ECLI:NL:TGZRZWO:2020:71 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 181/2019
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2020:71 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-07-2020 |
| Datum publicatie: | 23-07-2020 |
| Zaaknummer(s): | 181/2019 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen gynaecoloog kennelijk ongegrond. Indien en voor zover beklaagde betrokken is geweest bij die videoconferentie in 2009 bestond er in ieder geval geen verplichting voor beklaagde om gegevens omtrent patiënte in een patiëntendossier bij te houden nu patiënte in behandeling was in een ander ziekenhuis. Dat de naam van beklaagde niet in het patiëntendossier van het andere ziekenhuis voorkomt kan beklaagde niet worden tegengeworpen. Van enige weigering van beklaagde om klaagster te spreken is het college niet gebleken. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE
Beslissing in raadkamer d.d. 23 juli 2020 naar aanleiding van de op 30 augustus 2019
bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van
A , wonende te B,
k l a a g s t e r
-tegen-
C , gynaecoloog,
(destijds) werkzaam te D,
bijgestaan door mr. M. Kremer, advocaat te Groningen,
b e k l a a g d e
1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- de brief van de secretaris van 2 oktober 2019 aan klaagster;
- het aanvullende klaagschrift van 14 oktober 2019;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het medisch dossier.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.
Klaagster heeft in verband met het onderliggende feitencomplex een groot aantal klachten ingediend. Op deze klachten wordt afzonderlijk beslist. De klachten zijn bekend onder zaaknummers: 181 t/m 186/2019 en 224 t/m 236/2019.
2. DE FEITEN
Op grond van de stukken (waarvan met name het medisch dossier) dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Klaagster is de dochter van wijlen E (hierna: patiënte), geboren in 1927 en overleden in 2019.
Patiënte is in 2009 in behandeling geweest in het F in verband met een vulvacarcinoom.
Beklaagde was in 2009 werkzaam als gynaecoloog in het G.
In het dossier bevindt zich een e-mailbericht met bijlage aan H, werkzaam bij het G van 28 maart 2018. In dit e-mailbericht verzoekt klaagster om de e-mail door te sturen naar beklaagde en schrijft klaagster: “Mijn moeder en ik hopen van harte dat [naam beklaagde, RTC] alsnog onze vragen zal beantwoorden.”
3. HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT
Klaagster verwijt beklaagde -zakelijk weergegeven- dat:
1. betrokkenheid van beklaagde in 2009 bij de behandeling van patiënte (bijvoorbeeld bij MDO’s) niet uit het dossier blijkt;
2. beklaagde weigert de dochter van patiënte persoonlijk te spreken;
3. geen opnamen van videoconferenties aanwezig zijn van het G voor wat betreft overleg voor de behandeling van vulvacarcinoom bij patiënte;
4. bij het G geen archivering of documentatie aanwezig is voor wat betreft het overleg voor behandeling van het vulvacarcinoom van patiënte.
4. HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE
Beklaagde voert -zakelijk weergegeven- aan dat hij zich geen betrokkenheid herinnert bij patiënte in 2009. De samenwerking tussen het F en het G stond destijds nog in de kinderschoenen en vond op ad hoc basis plaats. Voor het G bestond geen verplichting een medisch dossier aan te leggen. Indien wel sprake zou zijn geweest van consultatie – die beklaagde zich niet herinnert – rustte de dossierplicht daarvan bij het F. Er was geen verplichting om videoconferenties op te nemen en te bewaren.
Beklaagde heeft nooit geweigerd klaagster te spreken en klaagster heeft dit klachtonderdeel niet nader onderbouwd.
Klaagster heeft zich tot beklaagde gewend met enige algemene vragen over de behandeling van haar moeder. Beklaagde was destijds lid van de Raad van Bestuur. Een collega van beklaagde was op dat moment hoofd van de afdeling en klaagster is voorgesteld met hem in gesprek te gaan. Daar heeft klaagster mee ingestemd.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Het college ziet aanleiding klachtonderdelen 1, 3 en 4 gezamenlijk te bespreken.
Het college volgt in deze het verweer van beklaagde. In 2009 was het niet gebruikelijk om de deelnemers aan MDO per videoconferentie vast te leggen. Indien en voor zover beklaagde betrokken is geweest bij die videoconferentie in 2009 bestond er in ieder geval geen verplichting voor beklaagde, werkzaam in het G, om gegevens omtrent patiënte in een patiëntendossier bij te houden nu patiënte in behandeling was in het F. Dat beklaagdes naam niet voorkomt in het dossier van patiënte uit het F kan niet aan beklaagde worden tegengeworpen. Datzelfde heeft te gelden voor het bewaren van (opnamen van) videoconferenties zodat ook dat niet leidt tot een gegrond verwijt jegens beklaagde.
Deze klachtonderdelen zijn derhalve ongegrond.
5.3
Wat betreft het tweede klachtonderdeel overweegt het college in lijn met het door beklaagde gevoerde verweer. Van enige weigering van beklaagde om klaagster te spreken is het college niet gebleken. Door beklaagde is voorgesteld om gelet op de algemene inhoudelijke vragen van klaagster in gesprek te gaan met het hoofd van de afdeling destijds. Nu klaagster daarmee heeft ingestemd kan niet gezegd worden dat beklaagde heeft geweigerd met klaagster te spreken. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.
5.4
Gelet op het voorgaande is het college van oordeel dat beklaagde niet heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij ten opzichte van klaagster behoorde te betrachten, dat de klacht kennelijk ongegrond is en dient als volgt te worden beslist.
6. DE BESLISSING
Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Aldus gegeven door P.A.H. Lemaire, voorzitter, C.I.M. Aalders en G.J.M. Akkersdijk, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van J.W. Sijnstra-Meijer, secretaris.
voorzitter
secretaris
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld
bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
a. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring
kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
b. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
c. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.