ECLI:NL:TGZRSHE:2026:80 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8352

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:80
Datum uitspraak: 29-04-2026
Datum publicatie: 29-04-2026
Zaaknummer(s): H2025/8352
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie: Verweerster heeft klager op verzoek van de medisch adviseur onderzocht in het kader van de beoordeling van de arbeids(on)geschiktheid van klager. Het college oordeelt dat het rapport niet voldoet aan de criteria die daar volgens vaste jurisprudentie van het CTG voor gelden. Het is niet inzichtelijk en consistent, omdat de omschrijving “matige coöperatie” niet wordt onderbouwd door de omschreven gang van zaken. Ook de panieklichten en sombere stemming  van klager zijn onvoldoende uitgevraagd. Het klachtonderdeel dat de psychiater geen opheldering heeft gegevens over haar BIG-registratie is ongegrond. Klager had hierover geen concrete vragen aan de psychiater gesteld. Overigens is zij niet gehouden meer gegevens te verstrekken dan uit het algemeen toegankelijk BIG-register blijkt. Klacht deels gegrond, maatregel waarschuwing

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing van 29 april 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klager,
gemachtigde: mr. S.J. Heijtlager, werkzaam in Zwolle,

tegen

[C],
psychiater,
destijds werkzaam in [D],
verweerster, hierna ook: de psychiater,
gemachtigde: mr. drs. A. Dekker, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1   Verweerster heeft klager op 15 juli 2020 onderzocht op verzoek van de medisch adviseur in het 
kader van de beoordeling van de arbeids(on)geschiktheid van klager. Aan verweerster werden vier 
vragen voorgelegd ter beantwoording. Het rapport van verweerster dateert van 2 september 2020. Kort 
gezegd heeft verweerster geconcludeerd dat zij bij klager geen psychiatrische stoornis heeft kunnen 
diagnosticeren, zodat zij geen beperkingen op haar vakgebied heeft kunnen vaststellen. Klager is 
van mening dat verweerster ten onrechte geen opheldering heeft gegeven over haar BIG-registratie en 
dat zij klager arbeidsongeschikt heeft verklaard zonder daartoe bevoegd te zijn. Volgens klager is 
ook sprake van een onjuiste rapportage.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht deels gegrond is en legt aan verweerster de 
maatregel van een waarschuwing op. Hierna licht het college dat toe.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 3 april 2025;
-  het verweerschrift met de bijlagen, per mail ontvangen op 16 juli 2025 en per post 17 juli 2025;
-  de brief van 18 februari 2026 met bijlagen, ontvangen van de gemachtigde van klager op
23 februari 2026.

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik 
gemaakt.

2.3   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 4 maart 2026. De partijen zijn verschenen. 
Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten 
mondeling toegelicht. De gemachtigde van verweerster heeft een pleitnotitie voorgelezen en aan het 
college en de andere partij overhandigd.

3. De feiten
3.1   Klager is werkzaam als zelfstandig ondernemer. Klager heeft een 
arbeidsongeschiktheidsverzekering bij een verzekeraar afgesloten. Klager is op 30 juli 2018 
arbeidsongeschikt geraakt en hij heeft deze arbeidsongeschiktheid gemeld bij zijn verzekeraar. 
Daarop is klager opgeroepen voor een keuring in het kader van de arbeidsongeschiktheidsclaim. Deze 
keuringen worden uitbesteed aan een andere organisatie.

3.2   Verweerster is destijds als onafhankelijk psychiater benaderd door de organisatie die de 
claim diende te beoordelen. Dit gebeurde omdat de organisatie zelf niet beschikte over voldoende 
psychiatrische deskundigheid.

3.3   Verweerster is werkzaam bij een gespecialiseerde organisatie op het gebied van onafhankelijke 
diagnostiek en advisering bij verzuim en arbeidsongeschiktheid. De betrokkene wordt eenmalig 
beoordeeld op belastbaarheid en beperkingen bij verzuim en arbeidsongeschiktheid.

3.4   Klager is op 8 juli 2020 eerst gezien door een psycholoog. De psycholoog heeft de 
sociobiografische anamnese afgenomen. Klager is op 15 juli 2020 gezien door verweerster. Het 
rapport van verweerster dateert van 2 september 2020.

