ECLI:NL:TGZRZWO:2021:115 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/0055
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2021:115 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 21-12-2021 |
| Datum publicatie: | 23-12-2021 |
| Zaaknummer(s): | Z2021/0055 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klager klaagt over de door beklaagde opgestelde medische rapportage die volgens klager niet aan de daarvoor te stellen eisen voldoet. Het college is van oordeel dat het rapport, gegeven de ratio en reikwijdte van een medisch haalbaarheidsonderzoek, aan de toetsingscriteria voldoet . Voorts is het college van oordeel dat de gang van zaken omtrent het aanpassen van het honorarium geen tuchtrechtelijk verwijt oplevert. De klacht is ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG ZWOLLE
Beslissing d.d. 21 december 2021 naar aanleiding van de op 23 februari 2021 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van
A , wonende te B,
k l a g e r
-tegen-
C , arts, (destijds) werkzaam te D,
bijgestaan door mr. D.M. Pot te VvAA Rechtsbijstand Utrecht,
b e k l a a g d e
1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het medisch dossier.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.
De zaak is behandeld ter openbare zitting van 23 november 2021, waar zijn verschenen klager en beklaagde tezamen met zijn gemachtigde voornoemd.
2. DE FEITEN
Op grond van de stukken (waaronder het dossier) en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
2.1 Beklaagde is op zzp-basis werkzaam bij E. E is specialist op het gebied van letselschade en verzekeringsgeneeskundige beoordelingen. Beklaagde houdt zich sinds 2008 bezig met het opstellen van de medische rapportages in aansprakelijkheidszaken.
2.2. Klager stond in 2014 onder behandeling bij GGZ F voor depressieve klachten, alwaar de diagnose 'Bipolaire II stoornis' is gesteld. In oktober 2019 heeft een psychiater van de voornoemde GGZ de diagnostiek op verzoek van klager heroverwogen en is de diagnose 'depressie, matig ernstig, thans in remissie' gesteld. In een brief van de betreffende psychiater wordt gezegd dat de (eerder gedane) aanname 'Bipolaire II stoornis' niet op feiten is gebaseerd en daarom verworpen moet worden.
2.3. In april 2020 heeft klager GGZ F aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade, waaronder een gedwongen behandeling, twee jaren onder toezicht door de reclassering en onmogelijkheid tot het uitoefenen van het beroep van sociaal medisch adviseur.
2.4. Op 28 september 2020 heeft de advocaat van klager aan E verzocht om een zogenaamd haalbaarheidsonderzoek te verrichten. Het onderzoek ziet erop om te beoordelen of de diagnose bipolaire II stoornis door GGZ F al dan niet terecht is geweest. E heeft beklaagde verzocht om het onderzoek uit te voeren.
2.5. Op 30 september 2020 heeft beklaagde een offerte voor een beoordeling van een mogelijk verkeerde medische behandeling van € 1.260,00 ex btw opgesteld, bestaande uit totaal 6 uren, waarvan 3 uur dossierstudie en 3 uur advies, tegen een uurtarief van € 210,00 ex btw.
2.6. Op 24 november 2020 heeft beklaagde aan de advocaat van klager verzocht om het geoffreerde aantal uren aan te passen van 6 naar 10. Beklaagde geeft aan dat hij al geruime tijd bezig is met het dossier en het opmaken van het rapport om die reden meer tijd dan geoffreerd in beslag zal nemen. Bij e-mailbericht van 26 november 2020 heeft de advocaat van klager akkoord gegeven voor het in rekening brengen van in totaal
10 uren.
2.7. Op 1 december 2020 heeft beklaagde het door hem opgestelde rapport met de bijbehorende factuur van € 2.541,00 (totaal 10 uren) aan de advocaat van klager toegezonden. In het rapport staat onder meer vermeld:
"VRAAGSTELLING
Uw verzoek aan de medisch adviseur is om te beoordelen of hier sprake is van evident en aantoonbaar/bewijsbaar (haalbaar) medisch onzorgvuldig handelen.
1. Beschikt u over voldoende medische informatie voor een min of meer afgerond oordeel of heeft u nog aanvullende informatie nodig en zo ja, welke informatie heeft u nog nodig en waarom?
2. A. Welke diagnose is gesteld en welke behandelingen zijn toegepast?
B. Wat was het resultaat van de onder A genoemde diagnose en behandelingen?
C. Zijn deze diagnose en behandelingen in uw optiek adequaat en in overeenstemming met de daarvoor geldende professionele standaard geweest?
D. Zo neen, is er daardoor een vermijdbare en dus verwijtbare medische fout?
(…)
D. Beantwoording van uw vragen.
1. Ja, ik beschik over voldoende medische informatie voor een min of meer afgerond oordeel.
2. A. Aanvankelijk was de diagnose 'Bipolaire II Stoornis'. Vanaf begin 2019 werd als DSM-diagnose op As I gesteld "geen diagnose”. Later - zie brief G- luidde de diagnose 'Depressie. Matig ernstig thans in remissie.'
