ECLI:NL:TGZRSHE:2026:9 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7643
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:9 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-01-2026 |
| Datum publicatie: | 13-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7643 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen huisarts gedeeltelijk gegrond. De huisarts heeft de zoon van klagers gezien op de HAP. Huisarts wordt verweten dat hij niet tijdig en adequaat heeft gereageerd op de klachten van de zoon en het om zaken heen draaien, ontkennen en leugenachtig reageren tijdens een gesprek met klagers. De huisarts is tekortgeschoten op het gebied van onderzoek en anamnese en heeft nagelaten een deugdelijk vangnetadvies te geven aan klagers. Niet voorschijven antibiotica niet verwijtbaar. College heeft niet kunnen vaststellen dat er sprake is geweest van het om zaken heen draaien, ontkennen en leugenachtig reageren door de huisarts. Waarschuwing. Veroordeling in de kosten. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 12 januari 2026 op de klacht van:
[A]
en
[B],
wonende in [C], klagers,
gemachtigde: mr. S.M.P. van Reedt Dortland, werkzaam in Etten-Leur,
tegen
[D],
huisarts,
(destijds) werkzaam in [E], verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. V.C.A.A.V. Daniëls, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 De zoon van klagers (hierna: de zoon) is beoordeeld op de huisartsenpost (HAP)
vanwege
aanhoudende koorts en klachten na eerder contact met de assistente van de eigen
huisarts. De
huisarts stelde een acute middenoorontsteking vast en schreef pijnstilling voor.
De volgende
ochtend verslechterde de toestand van de zoon zodanig dat hij via de HAP werd verwezen
naar de
Spoedeisende Hulp (SEH), waar na onderzoek de diagnose meningitis werd gesteld.
De zoon is de dag
daarna overleden.
1.2 Klagers verwijten de huisarts dat hij tijdens het consult op de HAP de klachten
niet goed
heeft uitgevraagd, dat hij onvoldoende lichamelijk onderzoek heeft gedaan, dat hij
ten onrechte
geen antibiotica heeft voorgeschreven en dat hij geen adequaat vangnetadvies heeft
gegeven.
Daarnaast verwijten zij hem dat hij tijdens een evaluatiegesprek dat na het overlijden
van de zoon
heeft plaatsgevonden onduidelijk en onjuist heeft gecommuniceerd over zijn handelen.
1.3 Het college oordeelt dat de huisarts op onderdelen tekort is geschoten in de
zorgverlening
aan de zoon en legt een waarschuwing op.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 20 september 2024;
- het verweerschrift, ontvangen op 12 december 2024.
2.2. De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik
gemaakt.
2.3. De zaak is behandeld op de openbare zitting van 12 november 2025. De partijen
zijn
verschenen. Zij zijn bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden
hebben hun
standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigde van klagers heeft een pleitnotitie
voorgelezen en
aan het college en de andere partij overhandigd.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 De zoon van klagers is geboren in 2018. Op ….. heeft klaagster telefonisch
contact opgenomen
met de eigen huisarts, omdat de zoon klachten had. Zij werd te woord gestaan door
de
doktersassistente. In het medisch dossier is opgenomen (alle citaten voor zover
van belang en
letterlijk weergegeven):
“S Sinds vandaag overgeven, geen diarree, geen bloed S bij braaksel, temp niet opgemeten,
drinkt
goed,
S plasluiers E Overgeven
P Kleine beetjes water geven, iets lichts zoals P cracker laten eten, vocht inname
is het
P belangrijkste, bij aanhoudend braken, geen
P plasluiers, geen vocht inname of twijfel opnieuw
P contact”.
3.2 Op ….. heeft klaagster twee maal telefonisch contact opgenomen met de HAP. Klaagster
heeft om
16:10 uur en vervolgens om 17:28 uur wederom gebeld, omdat de situatie van de zoon
in de tussentijd
niet was verbeterd en zij een beoordeling wenste. Naar aanleiding van de telefoongesprekken
werd
door de triagist genoteerd:
“S 17.28 – Moeder belt terug, blijft maar
S ontroostbaar huilen, kan echt niet langer zo, wil S beoordeling.
. S 16.10 – Moeder belt si donderdag koorts? temp
S niet gemeten maar voelt warm aan, ook contact gehad met eigen ha, eet en drinkt
redelijk,
S plast+, ontlasting gb, lijkt wel ergens last van S te hebben is nu si 5min aan
het huilen,
zojuist
S pcm zetpil gegeven. Niet benauwd of kortademig, S geen bloed opgebraakt ook niet
bij ontlasting.
