ECLI:NL:TGZRZWO:2012:YG2656 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 072/2012
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2012:YG2656 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-02-2012 |
| Datum publicatie: | 14-02-2013 |
| Zaaknummer(s): | 072/2012 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Raadkamerbeslissing. Klacht tegen verpleegkundige kennelijk ongegrond.Geen schending beroepsgeheim i.c. door melden van incident bij politie en Dimence. Van onthouden van behandeling aan klager is geen sprake.Voor het overleggen van medische informatie in tuchtzaak door verweerder in kader van verdediging is geen toestemming klager noodzakelijk. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE
Beslissing d.d. 14 februari 2013 naar aanleiding van de op 20 maart 2012 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van
A , wonende te B,
k l a g e r
-tegen-
C , verpleegkundige, werkzaam te B,
v e r w e e r d e r
1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de repliek;
- de dupliek.
Partijen hebben afgezien van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.
2. DE FEITEN
Op grond van de stukken waaronder het als bijlage bij het verweerschrift overgelegde dossier dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Klager, geboren 3 november 1961, is in 1999 door de Reclassering D verwezen naar E, een forensisch psychiatrische poli- en dagkliniek, in het kader van voorwaardelijke beëindiging van de hem opgelegde terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege (TBS). Klager is in 1990, na een eerdere veroordeling wegens poging tot doodslag op een psychiater, veroordeeld tot TBS wegens poging tot doodslag. In 1998 was volgens de DSM IV-classificatie bij klager op As I vastgesteld een pervasieve ontwikkelingsstoornis NAO en een sociale angststoornis en op As II een persoonlijkheidsstoornis met paranoïde, narcistische en theatrale trekken.
Verweerder is als teamleider werkzaam bij E.
Klager en F, hoofd poli- en dagkliniek van E, hebben op 24 februari 1999 een behandelovereenkomst ondertekend met de navolgende inhoud, voor zover hier thans van belang:
“ondergetekende: A geboren 3 november 1961
…
verklaart akkoord te gaan met het behandelplan, zoals beschreven. Dit plan is met hem/haar doorgenomen en de inhoud wordt door hem/haar onderschreven. Hiermee maakt hij/zij
kenbaar mede verantwoordelijk te zijn voor het gewenste veranderingsproces dat moet leiden
tot verminderde delictgevaarlijkheid c.q. verkleind recidiverisico.
Hij/zij gaat akkoord met het feit dat alles wat hij/zij met één van de medewerkers van de
poli- of dagkliniek bespreekt, ook besproken zal worden met al degenen, die betrokken zijn
bij zijn behandeling. Dit betreft ook personen, die niet in dienst zijn van de poli- of
dagkliniek, maar betrokken zijn bij de behandeling van hun instelling, zoals bijvoorbeeld
zijn/haar reclasseringsmedewerker.
Wanneer in de ogen van de staf van de polikliniek of de reclassering het recidivegevaar te
groot wordt, kan in samenspraak met de reclassering door de polikliniek en/of de reclassering
justitie of politie geïnformeerd worden. De verantwoordelijkheid voor deze beslissing ligt
voor wat betreft de poli- en dagkliniek bij de heer F, tweede ondergetekende.”
Vanaf de aanmelding van klager bij E is psychiatrische en psychologische behandeling ingezet met ondersteuning door een sociaalpsychiatrisch verpleegkundige.
Dat was vanaf 2004 G. Zij vervulde tevens de rol van hoofdbehandelaar van klager.
Zij bracht eens in de twee à drie weken een huisbezoek. Buiten die contacten was zij tijdens kantooruren voor klager bereikbaar op een mobiel telefoonnummer.
Klager is in maart 2011 op zijn verzoek door zijn huisarts doorverwezen voor nadere diagnostiek naar Dimence.
Op 15 september 2011 heeft klager telefonisch contact opgenomen met G om te bespreken dat hij tweemaal door medewerkers van een elektronicawinkel was verwijderd uit de winkel. De eerste keer vanwege het in de winkel bekijken van erotische websites op een computer en de tweede keer in verband met het feit dat hij niet in de betreffende winkel mocht komen op dat moment. G heeft in samenspraak met klager contact opgenomen met de elektronicawinkel. Zij heeft getracht te bemiddelen en klager geadviseerd geen laster- en/of wraakcampagne te starten tegen de elektronicawinkel.
