ECLI:NL:TGZRZWO:2013:YG2548 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 112/2012
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2013:YG2548 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-01-2013 |
| Datum publicatie: | 10-01-2013 |
| Zaaknummer(s): | 112/2012 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Gegrond, (voorwaardelijke) schorsing inschrijving register |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen huisarts over het niet afleggen van een visite terwijl voor het weekend herhaaldelijk was gebeld over een 70-jarige patiënt met klachten betreffende koorts, benauwdheid en pijn. Achteraf bleek patiënt een dubbele longontsteking en ernstig zuurstoftekort te hebben. Klacht gegrond. In verband met een drietal eerdere maatregelen volgt een schorsing van twee maanden. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE
Beslissing d.d. 10 januari 2013 naar aanleiding van de op 10 mei 2012 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van
A , wonende te B,
k l a a g s t e r
-tegen-
C , huisarts, werkzaam te B,
v e r w e e r d e r
1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift met bijlage.
Verweerder heeft, ondanks een uitnodiging en twee schriftelijke alsmede telefonische rappellen, geen verweerschrift ingediend.
Partijen hebben afgezien van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.
De zaak is behandeld ter openbare zitting van 30 november 2012, alwaar zijn verschenen klaagster met haar echtgenoot en verweerder.
2. DE FEITEN
Verweerder heeft het dossier van klaagster niet overgelegd, stellende dat hij daarover niet meer mocht beschikken na de beëindiging van de behandelovereenkomst. Op grond van het klaagschrift en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Op donderdag 1 december 2011 nam klaagster telefonisch contact op met de praktijk van verweerder wegens ziekte van haar echtgenoot, destijds bijna 70 jaar oud en hierna patiënt te noemen. Patiënt had sinds woensdag hoge koorts, was benauwd en had veel pijn. Verweerder was wel aanwezig maar een vaste waarnemer nam altijd waar op donderdag. De assistente adviseerde paracetamol te geven aan patiënt omdat hij waarschijnlijk griep zou hebben. Die middag belde klaagster nogmaals, deze keer voor een recept voor zichzelf, maar ze gaf tevens aan dat ze het niet vertrouwde met haar man.
Op vrijdag 2 december 2011 nam klaagster opnieuw contact op met de assistente van verweerder omdat de situatie van patiënt was verslechterd. De assistente overlegde met verweerder en deelde klaagster mede dat verweerder haar terug zou bellen tussen 13.00 en 13.30 uur. Rond 13.00 uur werd klaagster door de assistente gebeld om haar mee te delen dat verweerder bezet was met andere bezigheden en later zou bellen, tussen 15.00 en 15.30 uur.
Om 16.00 uur werd klaagster gebeld door verweerder. Klaagster gaf aan dat ze liever niet het weekend in wilde gaan met zo’n zieke man en dat hij nu ook pijn in zijn zij had. Over de mededeling van verweerder dat patiënt griep had sprak klaagster haar verwondering uit omdat haar man daartegen was ingeënt. Verweerder adviseerde klaagster in het weekend contact op te nemen met de huisartsenpost wanneer patiënt groen of rood sputum zou opgeven.
Op zondag 4 december 2011 was patiënt zo ziek dat klaagster in de ochtend contact heeft gezocht met de huisartsenpost. Patiënt is vervolgens opgenomen in het ziekenhuis met ernstig zuurstoftekort en een dubbele longontsteking.
Op woensdag 7 december 2011 is klaagster bij verweerder langs geweest en zeer boos op hem geworden naar aanleiding van de gang van zaken. Verweerder heeft haar daarop aangegeven dat zij de praktijk diende te verlaten en met haar man een andere huisarts diende te zoeken.
Bij uitspraak van 2 april 2012 heeft de Klachtencommissie D een klacht van klaagster met betrekking tot het achterwege laten van een visite op 2 december 2011 en het gesprek op
7 december 2011 gegrond verklaard.
Dit college heeft verweerder bij uitspraak van 27 mei 2000 (no. 056/99) een voorwaardelijke schorsing voor de duur van twee maanden opgelegd, bij uitspraak van 10 mei 2007
(no. 001/2006) een berisping gegeven en bij uitspraak van 25 augustus 2011 (no. 071/2011) een waarschuwing. In alle procedures heeft verweerder in het vooronderzoek niet gereageerd maar is hij (uiteindelijk) wel ter zitting verschenen. In twee zaken heeft de IGZ op verzoek van het college een onderzoek gedaan en rapport uitgebracht. In de onderhavige zaak heeft de IGZ dat niet willen doen, onder meer stellende dat de IGZ alleen op basis van artikel 66 lid 2 Wet BIG daartoe geen mogelijkheid ziet.
3. HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT
Klaagster verwijt verweerder -zakelijk weergegeven- grove nalatigheid. Nadat klaagster een paar maal contact had opgenomen met de praktijk van verweerder en haar zorgen uitte over patiënt heeft verweerder geen visite afgelegd maar telefonisch de diagnose griep gesteld.