3.5   In het rapport is, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen (alle citaten worden 
overgenomen inclusief eventuele taal- en/of typefouten):
(…)
Ingewonnen informatie: niet vanwege het ontbreken van toestemming van betrokkene.
(…)
ONDERZOEKSSETTING
(…) Er is een matige coöperatie: de afspraken van het onderzoek komen moeizaam tot stand (…) en 
betrokkene reserveert bij het tweede gesprek ook de tweede keer, na een onderbreking te weinig 
parkeertijd, waardoor het onderzoek voortijdig is afgebroken.
(…)
ANAMNESE
(…) Angst- en paniekklachten
Betrokkene zegt in oktober 2018 paniekklachten te hebben gekregen (…). Die paniekklachten duren soms wel een uur of twee, drie.
(…)
Prikkelbaarheid
Betrokkene vindt contact met mensen moeilijk. Het wordt makkelijk gehakketak. Hij is het niet 
altijd met mensen eens.
(…)
Interesseverlies en sombere stemming
Betrokkene zegt vaak somber gestemd te zijn en vermoeid. Hij ziet tegen alles op en dat is er 
meestal bij het opstaan. Soms ook omdat hij wakker is geworden uit een nare droom.
Alles is teveel en kost moeite. De sombere stemming klaart vaak wel op in de loop van de dag. 
Oxazepam helpt daar ook bij.
(…)
Concentratieklachten
Betrokkene zegt moeite te hebben met een boek lezen en een tijdschrift of krant leest hij ook niet. 
Wel leest hij het nieuws op internet en kijkt naar Netflix.
Er is desgevraagde geen sprake van (pathologische) somberheid of anhedonie. Er zijn geen 
dwangklachten. Geheugenklachten meldt betrokkene niet. Psychotische verschijnselen, zoals het horen 
van stemmen, worden ontkend. Er zijn geen aanwijzingen voor periodes met een verhoogde stemming 
(zoals wordt gezien bij een (hypo)manie, automutilatie of suïcidaliteit. Ter compensatie van de 
klachten vertelt betrokkene dat hij probeert rustig adem te halen, hij probeert afstand te nemen, 
tegenslagen uit de weg gaan. hij vermijdt andere mensen, zie bij prikkelbaarheid.
Op de vraag of – en zo ja op welke wijze – de genoemde klachten aanleiding geven tot beperkingen 
ten aanzien van het functioneren antwoordt betrokkene: omdat hij er tegen op ziet, omdat hij het 
niet trekt. Dat hij na twee uur afhaakt. Bang om fouten te maken.
(…)
PSYCHIATRISCH ONDERZOEK
(…)
Betrokkene wijdt uit over de knieklachten en over bewaartijd van gegevens. De
psychomotoriek en de mimiek zijn niet geremd. (…)Er zijn geen zichtbare of merkbare somatische 
equivalenten van angst. Het bewustzijn is helder en de oriëntatie in trias is intact en de 
concentratie is ongestoord. (…) Er is ziektebesef met een matig ziekte-inzicht. (…) Het denken is 
normofreen en coherent. Inhoudelijk zijn er geen evidente wanen, er lijkt enige preoccupatie met de 
gedachte dat er zaken in de behandeling niet goed gelopen zijn. De stemming is wat mat, met een 
hierbij passend adequaat modulerend affect. Er zijn geen suïcidale uitingen of gedragingen. De 
impulscontrole is ongestoord.
(…)
SAMENVATTING EN BESCHOUWING
(…)
Betrokkene meldde zich op 31 juli 2018 arbeidsongeschikt in verband met lichamelijke
klachten, en later kwamen daar psychische klachten bij (…). Een en ander werd geluxeerd door 
