ECLI:NL:TGZRZWO:2025:132 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8350
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2025:132 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-10-2025 |
| Datum publicatie: | 30-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8350 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen neuroloog gegrond. De neuroloog heeft klaagster in 2015 op basis van neurologisch onderzoek en een MRI-scan gediagnosticeerd met de ziekte van Parkinson. Hierna volgde een jarenlang traject bij onder meer de Parkinsonverpleegkundige en de neuroloog, waarbij klaagster was ingesteld op Parkinsonmedicatie. Bij een uitgevoerde DaT-scan in november 2024 kwam naar voren dat er geen aanwijzingen voor de ziekte van Parkinson waren en dat de diagnose moest worden verworpen. Klaagster verwijt de neuroloog dat zij een verkeerde diagnose heeft gesteld enonvoldoende onderzoek heeft gedaan. Het college volgt klaagster hierin en legt aan de neuroloog een waarschuwing op. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing van 28 oktober 2025 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
tegen
C,
neuroloog,
(destijds) werkzaam in B,
verweerster, hierna ook: de neuroloog,
gemachtigde: mr. drs. E.E. Schmitt-Hoogeterp, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 De neuroloog heeft klaagster in 2015 op basis van neurologisch onderzoek en een
MRI-scan gediagnosticeerd met de ziekte van Parkinson. Hierna volgde een jarenlang
traject bij onder meer de Parkinsonverpleegkundige en de neuroloog, waarbij klaagster
was ingesteld op Parkinsonmedicatie. Eind 2021 heeft de neuroloog de behandeling van
klaagster overgedragen aan een collega neuroloog. Deze zag bij een consult in november
2024 aanleiding om een DaT-scan (Dopamine Transporter-scan) uit te voeren. Hieruit
kwam naar voren dat er geen aanwijzingen voor de ziekte van Parkinson waren en de
diagnose moest worden verworpen.
-
- Klaagster verwijt de neuroloog dat zij een verkeerde diagnose heeft gesteld en
onvoldoende onderzoek heeft gedaan.
-
- Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is en legt als maatregel een
waarschuwing op. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift, ontvangen op 2 april 2025;
- het verweerschrift met bijlagen;
- het proces-verbaal van het op 4 september 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 16 september 2025. De partijen
zijn
verschenen, verweerster werd bijgestaan door haar gemachtigde. De partijen en de
gemachtigde hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Klaagster en de gemachtigde
hebben pleitnotities voorgelezen en aan het college (en door de gemachtigde ook aan
de andere partij) overhandigd.
3. De feiten
3.1 Na verwijzing door de huisarts vanwege klachten van een tremor in de rechterarm,
vermoeidheid, spierpijn en kortademigheid is klaagster op 15 april 2015 voor het eerst door de neuroloog gezien op de polikliniek neurologie. Op basis van neurologisch onderzoek en een MRI-scan heeft de neuroloog het volgende genoteerd:
“Neurologisch onderzoek: afgenomen lidslagfrequentie. Iets vlak affect? Normaal modulerende spraak, geen dysartie. FODS niet a vue. Pup isocoor. LR ++/++. OCM geen paresen, iets hypometrische saccades. GZV intact, gelaatsmotoriek symmetrisch, tong mediaan, intacte tong diadochokinese. Hypertonie rechterenkel. Barré-, hakken- en tenenloop intact. Romberg-, sensibiliteit intact. TNP, KDG intact. DDK handen rechts iets traag, irregulair. Voeten bdz iets irregulair. Staat zonder steun vlot op, loopt vlot, rechtop, normaal gangspoor, afgenomen armswing rechts. Kan hollen. Iets retropulsie. Reflexen +++/+++, VZR bdz plantair. Grofslagige houdingstremor rechterhand. Aanvullende diagnostiek: MRI hersenen: geen intracerebrale afwijkingen.”
Deze bevindingen leidden de neuroloog tot de volgende conclusie:
“Conclusie: hypokinetisch rigide syndroom, rechts geaccentueerd, met grofslagige rusttremor,
zonder afwijkingen op de MRI-scan, al met al passend bij M. Parkinson. Beleid: de
diagnose werd besproken, patiënt kreeg informatiemateriaal mee. Ze zal starten met
Requip modutabs om op te bouwen tot 1 dd 6 mg. Revisie: over 4 weken.”
