We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRZWO:2020:125 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 037/2020

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2020:125
Datum uitspraak: 04-12-2020
Datum publicatie: 04-12-2020
Zaaknummer(s): 037/2020
Onderwerp: Onvoldoende informatie
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Is mededeling regiebehandelaar aan gezinsvoogd over vermeend seksueel grensoverschrijdend gedrag van klager met oudste zoon tuchtrechtelijk verwijtbaar? Klacht ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 4 december 2020 naar aanleiding van de op 10 maart 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

A , wonende te B,

k l a g e r

-tegen-

C , psychiater, (destijds) werkzaam te D,

bijgestaan door mr. dr. L.A.P. Arends, advocaat te Nijmegen,

b e k l a a g d e

1.    HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

-      het klaagschrift d.d. 5 maart 2020 met de bijlagen;

-      de e-mail van klager d.d. 17 maart 2020 met een aanvullend stuk;

-      het verweerschrift d.d. 30 april 2020;

-      de e-mail van klager d.d. 19 mei 2020 met aanvullende stukken;

-      de e-mail van beklaagde d.d. 27 mei 2020 met een gespreksverslag d.d. 5 juni 2019 dat met toepassing van artikel 67 lid 3 Wet BIG is verstrekt;

-      de e-mail van klager d.d. 16 augustus 2020 met aanvullende stukken;

-      de e-mail van klager d.d. 14 oktober 2020 met aanvullende stukken.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 6 november 2020, waar zijn verschenen klager en beklaagde, de laatste bijgestaan door haar advocaat.

2.    DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klager is gehuwd geweest en uit dit huwelijk zijn drie zonen geboren: E (2004), F (2006) en G (2009).

Vanaf zijn vijfde tot aan zijn elfde levensjaar heeft E een bezoek- c.q. omgangsregeling met klager gehad. Sinds medio 2015 heeft E geen contact meer met klager.

Beklaagde, werkzaam als kinder- en jeugdpsychiater bij H te D, is regiebehandelaar van E. H is een academisch centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie. Kinderen en jongeren van 0-18 jaar kunnen bij H terecht voor diagnostiek en behandeling van ADHD, autisme, depressie, angst- en dwangstoornissen, gedragsstoornissen, psychose en andere psychiatrische problematiek.

In de beschikking van 21 september 2017 is klager ontheven uit het ouderlijk gezag. Sindsdien wordt het ouderlijk gezag over E, F en G alleen door moeder uitgeoefend.

Bij beschikking van 12 februari 2019 zijn E, F en G onder toezicht gesteld tot

12 november 2019, welke ondertoezichtstelling daarna tot 12 mei 2020 is verlengd. De ondertoezichtstelling wordt uitgevoerd door een gezinsvoogd (thans: jeugdbeschermer) van K, waarvan SAVE een onderdeel is. SAVE komt in beeld als er zorgen zijn over de veiligheid of ontwikkeling van een kind.

In de beschikking van 11 maart 2019 heeft de kinderrechter de volgende omgangsregeling tussen klager en F en G vastgesteld: eens in de twee weken van zaterdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur.

Tijdens een EMDR-behandeling medio 2019 heeft E uitlatingen gedaan over seksueel grensoverschrijdend gedrag van klager. Beklaagde heeft hierop het volgende (via moeder) aan de gezinsvoogd, I, meegedeeld:

H geeft aan zich zorgen te maken over E, maar ook zorgen te hebben over zijn broers die nog omgang hebben met vader.

Naar aanleiding van deze mededeling van beklaagde heeft op 5 juni 2019 een gesprek plaatsgevonden tussen E (gedeeltelijk), moeder, I en beklaagde. Van dit gesprek heeft I een beknopt verslag opgesteld dat op 6 juni 2019 door beklaagde is geaccordeerd.

Op 26 juli 2019 heeft moeder aangifte gedaan van seksueel misbruik van E door klager in de periode van 12 augustus 2012 tot 12 augustus 2016.

Op 9 en 16 augustus 2019 zijn E respectievelijk klager door de zedenrecherche verhoord.

Bij brief van 15 mei 2020 heeft het OM de aanklachten tegen klager wegens onvoldoende bewijs geseponeerd.

Bij brief van 24 juli 2020 heeft het OM het verzoek van klager tot wijziging van de sepotcode 02 (onvoldoende wettig en overtuigend bewijs) in sepotcode 01 (ten onrechte als verdachte aangemerkt) afgewezen.

Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van de gezinsvoogd heeft de kinderrechter bij beschikking van 27 september 2019 de omgangsregeling tussen klager en F en G gewijzigd als volgt:

-      één keer per twee weken één uur begeleide omgang tussen klager, F en G bij J of een omgangshuis, of

-      één keer per twee weken omgang tussen klager, F en G onder begeleiding van een door de gecertificeerde instelling (hierna: GI)  goed te keuren derde, waarbij de duur wordt bepaald door de GI.

Tegen de beschikking van 27 september 2019 heeft klager hoger beroep ingesteld.

Naar aanleiding van een klacht van klager bij de klachtencommissie waarbij H is aangesloten, heeft op 18 december 2019 een gesprek plaatsgevonden tussen klager, beklaagde en een leidinggevende, waarbij de klachtenfunctionaris van H een bemiddelende rol heeft vervuld. Klager heeft daarna op dezelfde dag via e-mail beklaagde gevraagd of zij afstand doet van de uitspraken van de gezinsvoogd of dat zij daarachter staat. Beklaagdes gemachtigde heeft bij brief van 27 januari 2020 hierop gereageerd.

