ECLI:NL:TGZRZWO:2020:139 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 268/2019
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2020:139 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-12-2020 |
| Datum publicatie: | 24-12-2020 |
| Zaaknummer(s): | 268/2019 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Patiënt is overleden na een hartstilstand. Melding van pijn op de borst klachten tijdens een van de consulten. Beklaagde heeft redelijkerwijs tot de afweging kunnen komen dat een cardiale oorzaak voor de klachten van patiënt niet aan de orde was. Geen verwijtbaar handelen beklaagde. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE
Beslissing d.d. 24 december 2020 naar aanleiding van de op 19 november 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van
A , wonende te B,
bijgestaan door mr. A.P. Drosten, advocaat te Enschede,
k l a a g s t e r
-tegen-
C , huisarts, (destijds) werkzaam te B,
bijgestaan door mr. D. Benamari, verbonden aan VvVA Rechtsbijstand te Utrecht,
b e k l a a g d e
1. HET VERDERE VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:
- de tussenbeslissing van 29 oktober 2020;
- het bericht van mr. Benamari, waarbij het medisch dossier van patiënt is toegezonden en een verzoek ex artikel 67 lid 3 Wet BIG is gedaan om dit medisch dossier niet met klaagster zelf, maar uitsluitend met haar advocaat te delen;
- de beslissing van 20 november 2020, waarbij het verzoek om het medisch dossier van patiënt niet met klaagster, maar uitsluitend met haar advocaat te delen is toegewezen;
- de correspondentie met de gemachtigden, waaruit blijkt dat er geen behoefte is aan een nadere mondelinge behandeling.
2. DE FEITEN
Op grond van de stukken (waaronder het medisch dossier) en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
De klacht betreft de behandeling van wijlen de echtgenoot van klaagster, geboren 1957, hierna te noemen ‘patiënt’.
Beklaagde zag patiënt op 21 november 2018 met een drukkend gevoel op de borst. Na het verrichten van lichamelijk onderzoek kreeg patiënt het advies zijn bloeddruk zeven dagen te meten. Beklaagde zag geen aanwijzingen voor cardiale of pulmonale problemen en verdacht patiënt van een virale infectie. In het dossier noteerde beklaagde het volgende:
“(zit in EHBO: voelt zich helemaal niet goed worden. weet niet wat hem gebeurt) voelt zich niet goed. hele nacht gewerkt.
benauwdheidsaanval. drukkend gevoel op de borst. angstig.. niet verkouden geworden. hart?
alert, geen dyspoe. longen vag, cor SR, nl tonen. geen souffles.
Dyspnoe, eci,
geen aanw voor cardiale of pulm problemen. mgl toch combinatie van zwaar werk en virale infectie. mgl hierdoor HV. uitleg. exp. wel 7 d RR meting thuis.”
Op 30 november 2018 werd in het dossier genoteerd dat de uitslag van de zevendaagse bloeddrukmeting bij patiënt goed was. Patiënt kreeg daarna het advies na zes maanden zijn bloeddruk te laten controleren bij de praktijkassistente.
Op 8 december 2018 heeft patiënt contact opgenomen met de huisartsenpost in verband met een paniekaanval en pijn op de borst. De dienstdoende arts concludeerde dat patiënt mogelijk overspannen was en verwees hem naar de praktijkondersteuner GGZ. In het dossier werd het volgende vermeld:
“Paniekaanval. Trillen over het hele lijf. Druk op de borst, eerder gehad. Gevoel dat hij moet huilen. Morgen weer werken, valt hem zwaar.
Paniekaanval.
svp. hr bellen. Gesprek, geruststelling, afleiding, flink huilen.
zou vandaag weer aan het werk moeten, de hele nacht niet geslapen, geen duidelijke oorzaak voor dit gevoel, werk D valt wel zwaar ook door druk met gezin, geen contact met zoon die asperger heeft, dochter uit huis.
150/80, zorgelijk kijkende man.
surmenage.
{DD} overspannen.
-temazepam-afspr met poh ggz maken-overleg met werkR/temazepam tablet 10 mg- 15.0 ST [1D 1 T].
temazepam tablet 10 mg.”
Op 10 december 2018 kwam patiënt op het spreekuur van beklaagde. Beklaagde noteerde over dit consult:
“Zie dossier, tel en C bij de HAP. pragmatisch gehandeld. bij navraag thuis alles goed. op werk te zwaar. werkt in ploegendienst bij D.
alert, nu minder kl van gejaagdheid.