diverse tegenslagen in combinatie met problemen op het werk; de lichamelijke klachten waren de 
directe aanleiding voor de ziekmelding, maar onderliggend waren er andere problemen aan de orde, die in dit onderzoek onvoldoende voor het voetlicht zijn gekomen. De huidige klachten bestaan hoofdzakelijk uit motivatieproblemen, angst- en stemmingsklachten en 
slaapproblemen. In het verlengde hiervan acht betrokkene zich volledig arbeidsongeschikt, maar kan 
daarbij niet aannemelijk maken op welke wijze de klachten daadwerkelijk leiden tot beperkingen ten 
aanzien van het beroepsmatig functioneren.
(…)
Als onderhoudende factoren voor de klachten lijken de volgende van belang:
(…)
Hoewel betrokkene forse klachten meldt, hij toch geen behandeling zoekt, niet voor de lichamelijke 
en niet voor de psychische klachten.
(…)
De klachten die betrokkene beschrijft zijn te weinig specifiek en, op basis van de observaties als 
zodanig in combinatie met het algehele functioneren, niet of nauwelijks objectiveerbaar. Met 
betrekking tot de objectiveerbaarheid, kan verder nog worden gemeld dat er inconsistenties zijn bij 
het onderzoek: er is een verschil in beschrijving van het slaappatroon in het dagverhaal en bij de 
anamnese in het 2e gesprek. Verder suggereert betrokkene dat zijn klachten zijn geluxeerd door de 
knieklachten, terwijl er al 3 jaar tegenslagen zijn en de slaapklachten al tien jaar aanwezig zijn 
en betrokkene desondanks toch al die tijd goed gefunctioneerd heeft. De verhoogde score op de 
symptoomvalidatietest duid ik als een vorm van klachtenaggrevitatie die vooral lijkt samen te 
hangen met onmachtsgevoelens en een hoge lijdensdruk. Een en ander geeft dan ook geen aanleiding om 
een (…) psychiatrisch ziektebeeld te veronderstellen. (…) De klachten imponeren dan ook vooral als 
een invoelbare reactie op de geschetste psychosociale stressoren. (…) Het voorgaande geldt ook ten 
aanzien van de door de behandelaar gestelde diagnose(s), paniekstoornis en depressieve stoornis tgv 
somatische aandoening. Betrokkene voldoet wel aan enkele criteria maar niet voldoende om deze 
diagnoses te kunnen stellen.
(…)
Aangezien ik geen psychiatrische stoornis heb gediagnosticeerd, leidt dit ook niet tot beperkingen 
op mijn vakgebied. Het feit dat betrokkene niettemin subjectieve beperkingen ervaart ten aanzien 
van het verrichten van arbeid is dan ook eerder op te vatten als uiting van ziektegedrag of coping 
dan als uiting van een psychiatrisch ziektebeeld.
(…)
Aangezien ik op mijn vakgebied geen stoornis heb gediagnosticeerd, kan ik evenmin op gefundeerde 
wijze een prognose formuleren.
(…)
Gezien het vooral reactieve karakter van de klachten dient gewaakt te worden voor onnodige 
medicalisering. Voor behandeling binnen de eerste of tweede lijn GGZ bestaat momenteel dan ook geen 
indiciate. Het verdient derhalve de voorkeur dat een re-integratiebeleid wordt vorm gegeven vanuit 
de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar. Mochten verdere interventies daarbij noodzakelijk worden 
geacht dan wordt geadviseerd om niet zozeer de klachten als zodanig te behandelen maar juist de 
onderliggende onderhoudende factoren als uitgangspunt voor re-integratiebeleid te nemen.

