ECLI:NL:TGZRZWO:2013:YG2595 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 312/2011

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2013:YG2595
Datum uitspraak: 31-01-2013
Datum publicatie: 31-01-2013
Zaaknummer(s): 312/2011
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Raadkamerbeslissing. Klacht tegen gezondheidszorgpsycholoog kennelijk ongegrond. Verweerster mocht uitgaan van de op dat moment gestelde diagnose en heeft gehandeld als redelijk en bekwaam beroepsbeoefenaar. Verweerster heeft op herhaaldelijk verzoek van klager en nader onderzoek aangevraagd. Het klachtonderdeel met betrekking tot de medicatie treft geen doel nu verweerster geen medicatie aan klager heeft voorgeschreven.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 31 januari 2013 naar aanleiding van de op 6 december 2011 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

A , wonende te B,

bijgestaan door mr. T.P. Boer, advocaat te Arnhem,

k l a g e r

-tegen-

C , gezondheidszorgpsycholoog, werkzaam te D,

bijgestaan door mr. A.C.I.J. Hiddinga, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam,

v e r w e e r s t e r

1.      HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van:

-       het klaagschrift met de bijlagen;

-       het aanvullende klaagschrift;

-       het verweerschrift met bijlagen;

-       de repliek met de bijlagen;

-       de dupliek;

-       het medisch dossier;

-       het proces-verbaal van het op 4 september 2012 gehouden gehoor in het kader van het  

vooronderzoek.

2.      DE FEITEN

Op grond van de stukken waaronder het medisch dossier dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klager, geboren op 10 januari 1984, is van 31 maart 2003 tot 2 mei 2003 opgenomen geweest op de afdeling crisisopvang van E, instelling voor zorg en welzijn. Aansluitend is klager opgenomen in het F voor diagnostiek en behandeling van een psychotische episode.

Op 26 mei 2003 vond een intakegesprek plaats bij G, ten tijde van de opname in het F.

Het F heeft klager aangemeld voor een klinische resocialiserende behandeling bij G, bij brief van 3 juni 2003, met navolgende inhoud – voor zover thans van belang:    

Conclusie:

             Psychotische toestandsbeeld met akoestische, visuele en olfactorische hallucinaties in combinatie met

                 betrekkingsideeën en betrekkingswanen bij een 19-jarige jongen met blanco psychiatrische voorge-

                 schiedenis en fors drugsgebruik in het verleden. Naast een mogelijke erfelijke belasting (eeneiige

                 tweelingbroer heeft naast afhankelijkheid van multipele middelen mogelijk ook schizofrenie) spelen

                  een verwaarlozend thuismilieu en overmatig drugsgebruik een rol.

             DSM IV criteria:

                 AS I        295.30   schizofrenie, paranoide type

                 AS II       V71.09   -

                 AS III                     gynaecomastie (licht)

                 AS IV                      drugsbruik in verleden (LSD, cannabis en cocä ne), scheiding ouders, ambivalente

                                                 relatie met tweelingbroer, geen huisvesting

                 AS V                       GAF bij opname 21-30, huidig 51-60”

Op 14 juli 2003 heeft psychiater H klager gezien voor een intake met het oog op het inzetten van een resocialiserend traject. Klager is na het intakegesprek vrijwillig opgenomen op de afdeling Reso II, alwaar verweerster werkzaam was als behandelend psycholoog.

Op 16 maart 2004 vulde verweerster een aanvraagformulier psychologisch onderzoek in met navolgende vraagstelling:

             “second opinion t.a.v. de diagnose. Schizofrenie.

                 Hierover bestaan twijfels. Ook t.a.v. mogelijkheden voor de

                                                                                                               toekomst.”

Op 8, 13 en 15 april 2004 werd klager psychologisch onderzocht door verweerster en psychodiagnostisch medewerker I.

De samenvattende conclusie luidt, voor zover thans van belang:

             “een 20-jarige jongen met een gemiddeld intelligentieniveau

                 (LIQ=107/GIQ=103) conform zijn vooropleiding.

                 Ten tijde van de testafname was er duidelijk sprake van een manische psychose die lijkt               te

                  passen bij een bipolair danwel schizo-affectief beeld.

                 Hij staat kinderlijk en naïef in ’t leven en is derhalve nog onrijp in zijn persoonlijkheid.”

Op 26 oktober 2004 werd klager ontslag aangezegd in verband met het opnieuw overtreden van de afdelingsregels. Klager diende op 29 oktober 2004 de afdeling te verlaten.

Verweerster informeerde de huisartsenpraktijk per brief van 25 november 2004 omtrent het ontslag van klager op 1 november 2004, inhoudende, voor zover thans van belang:

             “…         Uitslag psychologisch onderzoek geeft ook aan dat

                 er sprake is van schizo-affectieve stoornis en erg psychotisch kwetsbaar bij onrijpe

                 persoonlijkheidsontwikkeling.