S Alert+ hoorbaar op achtergrond. E overmatig huilende zuigeling P voor nu geen
acute signalen waarvoor beoordeling, P even eff afwachten van zetpil dit zojuist is
P gegeven. Drinken blijven aanbieden, indien over 1 P a 1, 5uur nog steeds huilend
niet troostbaar
of
P twijfel v moeder/bijkoomende klachten opnw
P contact . Moeder akk.”
3.3 Naar aanleiding van het tweede telefonisch contact op ..... om 17.28 uur is
diezelfde
dag een consult ingepland bij de HAP. Verweerder, de huisarts, was die dag dienstdoend
consultarts
bij de HAP. Hij heeft de zoon in het bijzijn van klagers gezien en beoordeeld. Naar
aanleiding van
het consult heeft hij, voor zover van belang, opgeschreven:
“S (…) onytroostbaar huilen, pijn oor S (?) en warm. Pcm helpt niet
O Boos en ontroostbaar huilen.
O T 39.1 AS knalrood TV, verder KNO gda E Otitis media acuta/myringitis
P R/27 ml nurofen kind suspens skv (3.3ML)
P ergste kl. in 80% vd gevallen binnen 2-3 dgn over
P Als geen AB -> controle na 3dg bij geen verbetering”
3.4 De huisarts heeft de diagnose acute oorontsteking gesteld en hij heeft Nurofen voorgeschreven.
3.5 Op ..... neemt klaagster in de ochtend weer telefonisch contact op met de HAP,
waarbij werd genoteerd:
“S 11;30 uur Iom Dkt. [naam arts]: verdenking meningitis S en moelijk wekbaar Kan
er met spoed een
Ambu
S komen
P MKA gebeld; met spoed komt er een ambu en P traumahelikopter
S 10.58 Moeder belt: Gister op HAP geweest ivm
S oorpijn. De pijn neemt toe. Is suf/sloom. Moeder S vind de ademhaling anders.
Heeft vanmorgen
S gebraakt . Koorts- (…) Ligt bij vader op schoot . Slaperige ogen, O kijkt naar
zijn vader. Bij
aanspreken door moeder,
O knipperd hij even maar kijkt haar niet aan. O Neusvleugelen-
E oorpijn
P Mag direct naar HAP toe komen met [naam zoon] E Sepsis?
S Vannacht beginnen te kreunen en toenemend afwezig O Moeilijk wekbaar, kreunen,
staart met ogen
naar
O rechts, nekstijfheid dubieus . E verdenking meningitis
P SEH kinderarts met traumahelikopter/ambulance.”
3.6 Klagers zijn na dit telefonisch contact met hun zoon naar de HAP gekomen. Vanuit
de HAP werd
de zoon doorverwezen naar de Spoedeisende Hulp van het ziekenhuis. Daar werden twee
CT-scans
gemaakt, waarbij op de tweede scan was te zien dat sprake was van oedeemvorming
in de hersenen. Dit
heeft geleid tot inklemming van de hersenen. In het ziekenhuis is besloten om de
zoon over te
plaatsen naar een ander (kinder)ziekenhuis.
3.7 De zoon is op ..... aan de gevolgen van meningitis overleden in het kinderziekenhuis.
3.8 Op 24 oktober 2022 heeft, naar aanleiding van het verzoek van klagers om het
dossier van de
zoon te ontvangen, een gesprek plaatsgevonden waarbij klaagster, haar broer, de
vaste huisartsen
van klagers en de zoon en de huisarts aanwezig waren. Tijdens dit gesprek heeft
de huisarts in
eerste instantie gezegd dat hij de zoon wel volledig lichamelijk heeft onderzocht
op ...... Later
in het gesprek heeft de huisarts gezegd dat geen volledig
lichamelijk onderzoek had plaatsgevonden tijdens het consult.
3.9 Na een melding op 31 oktober 2022 is een calamiteitenonderzoek uitgevoerd door
de HAP en het
eerste ziekenhuis waar de zoon op ..... werd gezien. Op 30 januari 2023 heeft de
commissie een rapport uitgebracht. De commissie kwam tot de volgende bevindingen:
• ”Bij een helder en op schrift gesteld vangnetadvies met benoemde alarmsignalen,
hadden ouders
wellicht eerder aan de bel getrokken. Dit heeft mogelijk bijgedragen aan een delay
in
herbeoordeling van patiëntje.
