ECLI:NL:TGZRZWO:2013:YG2597 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 029/2012
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2013:YG2597 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 31-01-2013 |
| Datum publicatie: | 31-01-2013 |
| Zaaknummer(s): | 029/2012 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Raadkamerbeslissing. Klacht tegen een psychiater. Klager verwijt verweerder dat hij de door hem opgestelde geneeskundige verklaring niet is gebaseerd op eigen waarnemingen en onjuistheden bevat. Klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE
Beslissing d.d. 31 januari 2013 naar aanleiding van de op 16 februari 2012 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van
A , wonende te B,
bijgestaan door mr. drs. P. Breedveld, verbonden aan Stichting De Ombudsman te Hilversum,
k l a a g s t e r
-tegen-
C , psychiater, werkzaam te D,
bijgestaan door mr. A.C.I.J. Hiddinga, verbonden aan DAS Rechtsbijstand te Amsterdam,
v e r w e e r d e r
1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift;
- het aanvullende klaagschrift met bijlagen;
- het verweerschrift;
- de repliek met de bijlagen;
- de dupliek;
- het proces-verbaal van het op 9 november 2012 gehouden gehoor in het kader van het
vooronderzoek, alwaar klaagster en haar gemachtigde zijn verschenen.
2. DE FEITEN
Op grond van de stukken waaronder het dossier dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Klaagster, geboren 17 juni 1938, is op 30 september 2010 door verweerder op haar woonadres bezocht op verzoek van de crisisdienst ter beoordeling van haar geestvermogens in het kader van een verzoek ter verkrijging van een voorlopige machtiging als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ). Verweerder werd vergezeld door sociaal psychiatrisch verpleegkundige E.
Naar aanleiding van dit bezoek heeft verweerder op 30 september 2010 een geneeskundige verklaring opgesteld betreffende klaagster. De daarin opgenomen vragen en door verweerder gegeven antwoorden luiden als volgt:
“4a. op grond van welke symptomen, gedragingen en feiten oordeelt u dat betrokkene lijdt aan een
stoornis van geestvermogens?
Pte is overtuigd vergiftigd te worden door de buren, evenals haar huisdieren.
Pte leidt een geïsoleerd bestaan, ervaart iedereen uit de omgeving
als vijandig en bedreigend. Pte heeft een uitgebreid parnoïd
waansysteem, van waaruit ze voortdurend politie en justitie probeert in
te schakelen. Pte laat onderzoeker niet binnen, spreekt in de wij vorm
maakt ondanks de subjectieve bedreigingen een opgewekte, wat amicale
indruk, geen hallucinaties waargenomen.
b. van wanneer dateren deze symptomen, gedragingen en feiten?
Deze symptomen en gedragingen bestaan al zeker 2 jaar.
maar nemen in ernst toe.
c. Welke gedragingen en feiten (genoemd in vraag 4a) zijn niet door uzelf waargenomen maar door
anderen aan u meegedeeld?
(duidelijk aangeven door wie u dit is meegedeeld alsmede diens naam en adres en relatie tot
betrokkene.)
Alle feiten zijn ook door mijzelf waargenomen en
bevestigd door E, spv. crisisdienst.
d. tot welke diagnose bent u gekomen op basis van uw onderzoek?
Paranoïde waanstoornis, uit te sluiten:
schizofreen proces.
5 a. op grond van welke gedragingen van betrokkene oordeelt u dat de stoornis van de geestvermogens
een gevaar oplevert voor betrokkene zelf, voor anderen of voor de algemene veiligheid van personen of
goederen?
Pte doet een grenzeloos appel op huisartsen, politie en advocaten
Hierdoor is de toegang tot de gezondheidszorg afgesloten.
De politie kan haar taken niet naar behoren uitvoeren, vanwege
overbelasting door pte.
Er is sprake van geluidoverlast en laster praktijken t.a.v.
de buren. Het raam aan de voorkant is volgeplakt met
bewijsmateriaal en aantijgingen tegen de buren.