3.6   Klager heeft een reactie gegeven op het rapport. Deze reactie is aan het rapport toegevoegd. 
De reactie betreft een aantal volgens klager in het rapport opgenomen onjuistheden met betrekking 
tot plaats en data. Voorts bevat de reactie een andere weergave van de wijze waarop de afspraken 
tot stand kwamen. Er is geen reactie gegeven op de door verweerster geformuleerde conclusies.

3.7   De medisch adviseur van de organisatie heeft vervolgens een medisch rapport opgesteld dat 
naar de verzekeraar van klager is gestuurd. Verweerster had geen betrokkenheid bij het opstellen 
van het medisch rapport van de medisch adviseur.

3.8   Op 7 april 2022 heeft klager een Woo-verzoek ingediend. Klager wilde informatie over de 
BIG-registratie van verweerster, waaronder per welke datum verweerster voor welke specialisatie 
geregistreerd stond, of sprake was van mutaties in de registratie en of er sprake was van een 
onderbreking van de registratie.

3.9   Op 3 juni 2022 heeft het Ministerie van VWS een besluit genomen en de verzochte informatie 
ten dele openbaar gemaakt. In verband met de privacy behoefde verdere informatie volgens het 
ministerie niet te worden geopenbaard.

4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1  Klager verwijt verweerster dat zij:
a)   weigert opheldering te geven over de datum van haar BIG-registratie als psychiater en 
bedrijfsarts;
b)   klager arbeidsongeschikt heeft verklaard zonder hiertoe bevoegd te zijn;
c)   een onjuist inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de gezondheidstoestand van klager.

4.2  Verweerster heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de beoordeling wordt 
rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele 
standaarden ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen. Dat een zorgverlener beter anders had 
kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het 
uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen 
handelen.

Klachtonderdeel a) weigeren opheldering te geven over de datum van haar BIG-registratie als 
psychiater en bedrijfsarts

5.2   Ter onderbouwing van dit klachtonderdeel heeft klager het volgende aangevoerd. Klager heeft 
herhaaldelijk opheldering gevraagd over de registraties van verweerster maar niets ontvangen. 
Klager heeft daarom een Woo-verzoek ingediend bij het ministerie maar daarop slechts ten dele 
informatie ontvangen. Omdat verweerster weigert de informatie te geven, is er bij klager het 
vermoeden ontstaan dat zij zowel als psychiater als bedrijfsarts stond geregistreerd. Omdat klager 
had vastgesteld dat verweerster eerder als bedrijfsarts stond ingeschreven, is bij klager het 
vermoeden ontstaan dat verweerster de gescheiden rollen niet zo nauw neemt. Het niet geven van de 
gevraagde informatie is volgens klager in strijd met artikel 47 lid 1 sub b Wet BIG.

5.3   Verweerster heeft allereerst betwist dat zij op enig moment door klager is gevraagd naar haar 
BIG-registratie of BIG-nummer. Maar zij stelt dat het ook afgezien daarvan klager vrijstond om de 
informatie op te vragen bij het openbare BIG-register. Op naam van verweerster is de betreffende 
informatie te vinden. De verplichting om op de professionele website de BIG-registratie te 
vermelden is eerst geldig vanaf januari 2021. Volgens verweerster hoefde zij niet alle gegevens te 
delen met klager. Dat is geen weigering, maar een recht op privacy van verweerster. Juist is dat 
verweerster in het verleden was geregistreerd als bedrijfsarts. Zij heeft deze specialisatie niet 
meer laten herregistreren.

5.4   Het college komt tot het oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Daartoe wordt het 
volgende overwogen. Klager heeft niet onderbouwd dat en wanneer hij verweerster om informatie over 
haar BIG-registratie heeft gevraagd. Ter zitting is duidelijk geworden dat klager verweerster in 
het geheel niet heeft gevraagd om informatie te verstrekken aan klager. Het kan verweerster dan 
bezwaarlijk worden kwalijk genomen dat zij enige informatie zou hebben achtergehouden.

5.5   Ten overvloede overweegt het college dat iedereen het BIG-register kan raadplegen en daarbij 
kan zoeken, op naam en voorletters of op een individueel BIG-nummer. Als er onduidelijkheid bestaat 
over de BIG-registratie bij een klager, mag tenminste worden verwacht dat een klager eerst bij de 
zorgverlener zijn/haar BIG-nummer opvraagt.

5.6   Voor zover klager heeft bedoeld dat verweerster hem niet (ongevraagd) heeft meegedeeld dat 
zij op enig moment in het verleden als bedrijfsarts stond geregistreerd, geldt dat het college het 
belang dat hij daarbij heeft niet kan volgen. Klager heeft ook niet onderbouwd waarom dit voor hem 
relevant zou zijn in het kader van het onderzoek of de door hem ingediende tuchtklacht. Verweerster 
stond ten tijde van het opmaken van de rapportage als arts met specialisatie psychiatrie 
ingeschreven en zij heeft ook in die hoedanigheid gehandeld. Geen rechtsregel verplicht een arts 
om, indien hij onderzoek verricht conform zijn BIG-geregistreerde specialisatie, een patiënt te 
informeren over eventuele eerdere specialisaties. Het enkele feit dat verweerster eerst een andere 
specialisatie had, doet niet af aan het feit dat zij ten tijde van het onderzoek als specialisatie 
psychiatrie (psychiater) had en het onderzoek als psychiater ook daadwerkelijk kon uitvoeren.