• Hiermee is niet gezegd dat bij eerder aan de bel trekken door de ouders, het
overlijden had
kunnen worden voorkomen. De variant van deze pneumokok, welke bij kweek is vastgesteld,
is zeldzaam
en het ziektebeeld kende in dit geval een fulminant beloop, ondanks dat patiëntje
was gevaccineerd
tegen meningitis.
• Bij een lopend kind dat boos kan huilen en die onmiskenbaar een middenoorontsteking
heeft is
geen neurologisch onderzoek doen een gangbare en pragmatische huisartsengeneeskunde.”
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klagers verwijten de huisarts:
1. dat hij niet tijdig en adequaat heeft gereageerd op de klachten van hun zoon,
meer specifiek dat
hij:
a. onvoldoende lichamelijk onderzoek heeft verricht tijdens het consult op .....
en
onvoldoende de symptomen heeft uitgevraagd in lijn met de NHG standaard
‘Kinderen met koorts’;
b. geen andere antibiotica heeft voorgeschreven in lijn met de NHG standaard ‘Otitis
Media Acuta bij kinderen’;
c. geen compleet vangnetadvies heeft gegeven na het (onvolledig) lichamelijk onderzoek
en het geven van pijnstilling op .....;
2. het om zaken heen draaien, zaken ontkennen en leugenachtig reageren tijdens het
gesprek op 24
oktober 2022.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht in alle onderdelen ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 Het is heel verdrietig dat het zoontje van klagers is overleden. Duidelijk
is dat zij daar
nog dagelijks pijn en gemis van ondervinden. Het gebeurde heeft ook de huisarts
aangegrepen, zo
heeft hij ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard. Bij de tuchtrechtelijke
beoordeling van het handelen waarover wordt geklaagd, moet het college echter een
zakelijke toets
aanleggen. Daarbij moet het college het uiterst verdrietige feit dat klagers hun
zoon hebben
verloren, buiten beschouwing laten. Het gaat bij de beoordeling alleen om de vraag
of de huisarts
is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening
houdend met de
professionele standaard en de stand van de wetenschap ten tijde van de zorgverlening.
Dat een
zorgverlener met de kennis van nu wellicht beter anders had kunnen handelen, is
op zichzelf niet
voldoende voor een tuchtrechtelijk verwijt. Met inachtneming van deze uitgangspunten
zal het
college de klachtonderdelen beoordelen.
Klachtonderdeel 1 (het niet tijdig en adequaat reageren op klachten)
5.2 Dit klachtonderdeel bestaat uit drie subonderdelen (a, b en c). Klagers verwijten
de huisarts
in de eerste plaats dat hij de zoon tijdens het consult op ..... niet volledig lichamelijk
heeft onderzocht, zoals de NHG standaard ‘Kinderen met koorts’ voorschrijft en dat
hij de symptomen
van de zoon onvoldoende heeft uitgevraagd overeenkomstig de NHG standaard ‘Kinderen
met koorts’.
Ten tweede wordt de huisarts verweten dat hij geen antibiotica heeft voorgeschreven
en / of
overwogen, in afwijking van de NHG standaard ‘Otitis media acuta bij kinderen’.
Ten derde wordt de
huisarts verweten dat hij na afronding van het consult, naar aanleiding waarvan
hij pijnstilling
heeft voorgeschreven, geen volledig vangnetadvies heeft verstrekt voor het geval
de situatie zou
verslechteren.
Subonderdeel a (onderzoek en anamnese)
5.3 Volgens klagers heeft de huisarts in strijd met de NHG-standaard ‘Kinderen
met koorts’ geen
volledig lichamelijk onderzoek verricht. De huisarts betwist dat. De huisarts betoogt
dat hij de
oren en de keel van de zoon heeft gecontroleerd en dat hij op de ademhaling van
de zoon heeft
gelet. Volgens de huisarts bestond er geen aanleiding tot uitgebreider lichamelijk
onderzoek omdat
de zoon, naar zijn indruk, niet ernstig ziek oogde en hij geen ‘niet-pluis’ gevoel
had. De zoon was
niet suf en maakte spontane en onbeperkte draaibewegingen met zijn nek en hij kon
volgens de
huisarts onbeperkt naar boven en beneden kijken. De triagist had bovendien geen
bijzonderheden genoteerd die wezen op alarmerende symptomen, aldus de huisarts.
