ECLI:NL:TGZRZWO:2013:YG2545 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 058/2012

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2013:YG2545
Datum uitspraak: 10-01-2013
Datum publicatie: 10-01-2013
Zaaknummer(s): 058/2012
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie: Verantwoordelijkheid huisarts voor tijdige doorverwijzing patiënt en voor juiste persoonlijke communicatie.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 10 januari 2013 naar aanleiding van de op 1 maart 2012 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

A , wonende te B,

k l a g e r

-tegen-

C , huisarts, werkzaam te B,

v e r w e e r d e r

1.      HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van:

– het klaagschrift;

– het verweerschrift met de bijlagen;

– de repliek;

– de dupliek;

– het medisch dossier;

– het proces-verbaal van het op 27 september 2012 gehouden gehoor in het kader van het  

   vooronderzoek.

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 30 november 2012, alwaar zijn verschenen klager en verweerder. 

2.      DE FEITEN

Op grond van de stukken waaronder het medisch dossier en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klager nam in de avond van 22 februari 2012 contact op met de huisartsenpost in B omdat zijn echtgenote, geboren op 15 juni 1947, hierna patiënte te noemen, acute zichtproblemen kreeg aan haar rechteroog. De problemen uitten zich in de vorm van wazig en dubbel zien. In het verleden had patiënte aan haar linkeroog een infarct gehad. Klager werd verzocht met patiënte naar de huisartsenpost (HAP) te komen waar verweerder die avond dienst had. Verweerder nam bij patiënte een zichttest af en zag reden patiënte door te verwijzen naar een oogarts. Daartoe belde hij met de spoedeisende hulp van het D. Verweerder heeft vervolgens telefonisch contact gehad met een aantal personen om te achterhalen wie de dienstdoende oogarts was, zulks tevergeefs, waardoor hij geïrriteerd raakte.

In het dossier noteerde hij het volgende in het waarneembericht:

“ […] urgentie dringend (U3), (S) andere visussymptomen/-klachten, een paar jaar geleden li oog infarct. Nu: zit tv te kijkn en i ndfe loop van de av. wordt re oog wordt steeds waziger. Draagt een bril. Kan ondertiteling niet meer goed lezen. Dubbelzien +. Lichtflitsen: -. Pijn: -. Tranen: -. Rood: -.  (O) visus re 0,4 ( E) plotse visusdaling re oog (P) verw E, dienstdoende oogarts in B niet te bereiken.”

Verweerder schreef twee verwijsbrieven voor patiënte en adviseerde klager om met haar naar de Spoedeisende Hulp van het E te F of naar het G in H te rijden. Klager heeft vervolgens meteen toen hij thuis kwam contact opgenomen met het E maar kreeg te horen dat hij niet kon komen anders dan dat de dienstdoende huisarts zelf contact opnam met het E. Klager kreeg dezelfde boodschap te horen van het G en kon alleen terecht als verweerder telefonisch het ziekenhuis op de hoogte stelde. Het G heeft contact gezocht met de HAP in B waar inmiddels een collega van verweerder de dienst had overgenomen.

In het dossier is het volgende beschreven in het waarneembericht:

“nacht/dienst telefonisch consult. Urgentie classificatie: Spoed (U2). […] werd gebeld door H: oogarts is niet in zh, moet gebeld worden door de ddha. teruggebeld met patiënt. echtgenoot is zeer boos. vervelend gesprek. wil dat er meteen wat geregeld wordt. hulpvraag: afspraakmaken bij dienstdoende oogarts. tot 00.30 uur bezig om oogarts te bereiken, via receptie zkh, kan dd oogarts mevr. I en J niet bereiken, uiteindelijk dhr K (vd lijst) die geen dienst heeft bereid gevonden patiënt te willen zien!!! Iom dhr K, pat. naar L!!!MIP melding wordt gedaan!!!”

3.      HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT

Klager verwijt verweerder -zakelijk weergegeven- dat hij:

  1. geen noodzakelijk contact heeft opgenomen met het E of het G;
  2. de mededeling heeft gedaan dat er een oogarts in het E aanwezig was terwijl dit niet zo bleek te zijn;
  3. niet op de hoogte was van de mogelijkheid contact op te nemen met M in N;
  4. tijdens het consult ongeïnteresseerd, besluiteloos en traag gedrag vertoonde.

