ECLI:NL:TGZRZWO:2021:19 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 085/2020

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2021:19
Datum uitspraak: 25-01-2021
Datum publicatie: 25-01-2021
Zaaknummer(s): 085/2020
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht over de verleende zorg door de Gz- psycholoog. Beklaagde zou geen goede zorg hebben verleend, het kwaliteitsstatuut niet hebben nageleefd en zonder opgaaf van redenen de behandelovereenkomst stopgezet hebben. Ook zou beklaagde behandelplannen- en evaluaties niet hebben afgegeven aan klaagster. Het college oordeelt, dat beklaagde zich voldoende heeft ingespannen om de behandelplannen te overleggen en dat beklaagde voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe zij vorm heeft gegeven aan de naleving van het kwaliteitsstatuut. Aan de behandeling van klaagster heeft continu een gedegen behandelplan ten grondslag gelegen. Daarnaast oordeelt het college dat een regiebehandelaar als regulier behandelaar kan optreden. Klacht ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing in raadkamer d.d. 25 januari 2021 naar aanleiding van de op 9 juni 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

A , wonende te B,

k l a a g s t e r

-tegen-

C , gezondheidszorgpsycholoog, (destijds) werkzaam te B,

bijgestaan door mr. dr. L.A.P. Arends, advocaat te Nijmegen,

b e k l a a g d e

1.    HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

- het klaagschrift met de bijlagen;

- het aanvullende klaagschrift;

- het verweerschrift met de bijlagen;

- de repliek met de bijlagen;

- de dupliek.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.

2.    DE FEITEN

Op grond van de stukken (waaronder de voortgangsrapportage) dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klaagster, geboren in 1979, stond vanaf 29 augustus 2018 onder behandeling bij GGZ D (hierna: de kliniek). Beklaagde was de regiebehandelaar van klaagster.

Op 14 februari 2019 hebben klaagster en beklaagde voor het eerst kennis gemaakt en het doel van de behandeling besproken. Het doel bestond eruit tot verbetering van de emotieregulatie te komen. Ook het bespreekbaar maken van de thuissituatie van klaagster werd als behandeldoel gesteld.

Naar aanleiding van de thuisproblematiek vond op 12 april 2019 een gesprek plaats tussen de huisarts van klaagster en beklaagde, om de thuissituatie van klaagster te bespreken. Als gevolg van deze bespreking heeft klaagster op 24 april 2019 een klacht ingediend bij de kliniek en verzocht om een nieuwe regiebehandelaar, nu zij stelde geen vertrouwen meer te hebben in beklaagde.

Op 18 juli 2019 is er contact geweest tussen klaagster en beklaagde, nadat klaagster geruime tijd alleen contact had met andere behandelaren in de kliniek. In het gesprek met klaagster van 18 juli 2019 heeft beklaagde uiteengezet nog altijd achter de actie te staan waarin ze contact zocht met de huisarts. Dat het verloop van de actie beter had gekund, heeft beklaagde toegegeven. Klaagster gaf aan niet langer bezwaar te hebben tegen de rol van beklaagde als regiebehandelaar.

Ook is er gesproken over de overstap naar een andere zorgaanbieder vanwege het feit, dat de zorgvraag van klaagster zwaarder was dan de zorg die de kliniek kon bieden.

E werd daarbij gezien als een passende zorgaanbieder. E was echter niet voornemens klaagster over te nemen. Voornoemde instelling gaf aan de problematiek als te crisogeen in te schatten en om die reden geen behandelaanbod te kunnen doen. Vanwege een verleden bij F wilde klaagster aldaar niet onder behandeling staan. Dit gold mede voor de afdeling dialectische gedragstherapie van het G.

Op 28 augustus 2019 heeft er een afsluitend gesprek plaatsgevonden tussen klaagster, de behandelend psycholoog en beklaagde. Naar aanleiding van een eerder multidisciplinair overleg werd besproken dat de behandeling bij de kliniek zou worden afgebouwd, maar dat klaagster nog een periode zou worden gezien door beklaagde. Tevens werd besproken dat middels een second opinion zou worden onderzocht welke verwijzingsmogelijkheden er waren. Aan klaagster is duidelijk gemaakt, dat de zorgverlening bij de kliniek in ieder geval zou worden afgerond. Ook werd het gezamenlijke doel geformuleerd om in goed contact uit elkaar te gaan.