5.4 Bij de beoordeling stelt het college voorop dat, zoals ook blijkt uit de kernboodschappen
die
in de NHG-Standaard ‘Kinderen met koorts’ zijn vermeld, koorts meestal het gevolg
is van een
onschuldige virale infectie. De standaard is mede gericht op het tijdig herkennen
van symptomen die
wijzen op een (potentieel) ernstig ziektebeloop. De standaard vermeldt op welke
wijze de anamnese
en het lichamelijk onderzoek moeten plaatsvinden en welk aanvullend onderzoek er
dient te worden
verricht. Volgens de standaard moet worden beoordeeld of sprake is van alarmsignalen
(anamnestische
gegevens, zoals sufheid, ontroostbaar huilen, kreunen, slecht drinken) en alarmsymptomen
(verschijnselen met een meer objectief karakter, zoals meningeale prikkeling, niet
wegdrukbare rode
vlekjes etc). Daarnaast worden richtlijnen gegeven voor het te volgen beleid. De
standaard schetst
tevens in welke situaties nadere diagnostiek nodig is om infectieziekten aan te
tonen waarvoor een
specifieke behandeling nodig is, zoals
meningitis. Uit deze standaard volgt dat de uitvoerigheid van de anamnese en het
lichamelijk
onderzoek afhankelijk zijn van de toestand van het kind, de noodzaak om snel te
handelen en
differentiaaldiagnostische overwegingen. Het college zal dit subonderdeel tegen
deze achtergrond
beoordelen. Daarbij zal het college eerst ingaan op het verwijt over het onvoldoende
uitvragen van
de symptomen. Daarna zal het college ingaan op het verwijt over het lichamelijk
onderzoek.
5.5 Over het uitvragen van de symptomen overweegt het college het volgende. Het
college stelt
vast dat het medisch dossier wat betreft de notitie van het consult summier is.
Daaruit kan niet
worden afgeleid of, en zo ja, welke vragen de huisarts over het beloop van de klachten,
de toestand
van de zoon en de vraag of hij op de ouders anders overkwam dan normaal, heeft gesteld.
Klagers
stellen dat de huisarts weinig tot geen vragen heeft gesteld over hoe de symptomen
zich hadden
ontwikkeld, dat de huisarts niet heeft gevraagd of het gedrag van de zoon anders
was dan normaal en
dat het consult erg snel is verlopen. De huisarts heeft erkend dat zijn notitie
summier is. Ter
gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft hij verklaard dat hij niet meer
precies weet of, en
zo ja, wat hij heeft uitgevraagd, maar dat hij zich niet kan voorstellen dat hij
tijdens het
consult niet in gesprek is gegaan met de ouders. Ook heeft de huisarts in dit kader
verklaard dat
hij bij zijn beoordeling met name heeft gevaren op zijn klinische blik. De huisarts
heeft geen
feiten of omstandigheden aangedragen op basis waarvan, in weerwil van hetgeen uit
het medisch
dossier blijkt, kan worden aangenomen dat hij de symptomen voldoende heeft uitgevraagd
en dat hij
heeft nagegaan of alarmsignalen aanwezig waren. Integendeel, in wezen strookt zijn
verklaring dat
hij met name heeft gevaren op zijn klinische blik, met hetgeen de ouders hebben
verklaard over (het
verloop van) de anamnese, te weten dat nauwelijks vragen zijn gesteld. Hoewel begrijpelijk
is dat
de huisarts bij gedrag dat wijst op oorpijn en een felrood trommelvlies al snel
denkt aan een acute
middenoorontsteking, had hij op grond van de NHG Standaard ‘Kinderen met koorts’
zorgvuldig moeten
nagaan of er naast de oorontsteking nog andere mogelijke oorzaken waren van de koorts
en of er
alarmsignalen waren. Dit is met het oog op het tijdig herkennen van symptomen die
wijzen op een potentieel ernstig ziektebeloop van belang. Het feit dat de triagist
tijdens de telefonische contacten heeft geconstateerd dat er op
dat moment geen alarmsignalen waren, zoals de huisarts naar voren heeft gebracht,
maakt dit niet
anders. De huisarts had zelf moeten toetsen of dit tijdens het consult nog steeds
zo was of dat de
situatie was gewijzigd. Het college oordeelt dat de huisarts wat betreft het uitvragen
van de
symptomen niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam huisarts mag worden
verwacht.