Op 7 februari 2012 heeft klager een toestemmingsformulier ondertekend waarin klager toestemming geeft aan Dimence tot het opvragen of verstrekken van informatie bij E.
Op 4 maart 2012 om 03.50 uur is een bericht, met hierna te vermelden inhoud, ingesproken op de voicemail van G. Op 5 maart 2012 heeft G dit incident gemeld bij haar teamleider, verweerder.
Klager had zijn naam niet vermeld en het telefoonnummer was afgeschermd, echter G meende de stem van klager te herkennen.
Verweerder en G hebben op 6 maart 2012 een onaangekondigd huisbezoek afgelegd waarvan op 8 maart 2012 een verslag in een brief aan klager is toegezonden, met de navolgende inhoud:
“Wij hebben dinsdag 6 maart jl. een gesprek gevoerd, in aanwezigheid van G.
De aanleiding voor dit gesprek betreft het vermoeden van het versturen van een seksueel
getint voicemailbericht aan de eerder genoemde medewerkster.
Op dinsdag 6 maart hebben wij u onverwacht een extra huisbezoek gebracht.
Bij de vraag naar uw vermoeden naar de reden van dit extra huisbezoek, zegt u wel een
vermoeden te hebben. Wij hebben u gevraagd of u dit vermoeden wilt uitspreken. Dit hebt u
gedaan.
U zegt dat u lijm heeft gesnoven en mede hierdoor seksueel opgewonden bent geraakt.
U hebt hierop in de nacht van zaterdag op zondag om 3.50 uur, gebeld naar de mobiel
van G en de volgende boodschap hebt ingesproken:
Oh……, ik lig zo lekker aan mijn piemel te trekke en zo lekker aan de solutie te snuive, ik
hou zo verschrikkelijk veel van je…aahhh lieve schat…ahhh yes, Enz, enz.
Tijdens het huisbezoek hebben we ook uw schaamte gezien en hebt u excuses aangeboden
voor uw gedrag.
Tijdens het huisbezoek hebben wij u laten (weten, rtc) hoe wij achter de afzender van het voicemail bericht geprobeerd hebben te komen. Hiervoor hebben we twee wegen bewandeld: goed
luisteren om de stem te herkennen en contact met politie om op deze manier uw
afgeschermde nummer te achterhalen.
Wij zijn bij u gekomen omdat wij dachten uw stem te herkennen.
Gemaakte afspraken:
· Time out in de begeleiding door G
· Tijdens de time out kunt u, tijdens kantooruren, contact opnemen met c. Dit met
vragen over de time out, maar ook over de behandeling/begeleidinginhoudelijke zaken...
· De ontstane situatie zal binnen E, middels een Multi Disciplinair Overleg (MDO)
worden besproken.
· Wij overwegen om vanuit E aangifte te doen, dan wel melding te maken bij de
politie van het incident.
Vanuit het overleg binnen E, kan ik u het volgende melden:
· E heeft een melding gedaan van het incident, bij de politie B.
· U staat gepland voor de MDO bespreking van 28 maart.
· Wij hebben de samenwerkingspartner i.z. uw behandeling (Mevr. H Dimence) geïnformeerd over het incident en de time-out in de begeleiding.
Door middel van deze brief hebben wij u de gemaakte afspraken willen bevestigen en u
tevens geïnformeerd over de vervolgacties die zijn ondernomen.
Hoogachtend,
C
Teamleider E”
Op 8 maart 2012 heeft verweerder een telefonische melding gedaan over het incident bij de politie in B.
Op 21 maart 2012 is er contact geweest tussen G en H. Het telefoontje van klager is besproken.
Op 5 april 2012 rapporteert verweerder dat I tijdelijk hoofdbehandelaar wordt.
3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT
Klager verwijt verweerder -zakelijk weergegeven- dat verweerder zijn beroepsgeheim heeft geschonden door zonder toestemming van klager informatie aan de politie B en Dimence te geven. Daarnaast verwijt klager verweerder dat hem sinds het incident van
5 maart 2012 behandeling is onthouden. In repliek heeft klager zijn klacht aangevuld en verwijt hij verweerder dat zonder klagers toestemming zijn medische gegevens aan het regionaal tuchtcollege zijn verzonden door verweerder.
