ECLI:NL:TGZRZWO:2021:117 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/0030
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2021:117 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-12-2021 |
| Datum publicatie: | 24-12-2021 |
| Zaaknummer(s): | Z2021/0030 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen chirurg. Klager verwijt beklaagde de prothese niet diep genoeg in de heupkom te hebben geplaatst, dat de steel van de prothese te klein is en dat de prothese te breed is waardoor de spier die eromheen moet nu te kort is. Het college oordeelt dat de heupcup, conform de preoperatieve planning, op de juiste anatomische plaats in de rand van de heupkom is geplaatst en dat de heupsteel goed is ingebracht. Met betrekking tot klachtonderdelen 2. en 3. is het college van oordeel dat de verwijten van klager - op grond van de postoperatieve röntgenbeelden – niet aannemelijk is geworden. De heupbreedte is thans na de operatie dezelfde als ervoor en is tevens overeenkomstig hetgeen preoperatief was gepland. Dit geldt eveneens voor de steel van de prothese die zowel preoperatief als postoperatief dezelfde afmeting heeft. Klacht ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ZWOLLE
Beslissing d.d. 24 december 2021 naar aanleiding van de op 6 mei 2021 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van
A , wonende te B,
Bijgestaan door: mr. D.P.W.H. Cremers, advocaat te Tilburg,
k l a g e r
-tegen-
C , bedrijfsarts, werkzaam te D,
Bijgestaan door: S.J. Muntinga, jurist bij VvAA Rechtsbijstand te Utrecht
b e k l a a g d e
1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- de brief van de secretaris van 26 mei 2021;
- de reactie van mr. Cremers van 31 mei 2021;
- het verweerschrift.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.
De zaak is behandeld ter openbare zitting van 19 november 2021. Klager is ter zitting vertegenwoordigd door zijn raadsman. Beklaagde is verschenen, vergezeld van zijn gemachtigde.
2. DE FEITEN
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Klager is ten behoeve van zijn re-integratie na ziekte begeleid door bedrijfsarts A. De begeleiding door deze bedrijfsarts is gestaakt, waarna beklaagde is verzocht de verzuimbegeleiding over te nemen. Het door de eerder betrokken bedrijfsarts aangelegde dossier is door deze in een gesloten enveloppe aan klager toegezonden.
In een e-mail van 8 april 2021 heeft beklaagde aan klager meegedeeld dat hij tijd heeft gereserveerd om – kort gezegd – de verzuimbegeleiding over te nemen. Voorts heeft hij klager verzocht het dossier op te sturen of af te komen geven.
Klager heeft het dossier in een gesloten enveloppe en met een apart begeleidend schrijven naar beklaagde gestuurd. In de begeleidende brief van 9 april 2021 staat, voor zover van belang:
“[…] In overleg met mijn werkgever heb ik afgesproken dat ik het volledige bedrijfsgeneeskundig dossier dat ik van [naam vorige bedrijfsarts] heb ontvangen (in een ongeopende enveloppe uiteraard) aan u door leid, hetgeen ik hierbij doe.
Ik kan niet vaststellen of het bedrijfsgeneeskundig dossier van [naam vorige bedrijfsarts] compleet is. Dit is wel van groot belang omdat ik de indruk heb gekregen dat [naam vorige bedrijfsarts] niet alle documentatie die zich in het dossier bevindt ook aan mij heeft doorgeleid.
Mag ik u derhalve vriendelijk verzoeken mij zo spoedig mogelijk na ontvangst van het bedrijfsgeneeskundig dossier te bevestigen door middel van een zogenaamde inventarislijst welke stukken zich in het dossier bevinden? Ik zal dan vervolgens controleren aan de hand van mijn eigen dossier of het bedrijfsgeneeskundig dossier zoals dat thans door u zal worden ontvangen compleet is. Ik neem aan dat indien ik vaststel dat het dossier niet compleet is, ik u aanvullend de ontbrekende gegevens kan doorleiden. […]”
Beklaagde heeft na lezing van dit begeleidend schrijven op 12 april 2021 een brief aan klager gestuurd. In deze brief schrijft beklaagde dat hij niet aan het verzoek van klager zal voldoen omdat – kort gezegd – het aan klager was om vast te stellen of het dossier al dan niet volledig was als hij daar twijfels over had. Beklaagde schrijft verder:
“Ik wil graag samen met u een goede start maken met de verdere begeleiding van uw re-integratie. Maar ik wil op geen enkele wijze worden betrokken in een eventueel dispuut over de inhoud van het dossier. Om een valse start te voorkomen, wil ik daar volstrekt duidelijk over zijn.