3.2 Met de diagnose ziekte van Parkinson werd klaagster ingesteld op medicatie en werd een traject gestart waarbij zij in beginsel twee keer per jaar werd gezien door de neuroloog en twee keer per jaar door een Parkinsonverpleegkundige. Gaandeweg het traject werd ook een revalidatiearts bij de behandeling betrokken en startte klaagster met fysiotherapie en logopedie.
3.3 Klaagster kreeg achtereenvolgens verschillende middelen tegen Parkinson voorgeschreven die – ook na verhoging van de dosering – niet het gewenste effect gaven dan wel zorgden voor hinderlijke bijwerkingen. Uiteindelijk heeft de neuroloog klaagster in februari 2016 Sinemet (levodopa/carbidopa) voorgeschreven. Bij de opvolgende controles leek de ziekte onder controle te zijn. Nadat in toenemende mate sprake was van “wearing-off” klachten, is de dosering levodopa in januari 2019 door de Parkinsonverpleegkundige verhoogd. Hierna was de toestand van klaagster stabiel, maar zij had wel slaapproblemen wanneer zij van de apotheek een generieke variant van het middel verstrekt kreeg. Een laatste controle bij de neuroloog vond plaats op 3 maart 2021. Er was op dat moment, en ook bij de hierna volgende consulten bij de Parkinsonverpleegkundige, sprake van een stabiele situatie.
3.4 Vanwege werkzaamheden van de neuroloog in een ander ziekenhuis is de behandeling
van klaagster met ingang van 1 november 2021 overgedragen aan een collega neuroloog.
De eerste controle bij deze neuroloog vond plaats op 19 oktober 2022. Klaagster had
toen bij tijdige inname van de medicatie geen klachten of beperkingen meer. Het uitvoeren
van een DaT-scan, zoals door deze neuroloog voorgesteld, vond klaagster op dat moment
echter niet nodig.
3.5 Bij een volgende controle bij de collega neuroloog op 7 november 2024 constateerde
deze dat klaagster niet achteruitging en dat zij geen verschijnselen vertoonde bij
inname van de medicatie, maar ook geen progressie. In samenspraak met klaagster werd
alsnog besloten tot het uitvoeren van een DaT-scan. Hieruit kwam naar voren dat er
geen aanwijzing was voor een presynaptisch dopaminerge defect en dus geen aanwijzing
voor Parkinson.
4. De klacht en de reactie van de neuroloog
4.1 Klaagster verwijt de neuroloog dat zij:
- een verkeerde diagnose heeft gesteld;
- geen DaT-scan heeft gemaakt voor het stellen van de diagnose.
4.2 De neuroloog heeft het college gevraagd de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de neuroloog de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende neuroloog. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener op dat moment geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
Klachtonderdelen a) en b) verkeerde diagnose en geen DaT-scan
5.2 Het college ziet aanleiding beide klachtonderdelen gezamenlijk te behandelen. Verder neemt het college in ogenschouw dat de neuroloog alleen in de periode van april 2015 tot november 2021 bij de behandeling van klaagster betrokken is geweest, zodat hetgeen zich na deze periode heeft afgespeeld buiten beoordeling blijft.
5.3 Klaagster verwijt de neuroloog dat zij een verkeerde diagnose heeft gesteld en, destijds maar ook in het verdere verloop van de behandeling, geen DaT-scan heeft verricht. Daardoor heeft klaagster jarenlang Parkinsonmedicatie geslikt en moest zij ook stoppen met werken.
5.4 De neuroloog stelt dat zij bij het consult van 15 april 2015 op klinische gronden (op basis van anamnese en lichamelijk onderzoek), in overeenstemming met de richtlijn ‘Ziekte van Parkinson’ van de Federatie Medisch Specialisten, de diagnose heeft gesteld. Ter aanvulling heeft zij een MRI-scan laten verrichten, waaruit geen intracerebrale afwijkingen naar voren kwamen die de oorzaak zouden kunnen zijn van Parkinsonisme, zoals bijvoorbeeld vasculair letsel. Over de diagnose had zij geen twijfel, waardoor een DaT-scan volgens genoemde richtlijn niet geïndiceerd was. Die twijfel ontstond ook niet later in de behandeling, omdat steeds sprake is geweest van klachten en symptomen die kenmerkend zijn voor Parkinson. De klachten namen bovendien steeds af wanneer de dosering van de dopaminerge medicatie werd aangepast.