4.      HET STANDPUNT VAN VERWEERDER

Verweerder voert -zakelijk weergegeven- aan dat hij de klacht van patiënte als zeer ernstig heeft aangemerkt. Om die reden was onderzoek door een oogarts noodzakelijk voor verdere diagnostiek. Hij heeft contact opgenomen met de Spoedeisende Hulp van het D om te vragen welke oogarts er dienst had en hoe deze te bereiken was.

Omdat niemand hem hierover duidelijkheid kon verschaffen heeft hij klager en patiënte geadviseerd direct naar het E te rijden, mede gezien zijn ervaring in het verleden dat doorverwijzen erg veel tijd in beslag nam en hij tijdsverlies voor patiënte wilde voorkomen.

Verweerder merkte dat klager het niet eens was met dit advies. Klager maakte beledigende en kleinerende opmerkingen waardoor hij zat te trillen op zijn stoel.

Hij heeft niet overlegd met het E omdat dit geen consequenties had voor het beleid en omdat hij klager zo snel mogelijk uit zijn nabijheid wilde hebben.

5.      DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1               

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

De klachtonderdelen 1. en 2., die er in de kern op neer komen dat verweerder op 22 februari 2012 niet professioneel en adequaat heeft gehandeld bij de doorverwijzing van patiënte naar de oogarts, acht het college gegrond. Patiënte was bekend met een eerder ooginfarct. Verweerder, die blijkens zijn aantekeningen uitging van een acute medische situatie bij patiënte, had zelf telefonisch contact moeten hebben met een oogarts voor het maken van een afspraak opdat patiënte zo spoedig mogelijk door die oogarts zou worden gezien. Weliswaar heeft verweerder dit in eerste instantie tevergeefs geprobeerd, maar hij heeft door patiënte twee verwijsbrieven mee te geven voor of wel het E, of het G - ter keuze aan patiënte -  een risico op tijdverlies en medische complicaties laten ontstaan. Verweerder mocht er gezien het tijdstip waarop hij patiënte zag, 22.45 uur, niet op vertrouwen dat in het E een oogarts aanwezig zou zijn die haar direct zou kunnen helpen. Verweerder mag van zijn patiënten niet verwachten dat zij, na onaangekondigd bij de spoedeisende hulp te zijn verschenen, daar een voet tussen de deur zetten teneinde zo spoedig mogelijk te worden geholpen. Het is aan verweerder om een goede doorverwijzing tot stand te brengen. De huisarts die na verweerder dienst had heeft die nacht een afspraak voor patiënte geregeld met een oogarts, door wie patiënte pas om 02.00 uur werd gezien. De verantwoordelijkheid voor het organiseren van een verwijzing naar de oogarts heeft verweerder ten onrechte bij patiënt neergelegd, hetgeen hem te verwijten valt.

5.3      

Wat de overige onderdelen (3. en 4.) van de klacht betreft, heeft verweerder ter zitting uitgelegd dat hij wel op de hoogte is van de mogelijkheid contact op te nemen met het M en dat bij hem geen sprake was van ongeïnteresseerd of traag gedrag, zoals klager hem verwijt. Nu het relaas van klager en verweerder over het voorgevallene uiteenloopt, kan het college niet vaststellen wie van beide het gelijk aan zijn zijde heeft, zodat de klacht in zoverre ongegrond moet worden verklaard. Verweerder heeft nog verklaard dat hij zeer geïrriteerd was over het feit dat hij geen oogarts te spreken kreeg. De indruk van het college is dat verweerder er in ieder geval niet in is geslaagd zijn frustraties daarover bij zijn patiënte weg te houden. De persoonlijke communicatie dient een punt van aandacht voor verweerder te zijn. Immers, past het een professioneel zorgverlener niet om onzorgvuldig te zijn in zijn uitlatingen of gedragingen. Het ware beter geweest als verweerder over zijn irritatie duidelijker met patiënte en klager had gecommuniceerd. Tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is evenwel niet gebleken.

5.4      

Alles overziende is de conclusie dat de klacht deels gegrond is, waarbij de na te melden beslissing past.

6.      DE BESLISSING

Het college waarschuwt verweerder.

Aldus gedaan in raadkamer door mr. A.A.A.M. Schreuder, voorzitter, mr. A.L. Smit, lid-jurist, en G.W.A. Diehl, M.D. Klein Leugemors en A.M. Rijken, leden-geneeskundigen, in tegenwoordigheid van mr. G.E. Bart, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 

10 januari 2013 door mr. A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris.

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b. degene over wie is geklaagd;

c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.