Daarom stel ik het volgende voor:
U vertrouwt mij dat ik niets aan het dossier heb toegevoegd, gewijzigd of uit het dossier heb verwijderd en stemt er mee in dat ik het door u aan mij toegezonden dossier als uitgangspunt hanteer voor de verdere begeleiding van uw re-integratie. U laat mij dat weten middels een door u ondertekend schrijven. Pas daarna zal ik inhoudelijk kennis nemen van het dossier, ter voorbereiding op ons eerste gesprek. Vervolgens zal ik een afspraak met u (laten) maken.
Als op een later tijdstip zou komen vast te staan dat het dossier op onderdelen onjuist of onvolledig was, kan door u aan mij te verstrekken aanvullende informatie aan het dossier worden toegevoegd en kunnen feitelijke onjuistheden worden aangepast.
Als u niet kunt instemmen met het bovenstaande moet ik concluderen dat er onvoldoende vertrouwensbasis is om samen met u invulling te geven aan het verdere re-integratietraject en zal ik dat melden aan mijn opdrachtgever.”
Beklaagde is nog dezelfde dag gebeld door klagers gemachtigde mr. Cremers. Daarna heeft klager, nog altijd op dezelfde dag, een brief gestuurd aan beklaagde. In deze brief verwijst klager naar het gesprek dat beklaagde heeft gehad met de “tuchtrechtadvocaat” van klager. Klager schrijft dat hij alle reden heeft om ervan uit te gaan dat het door de voormalige bedrijfsarts toegezonden dossier niet compleet is. Daarnaast schrijft klager:
“In het slot van uw brief doet u mij een voorstel dat volgens mijn advocaat in strijd is met de wet en uw beroepscode. Zoals u weet is een vertrouwensrelatie tussen een werknemer en een bedrijfsarts geen relevant aspect, omdat een werknemer nu eenmaal op aanwijzing van zijn werkgever een bedrijfsarts moét bezoeken en daarin geen keuze en/of zeggenschap heeft, zoals ook in dit geval. Mr. Cremers vertelde mij dat u hiermee ook bekend bent.
Dat u het dossier blijkens het slot van uw brief wel in behandeling heeft genomen en mij vervolgens vraagt om schriftelijk vertrouwen in uw handelwijze uit te spreken om pas na ontvangst daarvan een consult met mij in te plannen, kent geen wettelijk fundament noch is in uw beroepscode voorgeschreven. Nog moeilijker te begrijpen wordt het nu u kennelijk zover wil gaan om het al dan niet vervolgen van uw rol als bedrijfsarts afhankelijk te maken van mijn schriftelijke bevestiging dat ik u moet vertrouwen en genoegen moet nemen met een tekort aan transparantie over wat zich wel of niet in uw dossier bevindt.
Ik begrijp dat mijn advocaat bij u voor mij protest heeft aangetekend tegen deze gang van zaken. Mijn advocaat vertelde mij dat u actief bent in het bestuur van de NVAB, zodat ik – nu u grote kennis van wet- en regelgeving heeft, alsook een voorbeeldfunctie – met een wat onbestemd gevoel blijf zitten bij de wijze waarop u zich nu naar mij en mijn advocaat presenteert.
Hoe dat verder ook zij, mijn advocaat heeft u een pragmatisch voorstel gedaan. Nu het overleggen van een inventarislijst kennelijk bezwaarlijk is, verzoek ik u hierbij om mij het thans het zich onder u bevindende bedrijfsgeneeskundig dossier in kopie toe te zenden, zodat ik – ik schreef dat op 9 april jl. ook – in de gelegenheid ben om na te gaan of het dossier compleet is. In ieder geval is al duidelijk geworden dat de USB-stick die zich in mijn bedrijfsgeneeskundig dossier hoort te bevinden en waarop een gespreksopname van mijn regulier consult gesprek met [naam vorige bedrijfsarts] van 9 oktober 2020 te beluisteren is, zich niet in de door u geopende enveloppe bevond. […]”
Beklaagde heeft vervolgens per brief van 14 april 2021 laten weten de begeleiding niet op zich te zullen nemen. Hij schrijft daarover:
“[…] Ik zie in uw schrijven van 12 april een weergave van het gesprek dat ik hierover had met uw advocaat dhr Cremers die op diverse punten afwijkt van mijn herinneringen aan dat gesprek. En ook geeft de rest van uw schrijven mij weinig vertrouwen dat het mogelijk zal zijn samen met u invulling te geven aan uw re-integratieproces zonder dat voortdurend het “mes op tafel ligt”. Ik begrijp dat uw advocaat van mening is dat vertrouwen geen deel uitmaakt van wat zich tussen werknemer en bedrijfsarts afspeelt en dat u die mening deelt. Daarover verschillen wij van mening en ik verwacht dat weinig bedrijfsartsen die visie zullen delen.