                 …            Juni 2004 gaat het duidelijk beter. (H)erkent

                 zijn psychose en uitleg schizo-affectieve stoornis. Eerst gestart met seroxat ivm somberheid.

                 Echter geen gewenst effect.

                 Start -naast orap- op 23-07-04 met lithium. Ervaart er veel baat bij. Ervaart innerlijke rust in de

                 hoofd.

                 …

                 Diagnose:

                 Paranoïd psychotisch toestandsbeeld, gedeeltelijk in remissie bij dakloze, 20-jarige jongeman,

                 bekend met misbruik van diverse middelen, die mogelijk erfelijk belast is en, blijkens info van

                 verwijzer, komt uit een verwaarlozende thuissituatie. Voorgeschiedenis is nagenoeg blanco.

            Classificatie volgens DSM IV:

                 As I         : schizoaffectieve stoornis, laatste episode manisch psychotisch

                                multi middelen misbruik (cannabis, cocaïne, paddo’s, LSD)

                                alcohol misbruik

                 As II        : trekken van cluster C persoonlijkheid

                 As II        : gynaecomastie (licht)

                 As IV      : psychosociale- en omgevingsproblematiek:

                                                * familiaire belasting

                                                * zieke moeder (longkanker)

                                                * problemen in primaire steungroep

                 As V        : algemeen nivo van functioneren: GAF 50

                 …

                 Medicatie bij ontslag:

                 - orap 4 mg 1 dd 1

                 - priadel 400 mg 2 dd 1

                 - promethazine 25 mg 1 dd 1 a.n.; 1 dd 2 a.n.”

3.      HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT

Na het klaagschrift en de aanvulling daarop heeft klager bij repliek een viertal algemene klachten geformuleerd en één klacht specifiek in de richting van verweerster. Bij het mondeling vooronderzoek zijn de klachten nader geformuleerd en de algemene klachten ten aanzien van verweerster ingetrokken omdat deze niet herleidbaar zijn tot verweerster. Zoals nader ingevuld bij het mondeling vooronderzoek verwijt klager verweerster -zakelijk weergegeven- dat verweerster onzorgvuldig heeft gehandeld. Verweerster is van een onjuiste diagnose uitgegaan betreffende klager (schizoaffectieve stoornis in plaats van schizofreen) en daarop is verkeerde medicatie voorgeschreven in een verkeerde dosering.

4.      HET STANDPUNT VAN VERWEERSTER

Verweerster voert -zakelijk weergegeven- aan dat zij zorgvuldig heeft gehandeld met betrekking tot klager. Bij opname was er geen reden om de door het F gestelde diagnose (schizofrenie, paranoïde type) te herzien. Verweerster sprak klager veelvuldig op de afdeling. De medicatie werd voorgeschreven door de arts, onder supervisie van een psychiater. Verweerster heeft op aandringen van klager een second opinion aangevraagd, waarna de diagnose is bijgesteld.

5.      DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1               

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Met betrekking tot het verwijt dat verweerster uitgegaan is van een onjuist gestelde diagnose overweegt het college het volgende.

Psychiater H heeft op 14 juli 2003 een intakegesprek met klager gevoerd. Het college heeft uit het dossier niet kunnen afleiden dat tijdens dit consult aanwijzingen zijn ontstaan op basis waarvan verweerster aan de door het F gestelde diagnose diende te twijfelen of nadere diagnostiek in de rede lag. Verweerster heeft dan ook mogen uitgaan van door het F gestelde diagnose. Na (herhaaldelijk) verzoek daartoe van klager en in verband met gerezen twijfel heeft verweerster een second opinion aangevraagd. Verweerster en psychodiagnostisch medewerker I hebben in april 2004 gedurende een drietal dagen klager onderzocht en op basis daarvan geconcludeerd. Niet gesteld, noch aannemelijk is geworden dat de door verweerster gestelde diagnose onzorgvuldig tot stand is gekomen. Gelet op het voorgaande heeft verweerster naar het oordeel van het college zorgvuldig gehandeld ten aanzien van de diagnostiek aangaande klager.  

5.3

Het verwijt in de richting van verweerster omtrent de voorgeschreven medicatie en de dosering daarvan faalt nu zij geen medicatie heeft voorgeschreven. De medicatie werd onder supervisie van een psychiater door de arts voorgeschreven. Hiervan valt verweerster derhalve geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.

5.4

Het voorgaande leidt ertoe dat de klachten kennelijk ongegrond zijn en als volgt dient te worden beslist.

6.      DE BESLISSING

Het college wijst de klacht af.

Aldus gedaan in raadkamer door mr. A.L. Smit, voorzitter, M.W.D. Nijhoff-Huijsse en

L.P.T. Raijmakers, leden-gezondheidszorgpsychologen, in tegenwoordigheid van

mr. J.W. Sijnstra-Meijer, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2013 door

mr. A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris.                                                                                                   

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

 

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

a. de klager en/of klager, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b. degene over wie is geklaagd;

c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.