5.7   Voor zover klager heeft bedoeld te stellen dat hij niet over alle gegevens beschikte om de 
juiste informatie bij het BIG-register te kunnen opvragen nu verweerster niet haar juiste 
voorletter zou gebruiken, stelt het college vast dat het BIG-register al kan worden geraadpleegd op 
de enkele achternaam van een arts (en de eventuele specialisatie). Het niet noemen van een 
voorletter is dan ook niet zonder meer een beletsel om de gegevens te kunnen opvragen.

Klachtonderdeel b) verweerster heeft klager arbeidsongeschikt verklaard zonder hiertoe bevoegd te 
zijn
5.8   Klager heeft ter onderbouwing van dit klachtonderdeel aangevoerd dat de vraagstelling van de 
medisch adviseur helder was. Verweerster is echter meer gaan vragen dan nodig was op grond van de 
vraagstelling. De vraagstelling was wel in het rapport opgenomen. Verweerster heeft echter gevraagd 
wat klager zou doen als verweerster hem goed zou keuren. Daarmee heeft zij volgens klager een 
oordeel gegeven over de arbeidsgeschiktheid van klager, terwijl dat niet aan de orde was. 
Verweerster is daarmee getreden buiten de opdracht van de medisch adviseur. Verweerster heeft ook 
uitspraken gedaan over mogelijke consequenties die het medisch onderzoek zou hebben voor het 
medisch advies van de medisch adviseur of de beslissing die de verzekeraar zou nemen op basis van 
het advies.

5.9   Verweerster heeft betwist dat zij uitspraken zou hebben gedaan over de 
arbeids(on)geschiktheid van klager. Zij stelt in haar onderzoek wel standaard de vraag of een 
patiënt weer zou kunnen werken als de bedrijfsarts of de medisch adviseur van mening zou zijn dat 
de betreffende patiënt weer aan het werk zou moeten, en wat hij/zij dan wel of niet zou kunnen. 
Deze vraag ziet op het krijgen van inzicht over wat een betrokkene nog denkt te kunnen en wat niet. 
Verweerster betwist dat zij überhaupt een uitspraak heeft gedaan over de arbeids(on)geschiktheid. 
Dat was ook niet de vraag van de medisch adviseur. Verweerster erkent dat zij met klager heeft 
besproken dat zij niet weet tot welke conclusies haar advies zullen leiden. In het rapport is wel 
opgenomen dat klager van mening is dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Verweerster is daarmee 
niet buiten haar opdracht getreden.

5.10  Het college komt tot het oordeel dat ook dit klachtonderdeel ongegrond is. Uit het rapport 
kan niet worden opgemaakt dat verweerster een oordeel heeft gegeven over de arbeids(on)geschiktheid 
van klager. Zij heeft slechts opgenomen dat klager van mening was dat hij arbeidsongeschikt was, 
welke mening zij heeft afgezet tegen objectiveerbare klachten die zouden kunnen leiden tot de 
diagnose dat sprake is van een psychische stoornis. De conclusie van verweerster is wel geweest dat 
zij geen diagnose psychische stoornis heeft kunnen stellen. Anders dan klager kennelijk 
veronderstelt, heeft verweerster ook geen medische rapportage opgesteld ten behoeve van de 
verzekeraar. Die rapportage is namelijk door de medisch adviseur opgesteld. Zij heeft uitsluitend 
vanuit haar professionele expertise de vragen beantwoord van de medisch adviseur.

5.11  Voor zover klager heeft bedoeld dat verweerster een ongepaste vraag heeft gesteld, geldt dat 
verweerster heeft betwist de vraag op deze wijze te hebben gesteld. Het college is van oordeel dat, 
ook als zou worden aangenomen dat de vraag aan klager is gesteld zoals door hem weergegeven, dan 
wel zoals door klager ter zitting omschreven met woorden van gelijke strekking, die enkele 
vraagstelling niet leidt tot tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Het stellen van de vraag kan in 
het kader van het uit te voeren onderzoek verhelderend werken zonder iets te zeggen over de 
arbeids(on)geschiktheid, zoals verweerster ook heeft betoogd. Uit het rapport blijkt in ieder geval 
niet, zoals hiervoor al is geoordeeld, dat deze vraag tot een conclusie heeft geleid over de 
arbeids(on)geschiktheid van klager.