Verder heeft uw advocaat expliciet naar mij uitgesproken dat u geen enkel vertrouwen in mij heeft. Als dat zo is, al voordat wij één woord met elkaar hebben gesproken, is er geen basis om samen aan de slag te gaan. Ik heb dan ook besloten dat ik de begeleiding van uw re-integratie niet op mij zal nemen. [..]”
In een uitgebreide brief van 15 april 2021 heeft klager laten weten verbaasd te zijn over de brief van 14 april 2021 en aangekondigd dat hij zijn advocaat zou vragen hoe hij aankeek tegen het starten van een klachtzaak tegen beklaagde.
Beklaagde heeft in een e-mail aan klager van 16 april 2021 benoemd dat de brief van klager diverse onjuistheden en aannames bevat en hem sterkt in de overtuiging dat er geen basis is om samen aan de slag te gaan met het re-integratieproces.
In een e-mail van 16 april 2021 heeft de werkgever aan klager laten weten de loonbetaling per die datum stop te zetten in verband met het niet meewerken aan de re-integratie.
3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT
Klager verwijt beklaagde - zakelijk weergegeven –:
- geen inzet/tegenwerking bij het verkrijgen van het complete bedrijfsgeneeskundig dossier;
- dat hij in plaats van in een vertrouwensrelatie te investeren en naar de oorzaak van een eventueel ontbreken van vertrouwen te informeren, deze als harde eis/handelswaar heeft verbonden aan het al dan niet starten van bedrijfsgeneeskundige begeleiding;
- dat hij heeft gepolariseerd door middel van het benoemen van een dispuut met de vorige bedrijfsarts dat expliciet niet door klager onderdeel van zijn begeleiding door beklaagde is gemaakt, alsmede door zijn polariserende woordkeuze en drukuitoefening;
- het eenzijdig en ongemotiveerd onttrekken aan en het stopzetten van de re-integratie/verzuimbegeleiding van klager door beklaagde.
Klager heeft verzocht om een proceskostenveroordeling in geval de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond wordt verklaard.
4. HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE
Beklaagde voert – zakelijk weergegeven – aan dat hij met klager tot een basis heeft willen komen om de verzuimbegeleiding te kunnen oppakken. Hij is van mening dat hij daarbij zorgvuldig heeft gehandeld. Beklaagde vindt het heel vervelend dat het niet is gelukt om tot een verzuimbegeleiding te komen.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1.
Algemeen toetsingskader
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Klachtonderdeel a. Geen inzet/tegenwerking bij verkrijgen compleet dossier
Het college merkt op dat klager zijn dossier toegezonden had gekregen van de vorige bedrijfsarts. Hij stuurt dit door aan beklaagde met het verzoek een inventaris op te maken, waarna klager kan controleren of het dossier compleet is. Klager heeft deze procedure zelf passend gevonden, om een reden die hij van belang vond. Het college ziet echter niet op welke grond beklaagde gehouden zou kunnen worden hieraan mee te werken. Klager had het dossier zelf kunnen en mogen inzien en het zelf desnoods kunnen aanvullen. Het college constateert bovendien dat beklaagde op voorhand heeft aangeboden om eventueel ontbrekende stukken aan het dossier toe te voegen en om onjuiste informatie aan te passen. Beklaagde heeft daarmee naar het oordeel van het college een redelijk voorstel gedaan, gericht op het verkrijgen van een werkbare relatie. Hij kon redelijkerwijs niet worden gehouden de door klager voorgestelde – ongebruikelijke - procedure te volgen. Het college is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.
5.3
Klachtonderdeel b. Niet investeren in een vertrouwensrelatie
Partijen hebben gedebatteerd of het bestaan van een vertrouwensbasis tussen een bedrijfsarts en een werknemer relevant is. Klager meent dat een werknemer geen keuze heeft. Hij is verplicht zich aan het oordeel van de bedrijfsarts te onderwerpen. Beklaagde baseert zijn standpunt dat vertrouwen wel van belang is op de beroepscode.
Het college merkt naar aanleiding van deze discussie op dat beklaagde geen acceptatieplicht had. Het stond hem vrij de opdracht al of niet aan te nemen. Het college acht het voorts te begrijpen en niet klachtwaardig dat beklaagde zich wilde vergewissen dat een werkbare relatie met klager mogelijk zou zijn en dat het conflict met de vorige bedrijfsarts zich niet in zijn relatie met klager zou voortzetten.
Beklaagde stelt klager bij mail van 8 april 2021 een afspraak voor om de stand van zaken door te spreken en om de verdere verzuimbegeleiding over te nemen. Tevens verzoekt hij het dossier op te sturen.