De buren verdragen het gedrag niet meer en gaan
verhuizen. Hiervoor hebben 2 buren hetzelfde gedaan.
b. waarin bestaat dat gevaar?
overlast voor de buren, pte heeft geen toegang meer tot
de gezondheidszorg, de thuiszorg komt niet meer thuis.
pte geeft onzinnig veel geld uit aan justitiële procedures.
pte maakt het leven van de buren ondraaglijk.
pte wordt uitgestoten door haar directe omgeving.
c. hebben zich reeds feiten voorgedaan die een aanwijzing vormen voor het te verwachten gevaar?
zo ja, welke?
2 x eerder zijn buren verhuisd vanwege overlast door pte.
Huisartsen weigeren pte aan te nemen.
politie en andere instanties worden overstelpt door brieven,
telefoontjes en klachten.
d. welke gedragingen en feiten zoals genoemd in vraag 5a, 5b en 5c zijn niet door uzelf waargenomen
maar door anderen aan u meegedeeld?
alle gedragingen en feiten zijn direct waargenomen
tijdens mijn onderzoek en bevestigd door E,
Spv, en ook gestaafd door eerdere waarneming
Van. F, psychiater crisisdienst.
6 a. waarom bent u van oordeel dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen
buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend en welke maatregelen zijn in deze overwogen
of geprobeerd?
pte werkt niet mee aan ambulante hulpverlening.
Ze heeft geen ziektebesef: ze is overtuigd van haar
visie en haar realiteit.
Wordt hierin zelfs ondersteund door haar 2 in
Monaco wonende dochters.
Thuiszorg kan geen hulp meer bieden i.v.m. toenemende
agitatie en spanningen.
b. welke mededeling en wenken acht u nog van belang?
pte zal waarschijnlijk de rechter niet
binnenlaten. Mogelijk geeft ze hiertoe wel toestemming
als er een advocaat bij aanwezig is.”
Bij beschikking van 3 november 2010 is door de rechtbank D het verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging tot opneming/verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis afgewezen.
Op 18 oktober 2011 heeft gemachtigde van klaagster verweerder een brief geschreven. In deze brief is aangegeven dat van een psychiatrisch onderzoek door verweerder geen sprake is, de verklaring van verweerder onjuistheden bevat en klaagster zich onheus bejegend voelt door verweerder. Verweerder is om een reactie verzocht.
Op 8 november 2011 heeft verweerder op vorengenoemde brief gereageerd. Verweerder heeft in zijn brief aangegeven dat hij het niet eens is met de stelling dat geen psychiatrisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft in zijn brief geconcludeerd dat hij niet incorrect en onzorgvuldig heeft gehandeld.
3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT
Klager verwijt verweerder -zakelijk weergegeven- dat verweerder zonder onderzoek een geneeskundige verklaring heeft opgesteld en derhalve onzorgvuldig heeft gehandeld. De opgestelde geneeskundige verklaring is niet gebaseerd op eigen waarnemingen en bevat onjuistheden. Klaagster voelt zich onheus bejegend door de incorrecte en onzorgvuldige handelwijze van verweerder.
4. HET STANDPUNT VAN VERWEERDER
Verweerder voert -zakelijk weergegeven- aan dat hij klaagster, hoewel zij hem niet binnen heeft gelaten in haar woning, in een gesprek aan de deur gedurende drie kwartier heeft onderzocht, in het bijzijn van sociaal psychiatrisch verpleegkundige E. De beantwoording van de vragen in de geneeskundige verklaring is gebaseerd op eigen waarnemingen die bevestigd zijn door E, en verder op informatie van de psychiater van de crisisdienst en uit het medisch dossier. Verweerder meent dat hij met zijn onderzoek op 30 september 2010 en de door hem opgestelde geneeskundige verklaring heeft voldaan aan de eisen van zorgvuldigheid en deskundigheid en dat de tegen hem ingediende klacht (kennelijk) ongegrond is.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
De rapportage van verweerder wordt, volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege, aan de hierna volgende criteria getoetst:
1. wordt in het rapport op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusie van het rapport steunt,
2. vinden de in het rapport uiteengezette gronden aantoonbaar voldoende steun in de feiten, omstandigheden en bevindingen van het rapport,
3. kunnen bedoelde gronden de daaruit getrokken conclusie rechtvaardigen,
4. beperkt de rapportage zich tot de deskundigheid van de rapporteur en,
5. kon de methode van onderzoek teneinde tot beantwoording van de voorgelegde vraagstelling te komen tot het beoogde doel leiden, en/of heeft de rapporteur daarbij de grenzen van redelijkheid en billijkheid niet overschreden.
