoek. Verweerster heeft gehandeld overeenkomstig de professionele standaard (de NHG-richtlijn Acute rhinosinusitis, hierna de Richtlijn). Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel b) Verweerster heeft een verkeerde neusspray voorgeschreven
5.3     Klaagster stelt dat zij van artsen in het ziekenhuis te horen heeft gekregen dat de voorgeschreven neusspray niet gebruikt had mogen worden. Het college overweegt dat dit niet blijkt uit de brief van de kinderarts uit D die bij de stukken zit en ook anderszins is dit niet komen vast te staan. Op basis van de klachten kon verweerster tot de diagnose restklachten van rhinosinusitis komen en volgens de Richtlijn kan bij het uitblijven van verbetering na veertien dagen de door verweerster voorgeschreven neusspray worden overwogen. Het vermoeden van klaagster dat de neusspray de ziekte heeft verergerd, is overigens onjuist. Hooguit heeft de neusspray geen resultaat gehad. Ook dit klachtonderdeel slaagt niet.

Klachtonderdeel c) Verweerster heeft klaagster en haar zoon niet serieus genomen
5.4     Het is heel triest dat patiënt twee dagen na het laatste consult bij verweerster is opgenomen nadat zijn toestand verslechterde en uitermate verdrietig dat hij daarna is overleden aan de gevolgen van een doorgebroken sinusitis die heeft geleid tot intracerebrale abcessen en uiteindelijk een uitgebreid beeld van cerebritis. Het college begrijpt goed dat klaagster met de kennis van nu het gevoel heeft dat zij en haar zoon ten tijde van het consult op 23 september 2024 niet serieus genomen zijn. Het college moet het handelen van verweerster beoordelen op basis van de informatie die op dat moment beschikbaar was bij de huisarts. Zoals hiervoor ook overwogen is heeft verweerster naar het oordeel van het college voldoende onderzoek gedaan en kon zij op basis van haar bevindingen tot haar diagnose komen. Niet gebleken is dat zij klaagster en haar zoon niet serieus heeft genomen.

Slotsom
5.5     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn.




Deze beslissing is gegeven door J. Sap, voorzitter, M.H. Erich, lid-jurist,
A.H.M. van den Nieuwenhof en G.S.H. Vegt en N.G. Hartwig, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door K.M. Dijkman, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.

secretaris                                                                                           voorzitter




 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.