Klachtonderdeel c) een onjuist inhoudelijk oordeel gegeven over de gezondheidstoestand van klager
5.12  Klager heeft ter onderbouwing van deze klacht gewezen op de volgens vaste rechtspraak van het 
Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg geldende eisen waaraan een deskundigenrapportage moet 
voldoen. Volgens klager voldoet het rapport niet aan deze eisen. Zo is er in het rapport ten 
onrechte opgenomen dat er geen toestemming is gegeven voor het opvragen van medische informatie. Er 
is volgens klager niet gevraagd om toestemming. Verder is een aantal onjuistheden opgenomen in het 
rapport zoals ook blijkt uit de reactie van klager die aan het rapport is gehecht. Ten slotte heeft 
verweerster niet de diagnoses meegenomen van de voormalig behandelend psycholoog. De conclusie dat 
er geen objectiveerbare beperkingen zouden zijn, is niet te volgen en onjuist. Dat blijkt ook uit 
het rapport dat in het kader van de psychiatrische expertise is opgemaakt.

5.13  Verweerster heeft allereerst betwist dat zij een onjuist oordeel heeft gegeven. Zij heeft 
zich gebaseerd op anamnese en eigen onderzoek en op de medische informatie die zij heeft gekregen 
bij het toesturen van de stukken. Klager was op dat moment ook niet meer onder behandeling, noch 
voor lichamelijke noch voor psychische klachten. De feitelijke onjuistheden die klager had benoemd, 
zijn aangepast. Verweerster heeft aangevoerd dat het in het kader van het voeren van verweer wel 
lastig is om precies na te gaan hoe een en ander is verlopen nu de organisatie op verzoek van 
klager de relevante gegevens heeft vernietigd. Verweerster meent te hebben voldaan aan de 
zorgvuldigheidseisen die gelden voor het opmaken van een psychiatrisch deskundigenrapport.

5.14  Het college komt tot het volgende oordeel. De omstandigheid dat het dossier op verzoek van 
klager is vernietigd, leidt er niet toe dat het klachtonderdeel niet beoordeeld kan worden. Het 
betreft immers het schriftelijke rapport dat onderdeel uitmaakt van de stukken, en waarvan de 
inhoud beoordeeld kan worden aan de hand van de hierna genoemde criteria.

5.15  Bij de beoordeling van de vraag of een deskundigenrapport van een arts voldoet aan de daaraan 
te stellen eisen dienen de volgende criteria in aanmerking te worden genomen:
1. het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2. het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling 
te beantwoorden;

3. in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de 
conclusies van het rapport steunen;
4. het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en 
de geconsulteerde personen;
5. de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
Het college toetst ten volle of het onderzoek door de arts uit het oogpunt van vakkundigheid en 
zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie 
van het rapport wordt beoordeeld of de deskundige in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen 
komen.

5.16  Het college stelt voorop dat het niet aan het college is om een oordeel te geven over de 
juistheid of de onjuistheid van een (medische) conclusie. Het gaat slechts over de vraag of 
verweerster op grond van het gedane onderzoek en de informatie die verweerster tot haar beschikking 
had logischerwijs heeft kunnen komen tot de in het rapport opgenomen conclusie. Dit betreft een 
marginale toetsing. In dit geval betekent dit dat de vraag moet worden beantwoord of de conclusie 
van verweerster dat geen sprake was van objectiveerbare klachten om tot een diagnose te kunnen 
komen dat sprake was van een psychische stoornis, inzichtelijk en navolgbaar is. Klager heeft 
bedoeld te betogen dat het rapport niet voldoet aan de onder 3) en 5) genoemde criteria.

5.17  Het college komt tot het oordeel dat het rapport voldoet aan het onder 5) genoemde criterium. 
Anders dan klager heeft aangevoerd, is verweerster wel gebleven binnen de grenzen van haar 
deskundigheid als psychiater. Zij heeft enkel de psychiatrische toestand van klager onderzocht en 
daarover een conclusie gevormd. Uit het rapport blijkt niet van (medische) beoordelingen die buiten 
de expertise van verweerster lagen. In zoverre is het klachtonderdeel ongegrond.

