ECLI:NL:TGZRZWO:2014:21 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 089/2013
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2014:21 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-03-2014 |
| Datum publicatie: | 04-03-2014 |
| Zaaknummer(s): | 089/2013 |
| Onderwerp: | Onheuse bejegening |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen huisarts over openingstijden praktijk, onbekende waarnemer, weigering samen te werken met door klager gewenste apotheek en communicatie en bejegening. Klachten kennelijk ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE
Beslissing d.d. 4 maart 2014 naar aanleiding van de op 1 maart 2013 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van
A , wonende te B,
k l a g e r
-tegen-
C , huisarts, werkzaam te B,
v e r w e e r s t e r
1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de repliek;
- de dupliek met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het op 19 november 2013 gehouden gehoor in het kader van het
vooronderzoek.
2. DE FEITEN
Op grond van de stukken dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Klager is in 2012 overgestapt naar een andere zorgverzekeraar. Deze verzekeraar vergoedt de medicijnen van klager voor 100%, mits hij de medicatie bestelt via D.
Doet hij dit bij een andere apotheek dan vergoedt de verzekeraar 80%.
Klager is op 21 januari 2013 in de praktijk van verweerster geweest en heeft doorgegeven dat hij overstapte naar een andere verzekeraar en naar D. Verweerster stelt dat zij klager toen gesproken heeft en hem een aantal vragen heeft gesteld omdat D bij haar onbekend was. Klager ontkent echter met verweerster daarover gesproken te hebben. Klager en verweerster verschillen van mening over wat er op 21 januari 2013 is gebeurd.
Op 18 februari 2013 heeft klager op de herhaalreceptenlijn ingesproken welke medicijnen hij nodig had. Blijkens de notitie in het dossier ging de assistente er vanuit dat klager met “eigen” apotheek, apotheek E bedoelde.
Op 22 februari 2013 had klager zijn medicatie nog niet en belde hij naar de praktijk. Er ontstond discussie tussen klager en de assistente.
Die middag heeft klager gebeld met verweerster tijdens het telefonisch spreekuur. Zij heeft hem kort te woord gestaan omdat dit haars inziens geen zaken waren om tijdens het telefonisch spreekuur te bespreken.
Klager is vervolgens overgestapt naar een andere huisarts.
3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT
Klager verwijt verweerster -zakelijk weergegeven- het volgende.
De praktijk van verweerster is regelmatig gesloten vanwege cursus of vakantie. Voor het nabestellen van medicijnen moet je dan wachten tot de praktijk weer open is. Dit is heel vervelend.
Ook werd klager onverwacht geconfronteerd met een voor hem onbekende waarneemster. Dit was niet met hem gecommuniceerd.
Verweerster heeft contracten met apothekers in B en weigerde daarom om zaken te doen met andere apothekers. Ze weigerde de gegevens van D waar klager naar was overgestapt op te nemen. Hierdoor ontstond veel discussie en onduidelijkheid. Klager heeft lange tijd moeten wachten op zijn medicatie en heeft dit zelf moeten betalen.
4. HET STANDPUNT VAN VERWEERSTER
Verweerster voert -zakelijk weergegeven- aan dat haar geen tuchtrechtelijk verwijt treft. In het navolgende zal voor zover nodig nader op het verweer worden ingegaan.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Ten aanzien van de openingstijden van de praktijk heeft verweerster aangegeven dat de praktijk iedere dag geopend is behalve tijdens ziekte, cursus-, feest- of verhuisdagen.
Indien de praktijk gesloten is, is de waarneming geregeld door dagwaarneming.
Het college is van oordeel dat dit niet afwijkt van de gang van zaken bij andere huisartspraktijken en dat verweerster hiervan derhalve geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
De wijze van communicatie over de vaste waarnemer van verweerster door middel van vermelding op de website en op de informatiefolder in de praktijk acht het college ook in overeenstemming met de normale gang van zaken binnen een huisartsenpraktijk. Ook deze klacht kan dus niet slagen.
5.3
Over het klachtonderdeel dat ziet op de omstandigheid dat verweerster contracten zou hebben met apothekers in B en daarom zou weigeren om samen te werken met D oordeelt het college als volgt.