4. HET STANDPUNT VAN VERWEERDER
Verweerder voert -zakelijk weergegeven- aan dat het delen van informatie met de politie B niet verwijtbaar is. Verweerder wijst in dit verband primair op het beleid van E. Hij stelt zich op het standpunt dat, nu artikel 47, eerste lid, aanhef van de Wet BIG alleen ziet op persoonlijke verwijtbaarheid klachten over het beleid van de instelling, in casu E, niet-ontvankelijk zijn.
Verder wijst verweerder op de door klager ondertekende behandelovereenkomst, op het vroegere delictgedrag van klager en op het feit dat klager was betrapt op het bekijken van een erotische site in een elektronicawinkel.
Verweerder wijst erop dat er alleen melding is gedaan bij de politie. Mede gezien de voorgeschiedenis van klager en de recente gebeurtenissen, meent verweerder dat het gerechtvaardigd was om het grensoverschrijdende handelen van klager te melden bij de politie. Wat betreft het informeren van (de behandelaar van) Dimence merkt verweerder op dat dit ex artikel 457, tweede lid van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) en op grond van de door klager getekende toestemmingsverklaring geoorloofd was.
Verweerder voert ten slotte aan dat na het incident aan klager is meegedeeld middels de brief van 8 maart 2012 dat klager contact op kon nemen met verweerder en vervolgens I die op
28 maart 2012 de behandeling van klager had overgenomen. Verweerder betwist dan ook dat klager hulp/behandeling is onthouden.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Het college ziet aanleiding het klachtonderdeel omtrent het overleggen van het medisch dossier door verweerder aan het college als eerste te behandelen nu dit van belang is voor de inhoudelijke beoordeling van de overige klachtonderdelen.
Het college is van oordeel dat verweerder door het medisch dossier aan het college te overleggen geen geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Teneinde de klachten te kunnen beoordelen is het van belang kennis te kunnen nemen van het behandelingsverloop van klager zoals deze blijken uit het medisch dossier. Verweerder mocht dus aannemen dat hij met overlegging van deze gegevens zijn verweer kon onderbouwen en was daartoe ook gerechtigd in het kader van zijn verdediging.
5.3
Klager verwijt verweerder dat deze zijn beroepsgeheim heeft geschonden door het melden van voornoemd incident van 4 maart 2012 bij de politie B.
Nu klager niet over het beleid van E klaagt, doch over het melden in dit individuele geval, is klager ontvankelijk wat betreft dit klachtonderdeel.
Het college acht het melden gelet op alle omstandigheden van het geval en met name de incidenten in september 2011 en op 4 maart 2012, tegen de achtergrond van de eerdere delicten van klager tegen ondermeer een zorgverlener, en de inhoud van de behandelovereenkomst gerechtvaardigd.
5.4
Klager verwijt verweerder dat verweerder zijn beroepsgeheim heeft geschonden door het melden van voornoemd incident van 5 maart 2012 bij Dimence.
Het college is van oordeel dat verweerder gehandeld heeft conform de behandelovereenkomst
tussen klager en E. Gelet op de door klager ondertekende behandelovereenkomst was
hij op de hoogte van het feit dat al hetgeen hij bespreekt, ook besproken zal worden
met al degenen die betrokken zijn bij zijn behandeling. Dit betreft ook personen die
niet in dienst zijn van de poli- of dagkliniek, maar betrokken zijn bij de behandeling
van hun instelling. De melding van het incident was niet alleen relevant voor het
onderzoek door Dimence, maar ook voor de veiligheid van de aldaar werkzame zorgverleners.
5.5
Klager verwijt verweerder verder dat klager behandeling onthouden is sedert het incident van
5 maart 2012.
Uit de brief van 8 maart 2012 blijkt dat klager zich kon wenden tot verweerder voor begeleiding/behandelinginhoudelijke zaken. Uit hetgeen verweerder heeft gerapporteerd op
5 april 2004 blijkt dat vervolgens I aan klager was toegewezen als behandelaar. Klager
is dan ook geen behandeling onthouden.
5.6
De conclusie van het voorgaande is dat de klacht in al zijn onderdelen kennelijk ongegrond is zodat als volgt dient te worden beslist.
6. DE BESLISSING
Het college wijst de klacht af.
Aldus gedaan in raadkamer door mr. A.L. Smit, voorzitter, E. van Egmond en
A.H. Slagter-de Vries, leden-verpleegkundigen, in tegenwoordigheid van
mr. J.W. Sijnstra-Meijer, en uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2013 door
mr. A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris.
voorzitter
secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.