5.18  Het college is van oordeel dat het rapport niet voldoet aan het onder 3) genoemde criterium. 
Naar het oordeel van het college kan niet worden geoordeeld dat het rapport op inzichtelijke en 
consistente wijze uiteenzet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen. Het college 
wijst op het volgende. Klager heeft in reactie op het rapport van verweerster een 10-tal 
opmerkingen gemaakt. Volgens klager blijkt daarmee dat het rapport niet juist is. Zo heeft klager 
met betrekking tot de onderzoekssetting – kort gezegd – opgemerkt dat sprake was van een onjuiste 
weergave. Zo was verweerster zelf een kwartier te laat op de afspraak, is gecommuniceerd dat het 
gesprek maximaal anderhalf uur zou duren maar heeft dat uiteindelijk ruim twee uur geduurd waardoor 
inderdaad de parkeermeter moest worden bijgevuld, en is er volgens klager geen enkele opmerking 
gemaakt over het feit dat de organisatie zelf heeft erkend dat er onvolledig was gecommuniceerd. 
Tijdens de zitting heeft verweerster erkend dat zij te laat was en dat zij deze aanvulling niet 
heeft opgenomen in het rapport. Het college is van oordeel dat de conclusie dat sprake was van een 
matige coöperatie niet gedragen kan worden door hetgeen is opgenomen in de rapportage nu haar 
eigen, onbetwiste, aandeel in hetgeen is voorgevallen, volledig ontbreekt. Verweerster heeft ook 
niet de moeite genomen om, na ontvangst van de opmerkingen van klager, meer duidelijkheid te geven over de stellingname dat sprake zou zijn van een matige coöperatie. Verweerster heeft weliswaar aangevoerd dat de conclusie 
dat sprake was van een matige coöperatie werd gedragen door meer dan alleen hetgeen tijdens het 
gesprek was voorgevallen, maar dat kan het college niet volgen in het licht van de onbetwiste 
opmerking van klager dat de organisatie erkend heeft dat er onvolledig was gecommuniceerd en het 
feit dat in ieder geval het rapport niet duidelijk maakt welke feiten dan nog meer hebben 
meegespeeld om tot deze conclusie te kunnen komen.

5.19  Daarnaast stelt het college vast dat verweerster wel heeft opgemerkt dat in oktober 2018 
sprake was van paniekklachten. Klager heeft echter in zijn opmerkingen aangegeven dat de 
paniekklachten toen zijn begonnen. Hoewel verweerster ook weergeeft wat klager ten tijde van het 
onderzoek doet om deze paniekklachten de baas te worden, is onduidelijk of verweerster meent dat 
deze klachten nog altijd duidelijk aanwezig zijn. Verweerster heeft, althans dat blijkt niet uit 
het rapport, niet nader uitgevraagd wat nu eigenlijk de aanleiding is geweest voor deze 
paniekklachten. Zij heeft enkel aangenomen dat deze klachten samenhingen met knieklachten en een 
opname van klager in het buitenland. Als verweerster deze klachten adequater had uitgevraagd, had 
zij deze beter kunnen en moeten duiden. Daarnaast heeft verweerster de sombere stemming die klager 
vaak zegt te hebben en de vermoeidheidsklachten niet nader uitgevraagd. Zeker in het licht van het 
feit dat klager daarvoor al langere tijd medicatie gebruikt, had dit voor verweerster aanleiding 
moeten zijn om een en ander nader uit te vragen dan wel nader onderzoek te doen. In het rapport is 
niet duidelijk geworden of deze klachten kunnen duiden op een mogelijke (beginnende) depressie, 
terwijl ook niet duidelijk wordt uit het rapport waarom deze klachten niet tot een mogelijke 
(beginnende) depressie kunnen leiden. Hoewel verweerster tijdens de zitting nog heeft opgemerkt dat 
klager op dat moment niet enige behandeling onderging, waardoor verweerster heeft kunnen 
concluderen dat geen sprake was van een mogelijke depressieve stoornis, kan het college dat niet 
volgen. Klager heeft namelijk in zijn reactie op het rapport opgemerkt dat hij in december 2018 
naar de huisarts is geweest vanwege deze klachten en dat hij ook in april 2019 weer bij de huisarts 
is geweest. Toen ging het om een verwijzing naar een behandelaar. Ook heeft klager gewezen op de 
behandelingen door de fysiotherapeut, de orthopeed, de kniepoli van het ziekenhuis en de 
psychotherapeut. Dat geen sprake was van een behandeling, of dat die behandeling er niet was 
geweest, blijkt in ieder geval niet uit de reactie van klager. Verweerster heeft met deze reactie 
echter niets gedaan.
Ter zitting heeft verweerster nog opgemerkt dat zij graag meer informatie had gehad over de intake 
bij een andere behandelaar alsmede over de EMDR-therapie die klager had gekregen, maar dat zij deze 
informatie niet heeft kunnen krijgen omdat de toestemming was ingetrokken. Nog daargelaten dat de 
toestemming van klager pas na het gesprek op 15 juli 2020 is ingetrokken en deze informatie 
mogelijk nog wel had kunnen worden opgevraagd, had verweerster in het rapport dan tenminste moeten 
opmerken dat zij deze informatie niet had en wat daarvan het gevolg was voor haar conclusie, maar 
dat heeft verweerster niet gedaan. Zij is echter wel tot een conclusie gekomen, namelijk dat geen 
sprake was van een psychiatrische stoornis. Dat betekent dan ook dat verweerster over onvoldoende informatie 
beschikte, ter zitting ook heeft opgemerkt dat zij graag meer informatie had willen hebben, maar 
niettemin ervan heeft afgezien om een vervolgafspraak te maken. Niettemin is zij zonder enig 
voorbehoud tot genoemde conclusie gekomen. Uit het rapport wordt niet duidelijk waarom er sprake is 
van klachten en van inconsistenties. Er wordt gewezen op luxatie van klachten sinds 3 jaar en 
slaapklachten sinds 10 jaar, terwijl ook de negatieve emoties worden benoemd. De relatie tot het 
hiaat in de informatie ontbreekt. In het licht van al deze gegevens heeft verweerster niet op 
inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet hoe zij tot haar conclusie is kunnen komen dat geen 
sprake is van een psychische (in het bijzonder depressieve) stoornis. Naar het oordeel van het 
college valt dit op grond van de gegevens niet uit te sluiten. Dat betekent dat dit klachtonderdeel 
in zoverre gegrond is.