Op 4 september 2019 is tijdens een gesprek tussen klaagster en beklaagde gesproken over de thuissituatie van klaagster. Beklaagde heeft uitgelegd dat binnen de kliniek, op grond van de aanhoudende escalaties in de thuissituatie, geen ruimte meer bestond klaagster te behandelen. Het behandelaanbod sloot niet langer aan bij de problematiek van klaagster. Beklaagde heeft benoemd dat er geen sprake was van zorgweigering, maar dat de mogelijke zorg die de kliniek kon bieden onvoldoende was. De thuissituatie stond een gedegen zorgverlening bij de kliniek in de weg. Als gevolg hiervan werden de behandeldoelen bijgesteld en de koerswijziging van de diagnose, problematiek, hulpvraag en het beleid met klaagster doorgesproken. Het nieuwe behandelplan is echter niet direct door klaagster ondertekend. Klaagster wilde niet worden doorverwezen naar G of kliniek H te I. Klaagster en beklaagde hebben tot slot afgesproken elkaar slechts eenmaal per week te spreken en dat beklaagde niet zou reageren op e-mails van klaagster.

Uit de voortgangsrapportage volgt, dat de thuissituatie van klaagster in de periode van oktober 2019 tot april 2020 nog altijd problematisch was. Beklaagde heeft na telefonisch overleg met klaagster overwogen een melding te doen bij Veilig Thuis. Op 9 april 2020 heeft beklaagde telefonisch contact gezocht met Veilig Thuis. Veilig Thuis heeft beklaagde geadviseerd contact te leggen met Bijzondere zorg om passende hulpverlening voor klaagster in haar thuissituatie te vinden. Bijzondere zorg kon echter weinig hulp bieden, waardoor slechts een melding bij Veilig Thuis resteerde. Op 24 april 2020 heeft beklaagde conform de afspraak met klaagster een melding van huiselijk geweld gedaan bij Veilig Thuis.

Op 7 mei 2020 heeft klaagster beklaagde verzocht om haar behandelplannen te overleggen. Beklaagde heeft klaagster te kennen gegeven dat er slechts één behandelplan was. Daarnaast was er sprake van een conceptbehandelplan, dat is besproken op 13 mei 2020. Er bestond verschil van inzicht over de classificatie van de onderliggende problematiek. Beklaagde constateerde dat er ten aanzien van de behandeling geen gemeenschappelijke basis was.

De voortgangsrapportage vermeldt in de notitie van 20 mei 2020 dat er twee behandelplannen waren. Deze zijn tezamen met het voorstel van het nieuwe behandelplan van september 2019 aan klaagster toegezonden. Op 3 juni 2020 heeft klaagster bij de klachtenbemiddelaar van de kliniek nogmaals verzocht om de behandelplannen. De klachtenbemiddelaar heeft klaagster gemaild dat de stukken op het secretariaat klaar lagen en door haar opgehaald konden worden. Op 4 juni 2020 heeft klaagster een klacht ingediend bij de klachtenbemiddelaar van de kliniek.

Vanaf 4 juni 2020 zijn er meerdere e-mailwisselingen geweest tussen klaagster en beklaagde. Beklaagde heeft het volgende aan klaagster geschreven:

“Straks bel ik je graag mits ook de problemen in de behandeling en in het behandelcontact bespreekbaar zijn.

Probleem in de behandeling is dat er geen overeenkomst is tussen ons over behandeldoelen en aanpak. Probleem in ons contact is dat je mij verwijt dat ik je langdurig tegenwerk en/of weiger onderdelen van jouw dossier aan je te verstrekken.

Ik zie niet voor me hoe we goed verder kunnen in onze samenwerking, als we deze problemen niet eerst kunnen bespreken en hopelijk ook kunnen oplossen.

Laat maar even weten of je, dit standpunt overwegende, wel/ niet wilt dat ik je straks bel.”