2. B. Zie hierboven de gegevens onder C. 1-4. Voor wat betreft de diagnose vanaf 2019 'depressie' heb ik in de stukken niet gezien dat daarvoor behandeling is ingesteld.
2. C. Ja. Als standaarden heb ik beschouwd de 'Diagnostische criteria van de DSM-IV' 1997, en de Richtlijn betreffende BP-Stoornissen, 2014/2015.
2. D. Voor een dergelijke fout heb ik onvoldoende aanknopingspunten gevonden.
Slotopmerking:
Vanwege het sterk uiteenlopen van de standpunten t.a.v. de diagnose, kan een expertise door een onafhankelijke psychiater wellicht meer helderheid verschaffen. Met name indien de twijfel over de zorgvuldigheid van het handelen door de behandelaren met het bovenstaande advies niet is weggenomen.
CONCLUSIE(S)/ADVIES
Gelet op de diverse visies op de diagnose - wel BPS: geen BPS, depressie in remissie, geen DSM-diagnose, slaapstoornissen - evenals de visies van de psychiater H en I, dunkt mij een expertise door een onafhankelijk psychiater raadzaam.
Dit omdat er door dezelfde beroepsgenoten - allen psychiaters (en psychologen) - tegenover elkaar staande diagnostische stellingen betrokken worden."
2.8. Bij brief van 8 december 2020 heeft klager zijn ongenoegen over de inhoud van de rapportage aan zijn advocaat kenbaar gemaakt. Kort gezegd heeft klager aangegeven dat de rapportage niet geaccepteerd kan worden. Het rapport bevat volgens klager inconsistenties, een deugdelijke motivering ontbreekt en de beantwoording van de vragen is incompleet. Klager is de mening toegedaan dat het rapport een onjuist beeld van hem weergeeft en een versterking kan zijn van de negatieve beeldvorming over klager.
2.9. Bij brief van 15 januari 2021 heeft klager zijn reactie op het proces en de inhoud van de rapportage aan E, t.a.v. beklaagde, kenbaar gemaakt. Hierop heeft klager van beklaagde geen reactie ontvangen. E heeft wel op 5 februari 2021 gereageerd.
3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT
Klager verwijt beklaagde - zakelijk weergegeven - dat hij
1. zonder voldoende kennis, ervaring en deskundigheid op het gebied van de psychiatrie en zonder klager te hebben gezien een (onvolledige) rapportage heeft opgesteld,
2. geen toelichting heeft gegeven op de door de advocaat geformuleerde vragen dan wel de vragen onvoldoende heeft beantwoord,
3. zonder kennis te nemen van de door klager geuite bezwaren een eenzijdig rapport heeft opgesteld dat grote negatieve gevolgen kan hebben voor klager,
4. teveel uren heeft besteed aan het opstellen van het rapport,
5. grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond door een verdubbeling van het honorarium te bedingen alvorens de rapportage was afgerond.
4. HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE
Beklaagde voert - zakelijk weergegeven - aan dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen geen sprake is geweest. Ten aanzien van de verschillende klachtonderdelen heeft hij kort gezegd het volgende aangevoerd.
1. Beklaagde voert aan dat zijn rapportage op zorgvuldige en deskundige wijze tot stand is gekomen en bovenal voldoet aan de daarvoor gestelde eisen. Beklaagde heeft de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het rapport berust vermeld. Dit is op inzichtelijke en consistente wijze gedaan. Daarnaast is beklaagde binnen de grenzen van zijn deskundigheid gebleven en geeft het rapport blijk van een geschikte methode van onderzoek om de vragen te beantwoorden. Op basis van de gestelde eisen heeft beklaagde een rapport opgesteld waarin hij is nagegaan of de betreffende zorgverlener in redelijkheid tot de gestelde diagnose kon komen.
2. Beklaagde heeft de vragen wel beantwoord en ook van voldoende toelichting voorzien. Hij is uitgebreid ingegaan op de medische informatie en de literatuur en heeft de antwoorden op de vragen in zijn gehele rapport verwerkt (maar niet enkel op het einde bij de antwoorden op de gestelde vragen/conclusie vermeld).
3. De brieven die klager aan E heeft gestuurd, heeft beklaagde helaas niet (eerder dan bij de tuchtklacht) ontvangen, waardoor hij ook niet kon responderen op de brieven. Beklaagde betreurt dit. Hij heeft E verzocht om de werkwijze aan te passen bij het binnenkomen van een reactie op een rapportage. Dat beklaagde geen reactie heeft gegeven, kan hem gezien de omstandigheden niet worden verweten.
4. Beklaagde heeft zich verkeken op de omvangrijkheid van het dossier en dat spijt hem. Na constatering hiervan heeft hij contact opgenomen met de advocaat van klager. Achteraf bezien had hij zijn verlies moeten nemen en niet meer dan 6 uren moeten declareren. Van een verdubbeling van het aantal uren is geen sprake.