5.6 Met betrekking tot het verwijt over het lichamelijk onderzoek, overweegt het
college als
volgt. Het staat vast, want daarover zijn klagers en de huisarts het eens, dat de
huisarts geen
volledig lichamelijk onderzoek, zoals bedoeld in de standaard, bij de zoon heeft
uitgevoerd. Het is
zo dat in het geval uitsluitend de oorontsteking naar voren komt als focus voor
de koorts, geen
volledig lichamelijk onderzoek nodig is. In dit geval kan het college, doordat de
klachten
onvoldoende zijn uitgevraagd, echter niet vaststellen dat uitsluitend de oorontsteking
de focus
voor de koorts vormde. In het verlengde hiervan kan dus ook niet worden geoordeeld
dat de huisarts
met het beperkte lichamelijk onderzoek kon volstaan. Het valt niet uit te sluiten
dat bij een
deugdelijk uitgevoerde anamnese andere symptomen of alarmsignalen aan het licht
waren gekomen die
aanleiding hadden moeten geven voor het verrichten van een uitgebreider lichamelijk
onderzoek dan
de huisarts heeft gedaan. De conclusie is dat dit subonderdeel gegrond is.
Subonderdeel b (geen antibiotica voorgeschreven)
5.7 Klagers verwijten de huisarts ook dat hij geen antibiotica heeft voorgeschreven
en/of
overwogen, zoals volgens hen had gemoeten op basis van de NHG standaard ‘Otitis
media acuta bij
kinderen’. De huisarts betwist dat hij antibiotica had moeten voorschrijven. Volgens
hem bestond
daarvoor geen noodzaak, aangezien de zoon geen ernstig zieke indruk maakte. Daarnaast
heeft de
huisarts erop gewezen dat hij zijn afweging om geen antibiotica voor te schrijven,
met klagers
heeft besproken.
5.8 Op basis van de door klagers en de huisarts ter gelegenheid van de mondelinge
behandeling
afgelegde verklaringen, die op dit punt eenduidig zijn, stelt het college vast dat
klagers tijdens
het consult hebben gevraagd of hun zoon antibiotica moest krijgen. De huisarts heeft
toegelicht dat
hij met klagers heeft besproken dat het voorschrijven van antibiotica in dit geval
niet nodig was,
omdat het klinische beeld dat van een ongecompliceerde oorontsteking was. Klagers
hebben niet
bestreden dat een en ander zo is besproken.
5.9 Het college overweegt als volgt. De NHG-Standaard ‘Otitis Media Acuta bij kinderen’
schrijft
voor dat bij veel kinderen met een middenoorontsteking een afwachtend beleid (met
pijnstilling)
verantwoord is. De standaard noemt wel situaties waarin direct met een behandeling
met antibiotica
moet worden gestart, namelijk wanneer er sprake is van risicofactoren voor complicaties
bij de
oorontsteking en/of forse algemene ziekteverschijnselen. Veder noemt de standaard
situaties waarin
een behandeling met antibiotica in overleg met de ouders of verzorgers in overweging
dient te worden genomen. Daarbij gaat het onder meer om kinderen bij wie na drie dagen
pijnstilling in voldoende hoge dosering en
frequentie nog geen verbetering is opgetreden van koorts en/of pijn.
5.10 Het dossier bevat geen aanknopingspunt op basis waarvan kan of moet worden geoordeeld
dat
dergelijke omstandigheden ten tijde van het consult aan de orde waren. In dit geval
was de zoon
tijdens het consult, blijkens de verklaringen van zowel klagers als de huisarts,
alert. De zoon
huilde boos en hij weerde het onderzoek van zijn oren af met zijn handjes, reden
waarom klager zijn
handen moest vasthouden. De huisarts kon op basis daarvan concluderen dat er geen
risicofactoren
voor complicaties bij de oorontsteking waren en dat er geen forse algemene ziekteverschijnselen
waren. Blijkens het dossier was evenmin sprake van een situatie waarin al drie dagen
pijnstilling
in voldoende hoge dosering en frequentie was gegeven en desondanks nog geen verbetering
is
opgetreden van koorts en/of pijn. Om die reden kan het college niet oordelen dat
het niet
voorschrijven van antibiotica bij de vastgestelde Otitis Media Acuta in strijd was
met de
professionele standaard. Ook kan niet worden volgehouden dat de huisarts het geven
van antibiotica
niet heeft overwogen. Blijkens de ter gelegenheid van de mondelinge behandeling
afgelegde
eenduidige verklaring heeft de huisarts, in ieder geval naar aanleiding van de vraag
van klagers
hierover, overwogen of het geven van antibiotica al dan niet noodzakelijk was. Voor
zover dit
subonderdeel er (mede) op neerkomt dat de huisarts zonder voldoende anamnese niet
tot een
deugdelijk onderbouwde behandelkeuze voor de oorontsteking heeft kunnen komen, overweegt
het
college dat het ter zake de anamnese gemaakte verwijt reeds is beoordeeld en tot
uitdrukking is
gebracht bij subonderdeel a. Dit subonderdeel is ongegrond.
Subonderdeel c (ontbrekend vangnetadvies)
5.11 Verder stellen klagers dat de huisarts na het consult op ..... geen volledig
vangnetadvies heeft gegeven. Hiermee bedoelen zij dat de huisarts niet (voldoende)
heeft uitgelegd
op welke symptomen zij moesten letten en wanneer ze terug moesten komen of alarm
moesten slaan. De
huisarts betwist dat hij geen vangnetadvies heeft gegeven. Hij voert aan dat hij
wel een algemeen
advies heeft gegeven, inhoudend dat klagers bij onvoldoende effect van de pijnstilling,
bij
verergering van de klachten of als ze zich zorgen maakten contact op moesten nemen.
De huisarts
erkent dat hij dit destijds niet heeft genoteerd in het dossier.
5.12 Het college stelt vast dat uit het medisch dossier, dat ook hier tot uitgangspunt
dient, niet
kan worden afgeleid dat een vangnetadvies is gegeven. Enige aantekening daarvan
ontbreekt. Daarbij
geldt dat de huisarts zelf heeft verklaard (en ook in zijn verweerschrift hiervan
melding maakt)
dat de laatste twee p-regels standaardregels betreffen die automatisch in de notitie
zijn
verschenen. Gelet hierop en bij het ontbreken van aanknopingspunten die in een andere
richting
wijzen, concludeert het college dat geen deugdelijk vangnetadvies is gegeven. Het
niet verstrekken
van een adequaat vangnetadvies (en dit niet noteren) acht het college in strijd
met de
professionele standaard, in het bijzonder de NHG-standaard ‘Kinderen met koorts’
waaruit blijkt dat
aan ouders een vangnetadvies moet worden gegeven om een ernstig beloop vroegtijdig
te kunnen onderkennen. Juist
bij een jong kind met koorts en pijn dient de huisarts de ouders nadrukkelijk te
wijzen op
alarmsignalen en op de noodzaak om opnieuw contact op te nemen als de toestand verslechtert.
Dit
subonderdeel is gegrond.
5.13 Het voorgaande betekent dat klachtonderdeel 1 deels gegrond is.
Klachtonderdeel 2 (het om zaken heen draaien, zaken ontkennen en leugenachtig reageren
tijdens het
gesprek)
5.14 Met klachtonderdeel 2 verwijten klagers de huisarts dat hij tijdens het evaluatiegesprek
op
24 oktober 2022 om zaken heen draaide, dingen ontkende en leugenachtig reageerde.
De huisarts
erkent dat hij tijdens het gesprek tegenstrijdige antwoorden heeft gegeven, maar
bestrijdt dat hij
zaken heeft verdraaid of leugenachtig heeft gereageerd.
5.15 Het college stelt vast dat niet ter discussie staat dat de huisarts tijdens
het gesprek op 24
oktober 2022 tegenstrijdige antwoorden heeft gegeven. De huisarts heeft dit erkend.
Ook staat vast,
want ook dit heeft de huisarts erkend, dat hij tijdens het gesprek ook overigens
niet consistent is
geweest in zijn uitlatingen. Zo heeft de huisarts in eerste instantie gezegd dat
hij de zoon wel
volledig lichamelijk heeft onderzocht, terwijl hij later in het gesprek hierop is
teruggekomen. De
huisarts heeft zowel bij verweerschrift als op de zitting hiervoor een toelichting
gegeven. Hij
heeft verklaard dat hij pas toen hij de moeder zag wist over welk kind het ging
en dat hij (pas)
tijdens het gesprek het verloop van het consult heeft gereconstrueerd. Ook heeft
hij verklaard dat
onder andere zijn eigen emoties en het gevoel dat hij zich moest verdedigen een
rol speelden
tijdens het gesprek.
5.16 Het college kan zich voorstellen dat het gesprek ook voor de huisarts moeilijk
is geweest.
Hoewel de communicatie zeker niet vlekkeloos verliep en het beter was geweest als
de huisarts zijn
herinneringen aan het consult al vóór het gesprek op een rijtje had gezet, althans
had proberen te
zetten, kan niet worden vastgesteld dat de huisarts opzettelijk heeft gelogen tegen
de ouders, om
zaken heen heeft gedraaid en zaken ten onrechte heeft ontkend. Het feit dat hij
gaandeweg het
gesprek het verloop van het consult heeft gereconstrueerd en eerdere uitlatingen
bijstelde en/of
moest terugnemen, is daarvoor onvoldoende. Een en ander acht het college in de gegeven
omstandigheden niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klachtonderdeel 2 is daarom ongegrond.
Slotsom
5.17 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat het eerste klachtonderdeel 1 in de
subonderdelen a en
c gegrond en in b ongegrond is, en dat het tweede klachtonderdeel ongegrond is.
Maatregel
5.18 Nu de klacht deels gegrond wordt verklaard, moet het college beoordelen of,
en zo ja, welke
maatregel moet worden opgelegd. Bij het bepalen van de maatregel heeft het college
rekening
gehouden met alle omstandigheden van dit geval. Aan de ene kant geldt dat uit hetgeen
hiervoor is
overwogen blijkt dat de huisarts op onderdelen tekort is geschoten in de zorgverlening
aan de zoon.
De huisarts heeft bij de beoordeling van de zoon te veel gevaren op zijn klinische
blik. Aan de
andere kant geldt dat de huisarts reeds 25 jaar in het vak zit en dat aan hem nooit
tuchtrechtelijke maatregelen zijn opgelegd. Het college heeft geen aanknopingspunt
om te
veronderstellen dat sprake is van een patroon waarin de huisarts onzorgvuldig handelt.
Verder acht
het college het van belang dat de huisarts zich toetsbaar en leerbaar heeft opgesteld;
hij heeft
tijdens de mondelinge behandeling gereflecteerd op zijn handelen en hij heeft verklaard
dat hij
zijn werkwijze heeft verbeterd wat betreft zijn dossiervoering en het geven en noteren
van
vangnetadviezen. Alles afwegende acht het college de maatregel van een waarschuwing
passend en
geboden.
Publicatie
5.19 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin
gelegen dat andere huisartsen mogelijk iets van deze zaak kunnen leren. De publicatie
zal
plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare
gegevens.
Kostenveroordeling
5.20 Klagers hebben verzocht de huisarts te veroordelen in de kosten die zij hebben
gemaakt in
deze procedure. Nu de klacht deels gegrond is verklaard en de huisarts een maatregel
wordt
opgelegd, ziet het college aanleiding de huisarts in de kosten van de procedure
te veroordelen, met
inachtneming van artikel 69 lid 5 van de Wet BIG. Die kosten worden (aan de hand
van
oriëntatiepunten met forfaitaire bedragen) begroot op € 1.357,-(wegens: reiskosten
€ 25,- en kosten
gemachtigde € 1.332,-, uitgaande van 2 punten x
€ 666,- per punt, uitgaande van een gemiddelde zaakzwaarte).
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdeel 1 deels, wat betreft subonderdeel a en b, gegrond;
- legt de huisarts de maatregel op van waarschuwing;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- veroordeelt de huisarts in de hierboven vastgestelde kosten van klagers van in
totaal € 1.357,-
en veroordeelt hem dit bedrag te voldoen op de bankrekening van
klagers binnen een maand nadat deze hem schriftelijk het bankrekeningnummer en de
tenaamstelling
van de bankrekening waarop dit bedrag kan worden gestort hebben laten weten.
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt
en ter publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift Medisch Contact.
Deze beslissing is gegeven door N.H.J. Lafghani, voorzitter, L.A.B.M. Wijntjens, lid-jurist,
M. van Mesdag, B.C.A.M. van Casteren-van Gils en B.L.J. Versteijnen, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door M. Karatepe, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 12 januari 2026.