Zowel uit de stukken als uit het proces-verbaal van het vooronderzoek blijkt dat partijen verschillen van mening over wat er feitelijk is gebeurd. Klager stelt dat hij verweerster niet heeft gesproken op 21 januari 2013. Hij heeft die dag telefonisch contact gehad met de assistente en omdat hij met haar niet verder kwam is hij later die dag naar de praktijk gegaan. Daar heeft hij aan de assistente gevraagd of de huisarts de medicijnen via D wilde bestellen of dat de huisarts via zijn fysieke apotheek het medicijn wilde bestellen. Verweerster stelt echter dat zij tijdens het gesprek van klaagster met de assistente aan de balie langskwam en bij het gesprek betrokken raakte. Zij kende deze D niet en had ernstige twijfel over de zorgkwaliteit. Zij heeft klager daarom enkele vragen over deze apotheek gesteld. Omdat klager hier geen antwoord op kon geven gaf zij aan liever met de lokale apotheek te blijven samenwerken om optimale kwaliteit van zorg te kunnen bieden. Zij stelde voor dat klager een en ander zou uitzoeken en een afspraak zou maken om dit tijdens een consult te bespreken.
In het dossier staat op 21 januari 2013 het volgende genoteerd:
T 21-01-2013 S wil naar D, thuisbezorgen kost daar niets, voor en tegen besproken. Dhr gaat over naar D. Fax nr 0297 760099
HR R SALMETEROL/FLUTICASON AEROSOL 25/250ug/DO 120DO
Het is voor het college op basis van de standpunten van partijen en de notitie in het dossier niet vast te stellen hoe de gesprekken op 21 januari 2013 precies zijn verlopen. Dat brengt mee dat niet kan worden vastgesteld of verweerster toen klachtwaardig heeft gehandeld. Dit berust er niet op dat aan het woord van klager minder waarde wordt gehecht dan aan dat van verweerster, maar op het uitgangspunt dat het handelen dat door een klager ter toetsing aan het college wordt voorgelegd eerst met voldoende mate van zekerheid moet kunnen worden vastgesteld, alvorens kan worden beoordeeld of dit al dan niet tuchtrechtelijk door de beugel kan.
5.4
Ook over wat er op 18 en 22 februari 2013 precies is gebeurd lopen de lezingen van partijen uiteen.
Wel staat voor het college vast, mede op basis van het hetgeen is genoteerd in het journaal, dat klager op 22 februari 2013 telefonisch contact heeft gehad met de assistente naar aanleiding van zijn bericht op de receptenlijn. Ook blijkt daaruit dat er een discussie tussen hen ontstond en dat de assistente het gesprek heeft beëindigd. Zij heeft voorts haar best gedaan om wel het recept naar D te faxen, hetgeen uiteindelijk ook is gelukt.
Klager heeft daarna nog telefonisch met verweerster gesproken. Blijkens de notitie in het journaal heeft verweerster klager toen uitgelegd dat zij hem eerder al had afgeraden een internetapotheek te nemen en dat het een politiek verhaal is dat een zorgverzekeraar zijn klanten daartoe dwingt. Tevens heeft zij aangegeven dat zij via de site het juiste faxnummer van de apotheek zou verifiëren. Al met al is het college van oordeel dat hieruit niet de conclusie kan worden getrokken dat verweerster weigerde samen te werken met D.
5.5
Uit het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek blijkt dat klager zich voornamelijk stoort aan het gebrek aan goede communicatie en de wijze van bejegening.
Voor zover dit onderdeel van de klacht is overweegt het college dat het duidelijk is geworden dat de overgang van klager naar D niet vlekkeloos is verlopen. Echter zoals reeds is overwogen in rechtsoverweging 5.3 kan niet vastgesteld worden wat er op 21 januari 2013 is gebeurd. Het college kan dan ook geen antwoord geven op de vraag of de wijze van communicatie daaromtrent verweerster kan worden aangerekend.
Dat verweerster het telefoongesprek met klager op 22 februari 2013 heeft beëindigd valt naar het oordeel van het college te billijken. Met verweerster is het college van oordeel dat het gesprek zich niet leende voor het telefonisch spreekuur. Het verwijt van klager dat hij onheus bejegend is treft dan ook geen doel.
5.6
Uit het voorgaande volgt dat de klacht als kennelijk ongegrond dient te worden afgewezen.
6. DE BESLISSING
Het college wijst de klacht af.
Aldus gedaan in raadkamer door mr. A.L. Smit, voorzitter, en dr. A.P.E. Sachs en M.D. Klein Leugemors, leden-geneeskundigen, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Dijkman, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2014 door mr. A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris.
voorzitter
secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.