5. Beklaagde heeft lering getrokken uit de klacht. Bij overschrijding van het aantal geoffreerde uren zal beklaagde deze in het vervolg niet meer in rekening brengen.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Het college oordeelt met betrekking tot klachtonderdelen 1) en 2) als volgt. Het rapport van beklaagde betreft een ‘medisch haalbaarheidsonderzoek’. Een zodanig rapport moet worden aangemerkt als een medisch deskundigenbericht, dat volgens vaste jurisprudentie van het CTG aan de volgende criteria moet worden getoetst (zie ECLI:NL:TGZCTG:2017:74; ECLI:NL:TGZCTG:2013:140):
1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen gebruikte literatuur en geconsulteerde personen;
5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
Het college toetst ten volle of het onderzoek door beklaagde uit een oogpunt van vakkundigheid de toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of de deskundige in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.
5.3.
Het college is van oordeel dat het rapport, gegeven de ratio en reikwijdte van een dergelijk ‘medisch haalbaarheidsonderzoek’, aan deze toetsingscriteria voldoet .
Het rapport vermeldt dat klager van mening is dat destijds in 2014 een onjuiste diagnose 'bipolaire II stoornis' is gesteld en dat advies wordt gevraagd om na te gaan of er inderdaad sprake is van een onjuiste diagnose. Daarbij gaat het feitelijk om de vraag of er wel of niet sprake is geweest van een/meerdere hypomane episode(s).
Beklaagde heeft blijkens het rapport voor de totstandkoming van het advies de Multidisciplinaire richtlijnen bipolaire stoornissen geraadpleegd (waarbij DSM-4 het uitgangspunt is). Hij is op basis van de stukken van de psychiaters en psychologen tot eind 2018, de stukken van de psychiaters in de omslag periode vanaf begin 2019, alsmede de expertise-rapporten van een tweetal psychiaters uit 2004 en 2013 en de brief in verband met een second opinion uit 2019 nagegaan of er aanleiding is om te veronderstellen dat er een onjuiste diagnose is gesteld. Deze door beklaagde gevolgde onderzoeksmethode was geschikt voor het gevraagde haalbaarheidsonderzoek en heeft geleid tot een inzichtelijke en navolgbare conclusie die steun vindt in de stukken. Beklaagde is daarmee binnen de grenzen gebleven van zijn deskundigheid en heeft in redelijkheid tot zijn conclusie kunnen komen. Dat beklaagde heeft gesuggereerd om in verband met de diverse visies op de diagnose een onafhankelijk psychiater te raadplegen, is deugdelijk gemotiveerd en past binnen de ratio en reikwijdte van het medisch haalbaarheidsonderzoek. Beklaagde kan derhalve in dit kader geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.
5.4.
De onder klachtonderdelen 1) en 2) weergegeven verwijten stuiten hier op af.
5.5.
Beklaagde heeft ten aanzien van klachtonderdeel 3) voldoende toegelicht dat hij voor de onderhavige tuchtklacht niet op de hoogte was van de door klager geuite bezwaren op het rapport, zodat hem ter zake ook geen verwijt kan worden gemaakt. Ter zitting heeft klager dit ook als zodanig erkend. Het klachtonderdeel treft dan ook geen doel.
5.6.
Met betrekking tot de klachtonderdelen 4) en 5) die zien op het honorarium is het college van oordeel dat voldoende is gebleken dat klager (bij monde van zijn advocaat) akkoord heeft gegeven op het in rekening brengen van 10 in plaats van 6 uren. Gelet op de omvang van het rapport en de bijbehorende stukken heeft het college geen aanleiding om te onderstellen dat beklaagde met deze 10 uren teveel uren in rekening heeft gebracht. Het college ziet geen reden om aan te nemen dat een gebrek aan ervaring of deskundigheid op het gebied van de psychiatrie hierbij een rol heeft gespeeld. Voorts is het college duidelijk geworden dat beklaagde lering heeft getrokken uit het verwijt dat hem ter zake is gemaakt en dat een volgende keer anders zal worden gehandeld.
Wat er verder ook van zij dat beklaagde heeft voorgesteld het aantal uren te verhogen nadat hem was gebleken dat hij de benodigde tijd verkeerd had ingeschat, een tuchtrechtelijk verwijt levert deze gang van zaken in elk geval niet op. De klachtonderdelen 4) en 5) zijn dan ook ongegrond.
5.7.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat beklaagde geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt. De klacht is ongegrond en zal worden afgewezen.
6. DE BESLISSING
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus gegeven door H.L. Wattel, voorzitter, J. Sap, lid-jurist, A.A.G. van den Ende,
R.P.J. Ansem en B.R. Schudel, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van
B.J.K. Boter, secretaris.
voorzitter
secretaris
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege
voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk
in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.