ECLI:NL:TGZRSHE:2026:65 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8867

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:65
Datum uitspraak: 01-04-2026
Datum publicatie: 01-04-2026
Zaaknummer(s): H2025/8867
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klager dient een klacht in tegen de door de tandarts in 2016 geplaatst implantaat. Klager heeft in 2025 last gekregen van een loszittende kroon en dat is volgens hem het gevolg van het feit dat er al sinds 2016 sprake is van een breuk in het tussenstuk. Het college stelt vast dat er op röntgenfoto’s geen breuk te zien is en oordeelt dat het ook zeer onwaarschijnlijk is dat hiervan pas negen jaar na de plaatsing blijkt. De tandarts heeft ook voor het overige niet onzorgvuldig gehandeld. Klacht ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 1 april 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klager,

tegen

[C],
tandarts,
(destijds) werkzaam in [D],
verweerder.

1. De zaak in het kort
1.1   Verweerder heeft in 2016 een implantaat bij klager geplaatst en daarop met behulp van een 
tussenstuk (abutment) een kroon geschroefd. Volgens klager is het abutment al in 2016 afgebroken en 
hij maakt verweerder in dat kader een drietal verwijten.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is 
gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 31 juli 2025;
-  het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 11 september 2025;
-  de nadere bijlagen van klager, ontvangen op 23 oktober 2025;
-  het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 9 december 2025.

2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1  In 2016 heeft verweerder bij klager een implantaat met daarop een verschroefde
kroon geplaatst.

3.2   In januari 2025 merkte klager voor het eerst sinds de plaatsing dat de kroon losliet. Klager 
heeft zich hiermee meermalen gewend tot zijn Belgische tandarts.

3.3   Op 1 juli 2025 heeft klager een consult met verweerder gehad. Verweerder heeft een 
röntgenfoto laten maken, geconstateerd dat er geen sprake was van een defect of breuk van het 
abutment maar van een loszittende kroon en de kroon vastgeschroefd.

3.4   Klager heeft onder meer op 11 juli 2025 aan verweerder gevraagd om bij de fabrikant een 
garantieclaim op te starten met het doel het abutment te vervangen. Dat heeft verweerder niet 
gedaan.

4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1  Volgens klager heeft verweerder onzorgvuldig/onjuist gehandeld, omdat:
1.   er sprake is van een afgebroken abutment in het door de tandarts geplaatste implantaat en dit 
is sinds 2016 het geval;
2.   hij niet de juiste tooling had om het rest abutment te verwijderen, geprutst heeft en heeft 
aangegeven dat het riskant was;
3.   hij weigert een garantieclaim op te starten bij de fabrikant.

4.2  Verweerder heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.


4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende tandarts. Bij de beoordeling wordt rekening 
gehouden met de voor de tandarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

5.2  Het college oordeelt dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en licht 
dat hierna toe.

klachtonderdeel 1) een in 2016 afgebroken abutment
5.3  Klager stelt dat er sprake is van een afgebroken abutment in het door de tandarts geplaatste 
implantaat en dat dit sinds 2016 het geval is.

5.4  Verweerder betwist dat sprake is van een afgebroken abutment of achtergebleven stuk schroef. 
De schroef die de kroon en het abutment aan het implantaat bevestigt, is waarschijnlijk losgekomen 
omdat deze zijn spanning verliest. Dat kan meerdere oorzaken hebben.

5.5  Het college overweegt als volgt. Vaststaat dat verweerder in 2016 een implantaat heeft 
geplaatst waarop hij een verschroefde kroon heeft aangebracht. Deze kroon is in januari 2025 los 
gaan zitten. Uit de in geding gebrachte röntgenfoto’s blijkt het college van een goed geplaatst 
implantaat. Er is niet gebleken van een röntgenologische aanwijzing voor een breuk in het abutment. 
Weliswaar is een breuk in het abutment niet altijd met honderd procent zekerheid te zien op een 
röntgenfoto, maar bij een breuk in het abutment (of een afgebroken abutment) is het zeer 
onwaarschijnlijk dat hiervan pas negen jaar na de plaatsing blijkt. Als dat het geval zou zijn, zou 
klager al veel eerder klachten moeten hebben ervaren in de vorm van een loszittende kroon en 
daarvan is geen sprake. Gelet hierop acht het college het niet aannemelijk dat, zoals klager stelt, 
het abutment in 2016 is afgebroken. Alleen al om die reden treft verweerder geen verwijt. Dit 
klachtonderdeel is daarom kennelijk ongegrond.

klachtonderdeel 2) verweerder had niet de juiste tooling om het rest abutment te verwijderen en 
heeft geprutst en aangegeven dat het riskant was
5.6  Klager stelt in zijn klaagschrift dat verweerder op 1 juli 2025 heeft geprobeerd het rest 
abutment te verwijderen en daarbij heeft geprutst. Verweerder heeft dat gemotiveerd betwist. Klager 
heeft vervolgens desgevraagd tijdens het mondeling vooronderzoek verklaard dat verweerder op 1 juli 
2025 de kroon heeft vastgedraaid en vast geslepen en dat die behandeling prima was. Op de vraag wat 
klager bedoelt met dat er geprutst is, verklaarde klager tijdens het mondeling vooronderzoek dat de 
behandeling om het tijdelijk vast te zetten prima was. Er is het college op geen enkele wijze 
gebleken dat verweerder op
1 juli 2025 zou hebben geprobeerd het (rest) abutment te verwijderen, daarbij zou hebben gezegd dat 
hij niet de juiste tooling had en/of daarbij wat geprutst zou hebben. Wat klager zegt, komt het 
college ook onaannemelijk voor, omdat het college geen grond ziet om te concluderen dat van een 
breuk in het abutment of afgebroken abutment sprake is. Dat verweerder zou hebben gezegd dat het 
riskant zou zijn het (rest) abutment te verwijderen, staat niet vast en bovendien valt zonder 
nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien in welk opzicht dit tuchtrechtelijk verwijtbaar 
zou zijn. Dit klachtonderdeel is daarom ook kennelijk ongegrond.

klachtonderdeel 3) verweerder weigert een garantieclaim op te starten bij de fabrikant
5.7   Nu klachtonderdeel 1) kennelijk ongegrond is verklaard, vloeit daar logischerwijs al uit 
voort dat klachtonderdeel 3) datzelfde lot deelt. Waar geen sprake is van een afgebroken abutment, 
bestond alleen al daarom voor verweerder geen aanleiding een garantieclaim op te starten. Dit 
klachtonderdeel is daarom eveneens kennelijk ongegrond.

Slotsom
5.8  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 1 april 2026 door I. Boekhorst, voorzitter, T. Xi en R.H. Groot, 
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.G. Nijenkamp, secretaris en uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk.