ECLI:NL:TGZRZWO:2021:104 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/2460

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2021:104
Datum uitspraak: 26-11-2021
Datum publicatie: 02-12-2021
Zaaknummer(s): Z2021/2460
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen specialist ouderengeneeskunde. De klacht heeft betrekking op de verzorging van klaagsters moeder, die op 10 maart 2020 is overleden. Klaagsters moeder verbleef in een verpleeghuis toen zij op 7 september 2019 achtereenvolgens twee bloedneuzen kreeg. Beklaagde is als dienstdoende arts bij de behandeling van de bloedneuzen betrokken geweest. Volgens klaagster is beklaagde te laat gearriveerd en heeft zij inadequaat gehandeld. In dit verband heeft zij beklaagde meerdere verwijten gemaakt, onder andere dat zij ten onrechte de bloeddruk van klaagsters moeder niet heeft gemeten en dat zij niet wist hoe zij een neustampon in moest brengen. Geen van de klachtonderdelen slaagt. Klacht kennelijk ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ZWOLLE

Beslissing in raadkamer d.d. 26 november 2021 naar aanleiding van de op 24 september 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

A , te B,

k l a a g s t e r

-tegen-

C , specialist ouderengeneeskunde, (destijds) werkzaam te D,

bijgestaan door mr. J.M. de Vries,

b e k l a a g d e

  1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

- het klaagschrift;

- het verweerschrift met bijlagen;

- de repliek;

- de dupliek.

Partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om gehoord te worden in het kader van het vooronderzoek.

2.DE FEITEN

Op grond van de stukken dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

De klacht heeft betrekking op de verzorging van klaagsters moeder, E (hierna: patiënte), die op 10 maart 2020 is overleden.

Patiënte was in 2017 gediagnosticeerd met vasculaire dementie. Zij verbleef bij F in G, toen zij op 7 september 2019 achtereenvolgens twee neusbloedingen kreeg. Beklaagde werkt sinds 2010 voor H. In het kader van een samenwerkingsverband tussen H en F  neemt beklaagde deel aan een zogenaamde dienstenpool, in welk verband zij in het weekend van 7 september 2019 dienst had en patiënte heeft bezocht naar aanleiding van de neusbloedingen.

In het digitale zorgdossier I heeft beklaagde hierover het volgende gerapporteerd.

“Datum: 07-09-2019 Tijd: 14:34

(…)

Rapportage geschreven door: C

Vraag:

Vanmorgen tel contact ivm aanhoudende bloedneus (re neusgat). Voordat ik besloot te komen was het bloeden gestopt. Begin van de middag weer opnieuw veel bloedverlies uit de neus. Mevr heeft veel bloed verloren, zag bleek en was misselijk.

Conclusie:

bloedneus, bloeding nu gestelpt

Beleid:

bij opnieuw optreden bloedneus mag er weer een neustampon ingebracht worden

arts dan informeren en tel overleggen hoe verder beleid.”

De verzorger van patiënte heeft het volgende genoteerd.

“Datum: 07-09-2019 Tijd: 15:02

(…)

O: de eerste bloedneus van mw. begon om 10.50 tot 11.35 u. De tweede bloedneus was van 12.45 u tot 13.30. Mw. verloor hierbij continu veel bloed, leek hierdoor ook niet lekker te worden. Gelukkig hebben we samen met de arts de bloeding kunnen stoppen, mw. is nu erg moe en slaapt. Mw. heeft al wel wat gedronken en gegeten hierna, lijkt nu ook geen last meer te hebben van misselijkheid.

A: Hevige bloedneuzen.

P: 24 uurs observatie, vannacht graag extra controle wegens kans op nieuwe bloedneus. Bij nieuwe bloedneus zie rapp. arts, neustampon ligt in medicatiebakje van mw.

Geschreven door: J.”

Daarnaast heeft beklaagde in het digitale zorgdossier K de volgende notitie gemaakt.

“bloedneus, bloeding nu gestelpt

C (Specialist Ouderengeneeskunde)                   za 07-09-2019, 14:34

Vraag

Vanmorgen tel contact ivm aanhoudende bloedneus (re neusgat). Voordat ik besloot te komen was het bloeden gestopt. Begin van de middag weer opnieuw veel bloedverlies uit de neus. Mevr. heeft veel bloed verloren, zag bleek en was misselijk.

Analyse

Moeilijk te stelpen bloed (re neusgat). Neustampon ingebracht en deze ongeveer 20 minuten laten zitten, daarna weer verwijderd. Bloeden lijkt gestopt.

Conclusie

Bloedneus, bloeding nu gestelpt.

Beleid

Bij opnieuw optreden bloedneus mag er weer een neustampon ingebracht worden

Arts dan informeren en tel overleggen hoe verder beleid.”

Na 7 september 2019 is beklaagde niet meer bij de zorg voor patiënte betrokken geweest.

3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT

Klaagster verwijt beklaagde -zakelijk weergegeven- dat ze te laat is gearriveerd en inadequaat heeft gehandeld, als gevolg waarvan haar moeder enkele dagen later een CVA heeft gehad met uitvalverschijnselen aan de linkerkant en slik- en spraakproblemen. Dit heeft haar moeder een akelig leven opgeleverd en haar het plezier in lekker eten ontnomen.

In dit verband heeft klaagster benoemd dat beklaagde:

  • pas laat na de tweede bloeding kwam;
  • niet de bloeddruk van patiënte heeft gemeten;
  • de antistolling van patiënte niet (tijdelijk) heeft gestopt;
  • geen hemoglobine heeft gemeten dan wel hiertoe opdracht heeft gegeven;
  • geen idee had hoe ze een neustampon in moest brengen;
  • geen weet had van het huis-, tuin- en keukenmiddel om bevroren erwten in de nek te leggen om de neusbloeding te minderen.

4. HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE

Beklaagde heeft de klacht gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder nader ingegaan.

5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

  1.  

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

Ten aanzien van klachtonderdeel a (te laat arriveren)

5.2     Naar het oordeel van het college treft dit klachtonderdeel geen doel.

Beklaagde heeft bij de eerste neusbloeding kunnen volstaan met passende instructies voor de verzorging en het kort daarna terugbellen van de verzorging. Toen op dat moment bleek dat de bloeding was gestopt, was er geen noodzaak meer patiënte te zien. Dat werd anders toen beklaagde gebeld werd over de tweede neusbloeding. Het college ziet geen aanleiding te twijfelen aan beklaagdes uitleg dat zij patiënte zo snel mogelijk heeft bezocht nadat zij gebeld werd. Deze uitleg wordt ondersteund door het feit dat beklaagde nog bij een andere patiënt was op een half uur rijden afstand toen zij gebeld werd over de tweede neusbloeding, de tweede neusbloeding 45 minuten geduurd heeft en beklaagde voor het stoppen van de bloeding aanwezig was. Beklaagde heeft hiermee naar het oordeel van het college voldoende spoed betracht.

Dat beklaagde geweigerd zou hebben eerder te komen, zoals door klaagster gesteld, kan uit de stukken niet worden afgeleid. Daarmee kan evenmin op goede grond worden gesteld dat beklaagde op dit punt een onjuiste aantekening in het dossier heeft gemaakt.

Ten aanzien van klachtonderdeel b (het niet meten van de bloeddruk)

5.3

Ook dit klachtonderdeel slaagt niet.

De reden om de bloeddruk te meten, is om te controleren of een patiënt hemo-dynamisch stabiel is, met andere woorden of er geen shock bestaat. Uit zowel de beschrijving van beklaagde als de beschrijving van de verzorgende van patiënte na twee bloedneuzen blijkt niet van een situatie waarin dit aan de orde was. Patiënte was niet suf en goed aanspreekbaar. Daarnaast was het bloeden beide keren vanzelf gestopt na drie kwartier. Hoewel het meten van de bloeddruk wellicht een nog vollediger beeld van de situatie had gegeven, heeft beklaagde – gelet op deze factoren – daarvan in dit geval kunnen afzien. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is in zoverre dan ook geen sprake.

Ten aanzien van klachtonderdeel c (het niet stopzetten van de antistollingsmedicatie)

5.4

Het al dan niet (tijdelijk) stoppen van de antistolling is een risico-afweging. Er was bij patiënte een harde indicatie voor het gebruik van antistolling en neusbloedingen geven over het algemeen geen levensbedreigende bloedingen, ook niet in dit geval. Het bloeden is vanzelf gestopt. Naar het oordeel van het college is het in zo’n geval niet aan de dienstdoende arts om een dergelijke risico-afweging te maken.

Dat betekent dat ook dit klachtonderdeel niet slaagt.

Ten aanzien van klachtonderdeel d (het niet meten van het HB-gehalte)

5.5

Beklaagde heeft in verweer toegelicht dat het in het weekend niet mogelijk is om het HB-gehalte van een patiënt op locatie te meten. Patiënte zou hier dus voor naar het ziekenhuis ingestuurd moeten worden. Hiertoe zag beklaagde, gelet op de hoeveelheid bloedverlies, geen acute medische noodzaak. Bovendien zou het insturen van patiënte naar het ziekenhuis zeer belastend voor haar zijn geweest, aldus beklaagde. Als een meting van het HB-gehalte alsnog aangewezen zou zijn, dan zou deze beslissing na het weekend door haar eigen behandelend arts genomen kunnen worden.

5.6

Gelet op de toelichting van beklaagde en ook gelet op het beschreven functioneren van patiënte na de bloedingen, kan het college beklaagde volgen in haar afweging om op dat moment geen HB-meting te laten verrichten. 

Ook op dit onderdeel is dus geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.

Ten aanzien van klachtonderdeel e (niet weten hoe een neustampon in te brengen)

5.7

Dat beklaagde geen idee zou hebben hoe ze een neustampon zou moeten inbrengen, blijkt niet uit de stukken. Dat zij hier mogelijk minder praktische ervaring mee had, omdat dit normaliter door verpleegkundigen wordt gedaan, maakt niet dat zij hiertoe niet bekwaam was. Beklaagde heeft de neustampon bij de tweede bloeding ook zelf ingebracht en niet gebleken is dat dit op een onjuiste manier is gebeurd. 

Dit klachtonderdeel slaagt niet.

Ten aanzien van klachtonderdeel f (onbekendheid met het huis-, tuin- en keukenmiddel om bevroren erwten in de nek te leggen)

5.8

Beklaagde kan niet worden verweten dat zij bij de behandeling van de neusbloedingen van patiënte is gebleven bij bewezen effectieve behandelmethodes. Het gebruik van bevroren erwten valt daar niet onder.

Conclusie

5.9

Gelet op het voorgaande dient als volgt te worden beslist.

6.    DE BESLISSING

Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

Aldus gegeven door P.A.H. Lemaire, voorzitter, A. Beckers en J. Schuur, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van M.D. Moeke, secretaris.

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.         Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.         Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.         Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.