Klaagster gaf als reactie alleen zorg te willen en wilde haar schriftelijk ingediende klachten niet tijdens de behandelingen met beklaagde bespreken, omdat dit ten koste zou gaan van de zorg. Beklaagde heeft hier in haar e-mail van 4 juni 2020 als volgt op gereageerd:

“Mocht je er, in de komende tijd, anders over gaan denken en wél mondeling in gesprek willen over de problemen in de behandeling, dan laat het maar weten. Hoor ik niets van, dan ga ik ervan uit dat we vooralsnog schriftelijk zullen proberen om de problemen in de behandeling te bespreken, liefst op te lossen en daarmee ook de samenwerking te herstellen.

Ik ga er, zonder tegenbericht, ook vanuit dat de geplande behandelevaluatie op 29 juni met jou, collega J en mijzelf doorgaat.”

Klaagster stelde dat er sprake was van zorgweigering en heeft de reeds geplande behandelcontacten met beklaagde opgezegd.   

3.    HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT

Klaagster verwijt beklaagde -zakelijk weergegeven- dat:

1.    zij geen stukken, waaronder de behandelplannen en behandelevaluaties, uit het medisch dossier aan klaagster heeft afgegeven ondanks herhaalde verzoeken daartoe;

2.    zij geen zorg van goede kwaliteit heeft geleverd en het kwaliteitsstatuut niet heeft nageleefd;

3.    beklaagde haar behandelplicht jegens klaagster niet is nagekomen door de zorg zonder enige vorm van waarschuwing abrupt te stoppen;

4.    nu beklaagde zowel regiebehandelaar als de behandelend psycholoog was, klaagster niet zou kunnen terugvallen op haar regiebehandelaar die toeziet op de kwaliteit van de zorg, zoals in het geval van onvrede over haar behandelend psycholoog.

4.    HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE

Beklaagde voert -zakelijk weergegeven- aan dat zij met haar handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsbeoefening. Beklaagde voert aan meerdere behandelplannen te hebben opgesteld. Beklaagde heeft nooit geweigerd de behandelplannen te overleggen en zelfs zorg gedragen voor exemplaren die klaagster bij het secretariaat kon ophalen. Beklaagde stelt tevens met zorgvuldigheid en aandacht de zorg aan klaagster te hebben verleend en de zorgverlening aan klaagster nooit te hebben gestaakt. Daarnaast verweert beklaagde zich door te stellen, dat een regiebehandelaar kan en mag handelen als een behandelend psycholoog. In de GGZ fungeren behandelaars als regiebehandelaars. De klacht, en de klachtonderdelen, is kennelijk ongegrond.

5.    DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1          

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Het college oordeelt met betrekking tot klachtonderdeel één dat beklaagde op

20 mei 2020 heeft gereageerd op het verzoek van klaagster de behandelplannen te overleggen. Op dat moment was er nog geen nieuw behandelplan, omdat daar nog geen overeenstemming over bestond tussen klaagster en beklaagde. Een geldig behandelplan kon derhalve op dat moment niet worden toegezonden aan klaagster. Ondanks het feit dat er nog geen overeenstemming bestond over een nieuw behandelplan, heeft beklaagde de voorgaande behandelplannen aan klaagster toegezonden. Tevens heeft beklaagde het voorstel tot het nieuwe behandelplan aan klaagster doen toekomen. Daarnaast heeft de klachtenbemiddelaar van de kliniek in haar e-mailbericht van

4 juni 2020 aan klaagster te kennen gegeven, dat de behandelplannen, alsmede de aantekeningen met betrekking tot de behandelevaluaties, bij het secretariaat op de kliniek klaar zouden liggen. Het college oordeelt, dat beklaagde zich voldoende heeft ingespannen om de behandelplannen, alsmede de behandelevaluaties, aan klaagster te overleggen. Het klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

5.3

Ten aanzien klachtonderdeel twee merkt het college op, dat het kwaliteitsstatuut een model betreft waarin staat opgetekend wat zorgaanbieders in de GGZ geregeld moeten hebben op het gebied van kwaliteit en verantwoording. In het kwaliteitsstatuut is opgenomen welke zorg geboden wordt in de instelling en hoe die zorg is georganiseerd. Het kwaliteitsstatuut geeft de cliënt inzicht in inhoud en verloop van de verschillende fasen van de zorgverlening, zodat deze zich een beeld kan vormen wat hem te wachten staat en wat van hem verwacht wordt.