In zijn brief d.d. 9 april 2021 stelt klager – door van beklaagde te verlangen een inventaris van zijn dossier te maken – van zijn kant een voorwaarde vooraf. Hij verwijst bovendien naar de vorige bedrijfsarts, van wie hij zegt de indruk te hebben dat deze niet alle documentatie heeft doorgeleid.
Beklaagde reageert hierop bij brief van 12 april 2021. Hierin wijst hij de verzochte inventarisatie af, doet een tegenvoorstel, merkt op dat hij niet wil worden betrokken bij het dispuut en vraagt klager expliciet zijn vertrouwen uit te spreken.
Beklaagde wordt vervolgens gebeld door klagers advocaat. Tevens ontvangt hij een reactie van klager d.d. 12 april 2021 waarin klager spreekt van zijn “tuchtrechtadvocaat”, verdere argumenten opwerpt in de kwestie van het dossier, waarin hij stelt dat beklaagde in strijd handelt met zijn beroepscode en klaagt over beklaagdes presentatie jegens hem en zijn advocaat.
Het college acht het invoelbaar dat beklaagde beducht was betrokken te worden in het conflict met de vorige bedrijfsarts. Het college oordeelt dat beklaagde met zijn bericht van 8 april 2021 een ‘open’ voorstel aan klager heeft gedaan voor een gesprek, waarin hij geen blijk geeft van enige vooringenomenheid. De daaropvolgende reacties van klager refereerden aan het conflict met de eerdere bedrijfsarts. Het college meent dat beklaagde – gezien het hoge tempo waarmee de onderlinge correspondentie zich opvolgde – er wellicht beter aan had gedaan iets meer tijd te nemen voor een reactie en/of collegiale ruggenspraak te zoeken hoe hiermee om te gaan. Bijvoorbeeld door nog een poging te doen klager eerst maar eens op gesprek te krijgen en alles rustig door te praten. Een tuchtrechtelijk verwijt kan beklaagde naar het oordeel van het college echter niet worden gemaakt. Het gaat er immers niet om of beklaagde beter had kunnen handelen, maar of hij is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met hetgeen toen in de beroepsgroep als norm was aanvaard. Een normoverschrijding kan het college in dit geval niet vaststellen. Of een nadere poging tot een gesprek effect zou hebben gehad, is overigens onzeker. Klager is namelijk na ontvangst van de eerste brief van de bedrijfsarts door zijn raadsman geadviseerd niet naar de bedrijfsarts toe te gaan, zo heeft de raadsman van klager ter zitting aangegeven.
5.4
Klachtonderdelen c. Onnodige polarisatie en d. Eenzijdig en ongemotiveerd stopzetten begeleiding
Uit het voorgaande vloeit eveneens voort dat beklaagde niet heeft aangestuurd op onnodige polarisatie. Zoals hiervoor overwogen, was het gezien de snelle uitwisseling van reacties beter geweest als hij geprobeerd had wat meer te ‘temporiseren’. De uitdrukking dat “het mes op tafel ligt” is niet reeds op zichzelf verwerpelijk, ongepast of onnodig escalerend. Beklaagde heeft de uitdrukking bovendien gebruikt in een context, namelijk dat hij op basis van het schrijven van klager van 12 april 2021 weinig vertrouwen had dat het mogelijk zou zijn invulling te geven aan de begeleiding “zonder dat voortdurend het mes op tafel ligt”. Dat is blijkbaar zoals beklaagde het ervoer en dat is gezien de omstandigheden van deze zaak niet onnavolgbaar. Van onnodige polarisatie van de zijde van beklaagde is derhalve niet gebleken. Evenmin is gebleken dat beklaagde de begeleiding eenzijdig heeft stopgezet. De relatie is immers in het geheel niet tot stand gekomen. Daarmee zijn ook deze klachtonderdelen ongegrond.
5.5
Uit het voorgaande volgt dat de klachten ongegrond zijn. Om redenen aan het algemeen belang ontleend, zal worden bepaald dat deze uitspraak in geanonimiseerde vorm zal worden gepubliceerd zodra deze onherroepelijk is.
NaN. DE BESLISSING
Het college:
- verklaart de klachten ongegrond;
- bepaalt dat deze beslissing nadat deze onherroepelijk is geworden in geanonimiseerde
vorm in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal
worden aangeboden aan de tijdschriften ‘Medisch Contact’, ‘Tijdschrift voor Gezondheidsrecht’,
het ‘Tijdschrift voor bedrijfs- en verzekeringsgeneeskunde’ en ‘Gezondheidszorg Jurisprudentie’.
Aldus gegeven door, P.A.H. Lemaire voorzitter, F.P. Dresselhuys-Doeleman lid-jurist,
J. Dogger en M.D. Klein Leugemors en H.M. Kole, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van M. Keukenmeester, secretaris
voorzitter
secretaris
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege
voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk
in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.