Dyspnoe, eci
ws toch stressgerelateerd, ook mn werkgerelateerd. voor nu lab. bij gda. Advies: Bedrijfsarts!!”
Patiënt bezocht beklaagde op 17 juni 2019 in verband met nekklachten. Patiënt dacht dat zijn klachten het gevolg waren van een verkeersongeval in 1988 waarvoor hij geen arts heeft bezocht. Beklaagde heeft patiënt onderzocht en verwees hem naar het ziekenhuis voor het maken van een röntgenfoto van zijn cervicale wervelkolom. Beklaagde schreef tramadol 50 mg voor als pijnstilling.
Op 24 juni 2019 zag beklaagde patiënt in verband met nekklachten en veel stress. Beklaagde maakte de volgende aantekeningen in het dossier:
”Gaat niet goed met de nek, veel stress kl, geen rust meer, al bij ft geweest 1x. geen eetlust, alles teveel, gebruikt nu de parac ibup. iets voor de onrust? eerder ook zon periode: toen vanzelf overgegaan.
wat onrustige presentatie, knakt vaakl met de nek.
Nek kl.
?? ws. comb weer, nek en verminderde draaglast. tijdelijk meds.
uitleg.
DIAZEPAM TABLET 2MG”.
Op 8 juli 2019 kwam patiënt opnieuw bij beklaagde wegens aanhoudende nekklachten en stress. Beklaagde noteerde zijn bevindingen als volgt:
“Aanh kl. nek, stress, Diazepam niet echt goed. slaapt slecht. door de nek. overspannen gevoel. van dag tot dag verschillend. Ft. geen baat.
zinnen verzetten helpt wel.
normofoor. alert,
Nek kl. spanning, surmenage
gezien aanh. reden voor POH GGZ. voor duiding van de kl.”
Op 16 juli 2019 heeft patiënt een consult gehad bij de praktijkondersteuner GGZ.
Op 22 juli 2019 is patiënt overleden na een hartstilstand.
Op 12 augustus 2019 is beklaagde bij klaagster op bezoek geweest om zijn medeleven te betuigen.
Op 11 september 2019 heeft klaagster een gesprek gehad met beklaagde.
Op 19 september 2019 heeft beklaagde een klacht van klaagster ontvangen via zijn klachtenfunctionaris. Beklaagde heeft op 10 oktober 2019 hierop schriftelijk gereageerd.
3. HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT
Klaagster verwijt beklaagde - zakelijk weergegeven - dat hij nalatig heeft gehandeld bij patiënt. Beklaagde heeft de pijn op de borst-klachten van patiënt niet serieus genomen door geen hartfilmpje te maken en geen uitvraag te doen naar de familieanamnese.
4. HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE
Beklaagde voert - zakelijk weergegeven - aan dat hij tuchtrechtelijk niet verwijtbaar heeft gehandeld. Hij heeft patiënt op 21 november 2018 gezien met pijn op de borst en op basis van anamnese en lichamelijk onderzoek een cardiale oorzaak laag ingeschat.
In de maanden juni en juli 2019 presenteerde patiënt zich met nekklachten en stress, er was toen geen aanleiding te denken aan cardiale problematiek.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Tijdens het consult op 21 november 2018 meldde patiënt zich in de nanacht met pijnklachten op de borst. Beklaagde heeft toen weliswaar aan de mogelijkheid van een cardiale oorzaak gedacht, maar dit is op de achtergrond geraakt doordat de andere klachten die patiënt had op dat moment overheersten. Deze andere klachten duidden niet op een cardiale oorzaak. Verder heeft beklaagde ter zitting verklaard dat uit de voorgeschiedenis van patiënt geen cardiale klachten bekend waren. Dergelijke cardiale klachten komen ook niet naar voren in het medisch dossier van patiënt.
Beklaagde heeft tijdens het consult voldoende uitgevraagd om de waarschijnlijkheidsdiagnose
van hartklachten te verwerpen. Er valt hem dan ook geen verwijt van te maken dat hij
toen geen nader onderzoek naar hartklachten heeft verricht.
