ECLI:NL:TGZRZWO:2025:169 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8690
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2025:169 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-12-2025 |
| Datum publicatie: | 23-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8690 |
| Onderwerp: | Onheuse bejegening |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een huisarts kennelijk ongegrond. Klager stond ingeschreven bij de huisartsenpraktijk van verweerder. Klager bezocht meerdere keren het spreekuur van verweerder. Klager verwijt de huisarts, onder meer, dat hij onvoldoende zorg heeft verleend en onzorgvuldig heeft gehandeld bij het voorschrijven van medicatie. Ook zou verweerder volgens klager ongepast op hem hebben gereageerd. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing in raadkamer van 19 december 2025 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
tegen
C,
huisarts,
werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. D. Benamari, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager was van juni 2023 tot en met oktober 2024 patiënt bij de huisartsenpraktijk
van verweerder. In deze periode is klager meerdere keren gezien door de huisarts.
Klager verwijt de huisarts, onder meer, dat hij onvoldoende zorg heeft verleend en
onzorgvuldig heeft gehandeld bij het voorschrijven van medicatie. Ook zou de huisarts
volgens klager ongepast op hem hebben gereageerd.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe
het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 3 juli 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 15 september 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek).
Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3. De feiten
3.1 Verweerder is huisarts en praktijkhouder van Huisartsenpraktijk E
(verder: de praktijk).
3.2 Klager, geboren in 1953, was van juni 2023 tot en met oktober 2024 patiënt in de praktijk.
3.3 Op 20 september 2023 belde klager naar de praktijk. Genoteerd werd (letterlijk weergegeven): “Info: last van het achterhoofd + langdurige ezceemklachten. Belt afspraak af, klachten lijken te verbeteren. Indien nodig belt hij voor een nieuwe afspraak.”
3.4 Op 22 november 2023 bezocht klager voor het eerst het spreekuur van verweerder vanwege ‘pijnklachten in de nek’. Verweerder noteerde dat sprake was van hypertonie van de spieren en dat klager zijn klachten relateerde aan zijn zithouding op de fiets. Verweerder verwees klager naar de fysiotherapeut.
3.5 Op 10 januari 2024 bezocht klager opnieuw het spreekuur van verweerder, ditmaal vanwege last van trillen van de hand en moeite met schrijven en omdraaien. Verweerder noteerde in het dossier dat er sprake was van een tremor rechts meer dan links, asymmetrische gang en het niet meebewegen van één arm. Gedacht werd aan de ziekte van parkinson/parkinsonisme en verweerder verwees klager eenmalig naar de neuroloog voor verder onderzoek.
3.6 Op 30 januari 2024 concludeerde de neuroloog dat er geen aanwijzingen waren voor de ziekte van parkinson/parkinsonsime en verwees klager terug naar verweerder. De neuroloog nam diezelfde dag telefonisch contact op met de doktersassistente van de praktijk. De assistente noteerde hierover (voor zover relevant en letterlijk weergegeven):
“Neuroloog tel: we krijgen nog een brief over haar bevinden maar ze wou even wat delen. Ze denkt niet aan parkinson maar ze verdenkt dhr ervan een psychose te hebben. Hij gaf aan te worden bedreigd (dit zou hij ook met de HA heben besproken maar die zou hem uitgelachen hebben).”
3.7 Op 31 januari 2024 bezocht klager opnieuw het spreekuur van verweerder. Verweerder noteerde dat klager tijdens dit consult aangaf last te hebben van criminelen die zenders in zijn kussen stoppen en dat de neuroloog gezegd zou hebben dat zijn klachten door stress werden veroorzaakt. Verweerder vermoedde dat er bij klager sprake was van een “andere/niet gespecificeerde psychose(n): wanen” en zou overleggen met een psychiater.
3.8 Op 2 februari 2024 stelde verweerder aan klager voor te starten met een antipsychoticum (olanzapine) om zijn gedachten te structureren, angst te dempen en ook om beter te slapen. Als alternatief benoemde verweerder een tijdelijk slaapmiddel. Klager koos ervoor om te starten met olanzapine (2,5 mg) en er werd een controleafspraak na twee weken gepland.
3.9 De controleafspraak vond op 16 februari 2024 plaats. Uit het medisch dossier blijkt dat klager aan verweerder aangaf “al jaren slaapproblemen te hebben en dit met drie psychiaters te hebben besproken die hem verzekerd hadden dat het echt is en geen psychose en dat de vorige die hem geholpen had vermoord is”. Klager wilde niet doorgaan met het gebruik van olanzapine omdat dit volgens hem geen effect had. Verweerder schreef aan klager slaapmedicatie voor en zag geen mogelijkheid tot verplichte zorg.
3.10 Op 6, 14 en 15 mei 2024 bezocht klager het spreekuur van een huisarts in opleiding (verder: AIOS) in verband met pijn in beide benen. Op 14 mei 2024 werd er een enkel-armindexmeting aangevraagd om de mate van doorbloeding van de benen vast te stellen. Deze werd op 15 mei 2024 uitgevoerd en bleek normaal. Tijdens het consult van 15 mei 2024 werd er door de AIOS een algemeen labonderzoek aangevraagd met polyneuropathie lab. Er werd afgesproken dat indien de vitamines B laag waren, er zou worden gesuppleerd en dat verbetering zou worden afgewacht. Indien er andere afwijkingen uit het labonderzoek zouden volgen, dan zou er gehandeld worden naar bevind van zaken. Als er helemaal geen afwijkingen uit het labonderzoek zouden volgen, zou klager weer op het spreekuur gezien kunnen worden.
3.11 Op 27 mei 2024 waren de labuitslagen bekend. Genoteerd werd: “Labuitslagen normaal. Vitamine B normaal. Mag door gaan met suppletie bij vegetarisch
dieet.” Op
29 mei 2024 werden de labuitslagen telefonisch met klager besproken.