5.20  Voor zover nog beoogd zou zijn dat het rapport niet voldoet aan de onder 1), 2), en
4) genoemde criteria is deze stelling niet op enigerlei wijze onderbouwd. Het college is overigens 
van oordeel dat het rapport aan deze criteria voldoet.

Slotsom en maatregel
5.21  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdelen a) en b) ongegrond zijn en 
klachtonderdeel c) deels gegrond is. Nu de klacht gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, rijst de 
vraag of en zo ja, welke maatregel opgelegd moet worden. Het college is van oordeel dat verweerster 
onzorgvuldig heeft gehandeld door onvoldoende inzichtelijk te maken hoe zij tot haar conclusie is 
gekomen, terwijl er sprake was van hiaten in de informatie die verweerster zelf belangrijk vond om 
te betrekken bij haar beoordeling, maar deze niet heeft betrokken bij haar beoordeling. Dat zij 
niettemin tot een conclusie is gekomen, en daarbij ook geen enkel voorbehoud heeft gemaakt, is naar 
het oordeel van het college ernstig en zou in beginsel dienen te leiden tot een berisping. 
Verweerster heeft zich echter toetsbaar opgesteld en tijdens de zitting ook een nadere toelichting 
gegeven. Hoewel deze toelichting op onderdelen te volgen is, was het beter geweest dat zij een en 
ander ook in het rapport had opgenomen. Niettemin zal het college rekening houden met deze 
toelichting, en volstaan met de maatregel van waarschuwing.

Publicatie
5.22  In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin 
gelegen dat andere psychiaters die deskundigenrapportages verzorgen, mogelijk iets kunnen leren van 
deze zaak. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of 
instanties herleidbare gegevens.

6.  De beslissing
Het college:
-  verklaart klachtonderdeel c) deels gegrond;
-  legt verweerster de maatregel op van waarschuwing;
-  verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

-  bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen 
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter 
publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift Medisch Contact.

Deze beslissing is gegeven door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter,
W.G.H. Corté, lid-jurist, R.J.M. Lardinois, T.A. Wouters, en H.J. Kolthof, leden-beroepsgenoten, 
bijgestaan door I.F. Schouwink, secretaris, en in het openbaar uitgesproken
op 29 april 2026.