3.    HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT

Klager verwijt beklaagde - zakelijk weergegeven - ten eerste dat zij informatie over hem en zijn zonen F en G heeft gedeeld met de gezinsvoogd. Volgens klager heeft beklaagde op basis van uitlatingen van E een oordeel geveld over hem en zijn zonen F en G, terwijl beklaagde de jongste zonen nooit heeft gezien of gesproken. Als de beweringen van de gezinsvoogd juist zijn, dan is beklaagde veel te ver gegaan in haar uitlatingen over klager en zijn zonen F en G. Daarnaast verwijt klager beklaagde dat zij niet transparant werkt, nu zij de informatie over klager (over wie zij zich een oordeel had gevormd) wel heeft geuit naar de gezinsvoogd maar niet met klager heeft gedeeld. Tot slot verwijt klager beklaagde dat zij niet naar eer en geweten handelt, nu zij kennis heeft genomen van het feit dat zij verkeerd is geciteerd en er uitlatingen namens haar zijn gedaan waarvan zij zegt deze nimmer te hebben gedaan. Als de beweringen van beklaagde juist zijn, dan had zij dit kenbaar moeten maken bij de gezinsvoogd en wellicht de rechtbank. Beklaagde weigert dit echter kenbaar te maken aan betrokkenen. Voorts heeft klager beklaagde ervan in kennis gesteld dat E zijn aantijgingen nadrukkelijk heeft verzwaard in zijn aangifte bij de zedenrecherche. Beklaagde weigert medewerking om in deze complexe zaak de onderste steen boven te krijgen. Volgens klager is beklaagde bewust misbruikt door de gezinsvoogd.

4.    HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE

Beklaagde voert - zakelijk weergegeven - aan dat zij door het delen van de gewraakte informatie met de GI uitvoering heeft gegeven aan een wettelijke plicht (artikel 7.3.11 lid 4 Jeugdwet). Daaruit vloeit niet voort dat beklaagde gehouden was om deze informatie eerst met klager en/of zijn jongste zonen te delen. Voorts betwist beklaagde dat zij een oordeel heeft gevormd over de vraag of er daadwerkelijk grensoverschrijdend gedrag van klager heeft plaatsgevonden; zij heeft enkel de zorgen van H geuit. Volgens beklaagde is het aan de GI wat zij met deze informatie doet. Ook is het aan de GI en niet aan beklaagde om klager te informeren over de uitlatingen van E en de gevolgen daarvan. Tot slot stelt beklaagde dat zij geen partij is geweest bij de procedure over de omgangsregeling, zodat zij ook niet weet wat daar tijdens de zitting besproken is. Beklaagde concludeert dat zij heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend psychiater verwacht mag worden.

5.    DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1          

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

Ontvankelijkheid

5.2

Allereerst ziet het college zich ambtshalve voor de vraag gesteld of klager in zijn klacht kan worden ontvangen. Het college beantwoordt die vraag bevestigend. De klacht heeft betrekking op een handeling die valt onder artikel 47, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet BIG. Daarbij is klager rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 65, eerste lid, van de Wet BIG omdat duidelijk is dat de door beklaagde afgegeven informatie gevolgen voor hem kan hebben.

Inhoudelijke beoordeling

5.3

De klacht met betrekking tot het delen van informatie door beklaagde met de gezinsvoogd in juni 2019 acht het college ongegrond. Er is op grond van het over en weer verklaarde slechts vast te stellen dat beklaagde (via moeder) de gezinsvoogd heeft meegedeeld dat zij zich als regiebehandelaar van E – naar aanleiding van uitlatingen van E over seksueel grensoverschrijdend gedrag van klager – zorgen maakt over (het welzijn van) E, maar ook zorgen te hebben over zijn broers die nog omgang hebben met vader. Naar het oordeel van het college heeft beklaagde hier juist gehandeld. Beklaagde kon de door haar gegeven informatie noodzakelijk achten voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling en gelet op artikel 7.3.11 lid 4 van de Jeugdwet en artikel 7 van de KNMG-meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld hoefde beklaagde deze informatie dan ook niet eerst te delen met klager en/of zijn jongste zonen. Beklaagde kon in dit verband volstaan met het verstrekken van globale en feitelijke informatie, op de wijze zoals zij heeft gedaan. Anders dan klager betoogt, valt niet vast te stellen dat beklaagde aan de door haar verstrekte informatie aan de gezinsvoogd conclusies heeft verbonden, in die zin dat zij bedoelde uitlatingen van E niet alleen heeft benoemd, maar tevens heeft gekwalificeerd als seksueel grensoverschrijdend gedrag van klager. Met beklaagde is het college van oordeel dat het aan de gezinsvoogd is om te bepalen wat er met de verstrekte informatie gebeurt.

Beklaagde heeft verder toegelicht dat zij, voordat de gewraakte informatie met de gezinsvoogd is gedeeld, de zorgen eerst heeft besproken in het multidisciplinair overleg en dat zij dus niet over één nacht ijs is gegaan. Het college heeft geen reden om aan deze toelichting te twijfelen, zodat ook daaruit blijkt dat beklaagde zorgvuldig heeft gehandeld. 

5.4

Nu de overige klachtonderdelen direct samenhangen met het hiervoor besproken klachtonderdeel, kunnen deze onderdelen evenmin slagen.

5.5

Het college komt tot de slotsom dat beklaagde bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening en dus tuchtrechtelijk geen verwijt valt te maken.

5.6

Het voorgaande leidt het college tot de volgende beslissing.

6.    DE BESLISSING

Het college verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gegeven door W.J.B. Cornelissen, voorzitter, M. Willemse, lid-jurist, A.A.G. van den Ende, H.J. Kolthof en J.M.C. van Dam, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van

P. van der Stroom, secretaris.                                                                                                   

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.     Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.     Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.     Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.