3.12 Op 18 oktober 2024 schreef klager zich uit bij de praktijk, omdat hij was verhuisd.
3.13 In april en mei 2025 stuurde klager enkele brieven naar de praktijk waarin hij zijn onvrede uitte. Verweerder heeft op 16 april 2025 en 6 juni 2025 hier schriftelijk op gereageerd.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klager verwijt de huisarts dat hij:
- woedend op klager heeft gereageerd, omdat klager iets gezegd zou hebben over verweerder en hij klager vervolgens uitsloot van medische zorg;
- medicijnen heeft voorgeschreven voor een ziekte waarvan in het medisch dossier staat dat klager die ziekte niet heeft;
- zonder uit zijn stoel te komen van een afstand riep dat er niks aan de ernstige achterhoofdpijn van klager te doen viel;
- afspraken heeft gemaakt met andere huisartsen om geen patiënten over te nemen;
- bloedonderzoek heeft gemanipuleerd en heeft beweerd dat klager gewoon door kon gaan
met zijn homeopatische dieet.
4.2 De huisarts stelt zich op het standpunt dat hij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en heeft het college verzocht de klacht in alle onderdelen ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
Het oordeel van het college
5.2 Het college oordeelt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld. Het college licht dat als volgt toe.
Klachtonderdelen a), c), d) en e) onheuse bejegening, uitsluiten medische zorg, onderlinge afspraken huisartsen en manipulatie bloedonderzoek
5.3 Omdat deze klachtonderdelen betrekking hebben op het gedrag van de huisarts jegens klager en het uitsluiten dan wel overnemen van zorg, zal het college deze gezamenlijk bespreken.
5.4 Volgens klager heeft de huisarts woedend op hem gereageerd, omdat klager hem een prutser genoemd zou hebben nadat hij een totaal foute diagnose bij klager had gesteld. Klager meent vervolgens door de huisarts te zijn uitgesloten van medische zorg. Ook zou de huisarts volgens klager afspraken met andere huisartsen hebben gemaakt om geen patiënten over te nemen en bloedonderzoek hebben gemanipuleerd.
5.5 De huisarts herkent zich niet in de gemaakte verwijten en betwist uitdrukkelijk dat hij zich jegens klager woedend heeft uitgelaten. Volgens hem zijn alle contacten professioneel en zorgvuldig verlopen. Tijdens het consult op 31 januari 2024 heeft de huisarts het door klager gestelde “uitlachen” expliciet met hem besproken en gevraagd of er voldoende vertrouwen bestond in de behandelrelatie hetgeen door klager werd bevestigd, aldus de huisarts. Ook na 31 januari 2024 is klager meerdere malen op het spreekuur gezien. Op geen enkel moment is er sprake geweest van het weigeren van zorg of het verbreken van de behandelrelatie door de huisarts. De huisarts betwist ten stelligste dat er afspraken zijn gemaakt met collega-huisartsen om patiënten niet over te nemen. Tot slot geeft de huisarts aan dat hij het door de AIOS aangevraagde bloedonderzoek niet gemanipuleerd had en dat hij hier bovendien ook geen enkel belang bij had.
5.6 Het college stelt vast dat de lezingen van klager en de huisarts over de gebeurtenissen tijdens het consult van 31 januari 2024 en in de periode daarna uiteenlopen. Deze lezingen verschillen niet alleen over de gebruikte woorden (‘prutser’ en ‘van een afstand roepen dat er niks aan de ernstige achterhoofdpijn te doen valt’) en op welk moment die woorden precies gebruikt zouden zijn, maar ze verschillen ook over gebruikte non-verbale communicatie. Het is in dit geval voor het college niet te reconstrueren wat er precies is gezegd en hoe de contacten zijn verlopen. Ook niet als het college daarbij de verslaglegging van de huisarts in ogenschouw neemt. Dat betekent dat niet kan worden vastgesteld of de huisarts klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van de huisarts, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college dus, ook als aan het woord van klager en van de huisarts evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen.
5.7 Dat klager vervolgens door de huisarts werd uitgesloten van medische zorg en dat er door hem afspraken waren gemaakt met collega-huisartsen om geen patiënten over te nemen, blijkt niet uit de beschikbare stukken. In het medisch dossier zijn ook geen aanknopingspunten te vinden voor de juistheid van de - verder niet onderbouwde - stelling van klager dat de uitslagen van het bloedonderzoek door de huisarts zouden zijn gemanipuleerd. Deze verwijten missen dan ook feitelijke grondslag.
5.8 Om de hierboven genoemde reden worden de klachtonderdelen a, c, d en e kennelijk ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel b) voorschrijven medicatie
5.9 Volgens klager heeft de huisarts medicijnen aan hem voorgeschreven, terwijl in het medisch dossier staat dat hij die ziekte niet heeft.
5.10 Uit het medisch dossier blijkt dat de huisarts aan klager een antipsychoticum heeft voorgeschreven op basis van een verdenking van “andere/niet gespecificeerde psychose(n): wanen”. Tijdens het consult van 31 januari 2024 presenteerde klager zich met wanen, hetgeen door de neuroloog een dag eerder werd bevestigd. Het college is van oordeel dat de huisarts de medicatie heeft voorgeschreven op basis van zijn eigen bevindingen en na overleg met een ter zake deskundige psychiater. Daarmee is ook klachtonderdeel b kennelijk ongegrond.
Slotsom
5.11 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.
6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 19 december 2025 door Th.A. Wiersma, voorzitter,
R.M. Oosterhout en A.D.J. van Empel, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door J.E.A. van Dooren-Gerding, secretaris.
secretaris voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.