4. HET STANDPUNT VAN VERWEERDER
Verweerder heeft pas ter zitting voor het eerst verweer gevoerd. Hij geeft aan dat klaagster niet met zoveel woorden om een visite heeft gevraagd, maar dat het achteraf beter ware geweest als hij een visite had afgelegd.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Evenals de klachtencommissie is het college van oordeel dat, als al het derde telefonisch contact op vrijdagochtend niet had moeten nopen tot het afleggen van een visite, verweerder in elk geval daartoe had moeten besluiten op basis van het telefoongesprek met klaagster op vrijdagmiddag. Het ging om een patiënt op leeftijd die, naar onbestreden is, niet vaak een beroep deed op huisartsenzorg. Naast de eerdere verschijnselen van benauwdheid, hoesten en hoge koorts kwam er de klacht over pijn in de zij bij. Het betrof toen al het vierde telefonische contact in twee dagen tijd, klaagster was erg ongerust hetgeen naar verweerder ter zitting aangaf ook wel bij hem is overgekomen en zij wilde zo eigenlijk niet het weekend in gaan. Niet valt in te zien waarom verweerder dan nog betekenis kan toekennen aan het feit dat klaagster niet met zoveel woorden om een visite zou hebben gevraagd. Ook is niet zonder meer doorslaggevend dat patiënt geen rood of groen, maar slechts wit sputum opgaf. In de gegeven omstandigheden had verweerder, zeker gelet op het feit dat het weekend voor de deur stond en klaagster dan de huisartsenpost zou moeten bellen, zonder meer een visite moeten afleggen. Overigens heeft hij ook geen bijzonder melding gedaan voor de waarnemers in het weekend. De klacht is dus gegrond.
5.3
Hoewel bij dit college niet met zoveel woorden is geklaagd over het gesprek op 7 december 2011, wil het college hier nog het volgende over opmerken. Verweerder heeft aangegeven dat hij zich daarbij voorbeeldig heeft gedragen, ondanks het feit dat hij naar hij ter zitting aangaf “zich in zijn bestaan bedreigd voelde” toen klaagster aangaf dat hij incapabel was en een wonderdokter/bijzondere medicijnman (vanwege het telefonisch stellen van een diagnose) en de titel huisarts niet waardig. Uiteraard zijn dit op zichzelf onheuse bewoordingen die wijzen op een verstoorde vertrouwensband. Maar verweerder heeft toen en nu geen enkel inlevingsvermogen vertoond in de emotie van de echtgenote van een patiënt die kort tevoren door - naar verweerder zelf ook heeft toegegeven - verweerders nalatigheid ernstig ziek in het ziekenhuis moest worden opgenomen. Bovendien heeft hij zich niet gehouden aan de KNMG-Richtlijn “Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst” die voorschrijft dat (ook) bij beëindiging wegens onheus gedrag van de patiënt ten eerste deze de gelegenheid moet krijgen om zijn gedrag te veranderen en voorts een redelijke termijn voor beëindiging in acht moet worden genomen. Ook de vermijdende proceshouding en het gedrag ter zitting van verweerder duiden op psychische problematiek bij verweerder waarvoor met het oog op zijn professioneel functioneren hulp vereist is. Het voorgaande leidt tot het hierna te noemen advies aan verweerder zonder dat dit tot verzwaring van de maatregel leidt.
5.4
Er zijn driemaal eerder tuchtrechtelijke maatregelen aan verweerder opgelegd. Twee daarvan getuigen van laakbaar gedrag van verweerder. In de derde beslissing heeft het college aangegeven dat daarvan eveneens sprake was, maar dat onder meer gelet op het feit dat verweerder maatregelen had genomen om herhaling te voorkomen de lichtste maatregel volstond. In 2000 heeft het college al expliciet aangegeven dat er wellicht een taak voor het College van Medisch Toezicht was weggelegd. Het college legt, gelet op de ernst van het verwijtbaar geachte handelen en op het tuchtrechtelijk verleden van verweerder, thans aan verweerder een onvoorwaardelijke schorsing van twee maanden op. Daaraan verbindt het college het advies aan verweerder om deze tijd te benutten om te komen tot een psychiatrisch onderzoek en op basis daarvan een passende vorm van (psycho)therapie te starten.
6. DE BESLISSING
Het college schorst de inschrijving van verweerder in het BIG-register voor de duur van twee maanden.
Aldus gedaan in raadkamer door mr. A.L. Smit, voorzitter, mr. A.A.A.M. Schreuder, lid-jurist, en G.W.A. Diehl, M.D. Klein Leugemors en A.M. Rijken, leden-geneeskundigen, in tegenwoordigheid van mr. G.E. Bart, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op
10 januari 2013 door mr. A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris.
voorzitter
secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.