5.3
Aangezien beklaagde een cardiale oorzaak op basis van het door hem verrichte onderzoek bij patiënt had uitgesloten, was er ook onvoldoende aanleiding om te onderzoeken of er in de familie van beklaagde cardiale klachten voorkwamen. Uit het medisch dossier valt ook niet af te leiden dat in de familie van beklaagde hartklachten voorkwamen.
5.4
Dat er achteraf bezien tijdens het consult op 21 november 2018 mogelijkerwijs wel
een cardiale oorzaak aanwezig geweest zou kunnen zijn, maakt het oordeel van het college
niet anders. Het college beoordeelt immers uitsluitend de vraag of beklaagde tijdens
het consult redelijkerwijs tot de afweging heeft kunnen komen dat een cardiale oorzaak
voor de klachten van patiënt niet aan de orde was. Die vraag beantwoordt het college
bevestigend.
5.5
Indien en voor zover klaagster het verwijt aan beklaagde maakt dat hij tijdens het eerste consult geen hartfilmpje heeft gemaakt, wordt opgemerkt dat het maken van een hartfilmpje als standaard geen plek heeft in de huisartsenpraktijk. Het niet maken van een hartfilmpje is, onder de geschetste omstandigheden, dus ook niet verwijtbaar.
5.6
Tijdens het consult dat patiënt op 8 december 2018 bij een huisarts van de huisartsenpost had, is weliswaar nog wel vermeld dat hij pijn op de borst had en dat hij dit eerder had gehad, maar ook toen is klaarblijkelijk door de dienstdoende arts niets naar voren gekomen dat duidde op een cardiale oorzaak. Deze dienstdoende arts kwam immers tot de conclusie dat er sprake was van een paniekaanval, die geweten werd aan het werk dat patiënt zwaar viel en mogelijk de thuissituatie.
5.7
Op 10 december 2018, toen patiënt weer bij beklaagde op het spreekuur kwam, werd weer besproken dat het werk patiënt zwaar viel. Daardoor werd ook aangenomen dat de klachten stressgerelateerd waren. Uit het dossier en de verklaring van beklaagde tijdens de zitting valt af te leiden dat patiënt tijdens dit consult geen pijn op de borst-klachten meer heeft geuit, terwijl er voor het overige ook geen verschijnselen waren die wezen in de richting van hartklachten. Tijdens dit consult heeft beklaagde dus ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.
5.8
Tijdens de drie consulten die patiënt bij beklaagde had op 17 en 24 juni en 8 juli 2019 gaf patiënt aan dat hij last had van nekklachten. Patiënt vermeldde daarbij dat hij ongeveer dertig jaar geleden een auto-ongeluk had meegemaakt, dat de nekklachten zou kunnen verklaren. Verder leidde beklaagde uit het gesprek dat hij voerde met patiënt af dat patiënt leed aan stressgerelateerde klachten die verband hielden met de werkdruk van patiënt. Beklaagde heeft daarbij tijdens de zitting toegelicht dat patiënt niet erg spraakzaam was en dat het moeilijk was om antwoorden van patiënt te krijgen. De signalen die beklaagde van patiënt kreeg, waren echter niet dusdanig dat beklaagde concrete aanwijzingen had om aan een cardiale oorzaak van de in juni en juli 2019 door patiënt geuite klachten te denken. Daarbij is van belang dat patiënt tijdens deze consulten niet opnieuw pijn op de borst-klachten heeft gemeld. Beklaagde valt er daarom ook geen verwijt van te maken dat hij tijdens deze consulten geen nader cardiaal onderzoek heeft ingesteld.
5.9
Het college merkt verder op dat beklaagde tijdens de zitting heeft laten merken dat hij zich het gebeurde erg heeft aangetrokken. Dit blijkt ook uit het feit dat beklaagde meteen nadat hij op de hoogte was gesteld van het overlijden van patiënt bij klaagster op bezoek is gegaan om zijn medeleven te betuigen.
5.10
Op grond van het vorenstaande is het college van oordeel dat beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt van zijn handelen valt te maken. De klacht is dan ook ongegrond.
6. DE BESLISSING
Het college verklaart de klacht ongegrond.
Aldus gegeven door S.B. Boorsma, voorzitter, M. Willemse, lid-jurist, R.J. Wolters en
M. Bergeijk en B.R. Schudel, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van G.E. Bart, secretaris.
voorzitter
secretaris
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
a. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
b.
Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
c. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.