Vakkundigheid en zorgvuldigheid worden daarbij ten volle getoetst. Ten aanzien van
de conclusie van de rapportage vindt slechts een marginale toetsing plaats.
5.3
Partijen verschillen over de feitelijke gang van zaken met betrekking tot het bezoek van verweerder op het woonadres van klaagster op 30 september 2010.
Het college is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat klaagster en verweerder elkaar wel gesproken hebben, hoewel klaagster verweerder niet wilde binnenlaten om haar te onderzoeken. De rechtbank leidt dit af uit de uitgebreide verslaglegging van verweerder, waarin zijn observaties en waarnemingen zijn opgetekend, waarbij verweerders bevindingen bevestigd werden door E die volgens klaagster zelf diverse keren met de politie bij haar aan de deur is geweest. Daartoe heeft het college zich in grote lijnen kunnen verenigen met hetgeen verweerder in zijn verweerschrift en in de conclusie van dupliek heeft doen aanvoeren met betrekking tot de klacht.
Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.
5.4
De klacht omtrent de door klaagster genoemde onjuistheden in de verklaring van verweerder faalt eveneens.
Verweerder heeft na raadpleging van het medisch dossier omtrent klaagster kunnen concluderen dat klaagster geen toegang had tot de gezondheidszorg. Klaagster had geen contact meer met de regionale huisartsen, doordat zij (in het verleden) een grenzeloos appel heeft gedaan op, onder andere, huisartsen en stond, voor zover verweerder bekend was, alleen onder behandeling van een arts uit Duitsland die haar homeopathisch behandelde.
Het opnemen van de burenoverlast door klaagster is evenmin onzorgvuldig gelet op de onderbouwing daarvan. De door verweerder genoemde burenoverlast is hem bekend geworden via de crisisdienst, die uitvoerig heeft gesproken met de betreffende buren.
Verweerders opmerking omtrent het ontbreken van ziektebesef aan de zijde van klaagster is een professioneel oordeel van verweerder en de enkele stelling van klaagster dat zij wel inzicht heeft in haar ziekte kan dit oordeel niet ondermijnen en kan niet als onjuistheid in de geneeskundige verklaring worden aangemerkt.
5.5
Anders dan klaagster kennelijk denkt brengt het afwijzen van het verzoek tot verlening
van een voorlopige machtiging door de rechter, waarbij de vordering getoetst wordt
aan de hand van het gevaarscriterium, niet mee dat de door verweerder opgemaakte geneeskundige
verklaring niet aan de daaraan gestelde eisen voldoet en verweerder daarmee tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld.
5.6
Uitgaande van de hierboven weergegeven feiten en rekening houdend met het weergegeven toetsingscriterium is het college tot de slotsom gekomen dat de rapportage van verweerder aan alle hiervoor genoemde criteria voldoet en de k lacht in al zijn onderdelen als kennelijk ongegrond moet worden afgewezen.
6. DE BESLISSING
Het college wijst de klacht af.
Aldus gedaan in raadkamer door mr. A.L. Smit, voorzitter, dr. R.J. Verkes en J.N. Voorhoeve leden-geneeskundigen, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Sijnstra-Meijer, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2013 door mr. A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris.
voorzitter
secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.