5.5 Uitgangspunt voor het college is – en tussen partijen is dat ook niet in geschil – dat bij klaagster uiteindelijk ten onrechte de ziekte van Parkinson is vastgesteld. Dit betekent op zichzelf echter nog niet dat de klacht tegen de neuroloog gegrond is. Een tuchtrechtelijk verwijt is slechts op zijn plaats als de neuroloog, bij de wijze waarop zij tot de onjuiste diagnose is gekomen, in strijd heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. De toetsing van dat handelen vindt plaats op grond van wat destijds bekend was en bekend kon zijn, zonder daarbij achterafkennis te betrekken.
5.6 Uit de dossieraantekeningen van 15 april 2015 (zie hierboven onder 3.1) en hetgeen van de zijde van de neuroloog is aangevoerd, leidt het college af dat zij geen toereikend onderzoek heeft gedaan c.q. niet alle bevindingen juist heeft geïnterpreteerd. Zo constateert het college dat de neuroloog onvoldoende de rigiditeit heeft onderzocht, zodat zij niet heeft kunnen vaststellen of sprake was van het zogenoemde tandradfenomeen, een belangrijke indicator voor de ziekte van Parkinson. Daarnaast heeft de neuroloog een grofslagige houdingstremor vastgesteld, hetgeen evenmin wijst in de richting van Parkinson, waarbij men een fijnslagige rusttremor zou verwachten. Als laatste is gebleken dat het kernsymptoom van de ziekte van Parkinson (bradykinesie) alleen via diadochokinese is getest. Hoewel deze test overeenkomsten met de bradykinesietesten kent, is deze minder sensitief en specifiek.
5.7 Naar het oordeel van het college was het onderzoek van 15 april 2015 dan ook onvoldoende concludent en had reeds toen twijfel moeten rijzen aan de juistheid van de diagnose. Dat had de neuroloog, conform de richtlijn, moeten doen besluiten tot het doen van nader onderzoek of het vragen van een medebeoordeling door een in bewegingsstoornissen/ziekte van Parkinson gespecialiseerde neuroloog.
5.8 Zo op 15 april 2015 al niet direct een DaT-scan was geïndiceerd, dan had het
verdere verloop van de (veronderstelde) ziekte daartoe aanleiding moeten geven. Weliswaar
bevestigt als regel een goede respons op de medicatie de diagnose, maar in dit geval
was de reactie op de medicatie wisselend en was de verdere ontwikkeling van klachten
en symptomen (waarbij van achteruitgang geen sprake was) niet te rijmen met de geleidelijke
achteruitgang die men bij de ziekte van Parkinson zou verwachten. Al met al is het
college van oordeel dat de neuroloog aanvankelijk te lichtvaardig heeft besloten tot
de diagnose ziekte van Parkinson en dat zij tijdens de behandeling in de jaren daarna,
ondanks het atypische verloop van de (veronderstelde) ziekte, deze diagnose onvoldoende
in twijfel heeft getrokken (tunnelvisie).
Slotsom
5.9 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht in beide onderdelen gegrond is.
Maatregel
5.10 Het college acht het opleggen van een waarschuwing in dit geval passend en geboden.
Het college onderkent dat de diagnose ziekte van Parkinson niet altijd even gemakkelijk is te stellen, maar adequaat onderzoek is en blijft een vereiste en gaandeweg had bij de neuroloog toch twijfel moeten ontstaan over de juistheid van de diagnose. Bij het opleggen van de maatregel neemt het college mede in aanmerking dat de neuroloog tijdens de zitting heeft verklaard dat zij haar werkwijze niet heeft aangepast en daar ook geen reden toe ziet, zodat het college zich afvraagt of de neuroloog van deze casus wel heeft geleerd.
Publicatie
5.11 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin gelegen dat andere zorgverleners mogelijk van deze zaak kunnen leren,
in het bijzonder dat zij zich bewust moeten blijven van het gevaar van tunnelvisie
en kritisch moeten blijven nadenken over eerder gezette stappen in de behandeling.
De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen
of instanties herleidbare gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt als maatregel een waarschuwing op;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact.
Deze beslissing is gegeven door W.P. Claus, voorzitter, J.C.J. Dute, lid-jurist,
M. Beudel, A.M.V. Dommisse en S.T.F.M. Frequin, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door M.D. Moeke, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober
2025.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.