Het college oordeelt, dat beklaagde voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe zij heeft vormgegeven aan het kwaliteitsstatuut. Aan de behandeling heeft een gedegen behandelplan ten grondslag gelegen met daarin opgenomen een DSM-classificatie. Ook is het voor klaagster altijd duidelijk geweest wie de betreffende zorgverlener was, is klaagster duidelijk gemaakt dat de behandeling bij de kliniek niet effectief kon zijn en dat de zorgverlening zou worden afgebouwd. Tevens hebben er behandelevaluaties plaatsgevonden en zijn er meerdere multidisciplinaire overleggen geweest tussen de behandelaren en overige betrokken partijen, zoals de huisarts. Ondanks dat de zorg zou worden afgebouwd en er gezocht zou worden naar een andere zorginstelling voor klaagster, heeft beklaagde desalniettemin getracht klaagster structurele zorg te bieden. Niet is gebleken dat beklaagde niet gehandeld heeft zoals het een professioneel zorgverlener betaamt, alsmede is niet aannemelijk geworden dat beklaagde het kwaliteitsstatuut heeft geschonden. Het feit dat het nieuwe behandelplan niet direct door klaagster is ondertekend maar slechts tussen beklaagde en klaagster mondeling is besproken, doet daar niet aan af. Bovendien heeft beklaagde het nieuwe behandeldoel op een gedegen wijze genoteerd in de voortgangsrapportage. Het klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

5.4

Het college constateert dat niet is komen vast te staan dat beklaagde zonder enige waarschuwing de zorg aan klaagster heeft stopgezet. Naar aanleiding van een verschil van inzicht met betrekking tot de classificatie van de problematiek en de mondeling onderbouwde afweging van beklaagde dat er geen nieuwe behandelovereenkomst aangegaan werd – namelijk de behandelsetting van GGZ D is niet passend bij de problematiek en thuissituatie van klaagster - stelt beklaagde op een professionele wijze dat er niet langer een gemeenschappelijke basis was voor de behandeling. Uit de voortgangsrapportage volgt, dat beklaagde geprobeerd heeft uitvoerig uitleg te geven om uit de impasse te geraken en dat er van het weigeren van de behandeling geenszins sprake was. Beklaagde heeft vooropgesteld dat voor een behandeling een goede samenwerking nodig was en dat zij graag mondeling met klaagster in gesprek wilde blijven. Indien klaagster alleen schriftelijk wilde communiceren, dan was dat ook mogelijk. Het e-mailbericht van 4 juni 2020 gericht aan klaagster geeft overduidelijk weer, dat beklaagde de zorg niet heeft geweigerd en de dialoog met klaagster gaande heeft willen houden. Beklaagde heeft daarbij, met betrekking tot het vervolg van de behandeling, de ruimte en de keus aan klaagster gelaten hoe zij de communicatie verder wilde invullen. Dit volgt tevens uit de e-mailcorrespondentie tussen de klachtenbemiddelaar van de kliniek en klaagster. Van het abrupt stopzetten van de zorg aan klaagster is geen sprake. Het klachtonderdeel is derhalve kennelijk ongegrond.

5.5

Het college stelt voorop, dat een regiebehandelaar tevens behandelaar is en dat de regiebehandelaar, uit het oogpunt van goede zorg, zoveel mogelijk mee behandelt. Vanwege het feit dat de zorg van klaagster afgebouwd zou worden, is er besloten geen nieuwe zorgverleners meer in te zetten. Derhalve is er geen andere behandelaar meer bijgekomen en heeft beklaagde de psychologische zorg op zich genomen. De psychiatrische zorg is bovendien verleend door de psychiater van de kliniek. Op

28 augustus 2019 is dit uitvoerig besproken met klaagster. Dat beklaagde zowel regiebehandelaar als behandelend psycholoog van klaagster was, kan haar derhalve niet worden tegen geworpen. Het klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

6.    DE BESLISSING

Het college verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gegeven door P.A.H. Lemaire, voorzitter, S.L.M. Jorna en S.M. Pol, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van V.R. Knopper, secretaris.

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.         Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.         Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.         Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.