ECLI:NL:TGZRSHE:2026:63 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8616

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:63
Datum uitspraak: 01-04-2026
Datum publicatie: 01-04-2026
Zaaknummer(s): H2025/8616
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klager klaagt over een tandarts omdat zij tijdens een gebitsreiniging in 2015 zijn tanden en tandvlees opzettelijk zou hebben beschadigd, hem heeft misleid over haar functie en het medisch dossier heeft aangepast. Het tuchtcollege oordeelt dat niet kan worden vastgesteld dat de schade door de behandeling is veroorzaakt, omdat deze meerdere oorzaken kan hebben. Ook de over klachtonderdelen zijn ongegrond. 


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 1 april 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klager,

tegen [C],
tandarts,
(destijds) werkzaam in [D],
verweerster,
gemachtigde: mr. drs. Y.Y.J.M. Bonnet, werkzaam in Amsterdam.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1   Klager dient een klacht in over een gebitsreiniging door verweerster in 2015. Volgens klager 
heeft verweerster zijn tandvlees en tanden moedwillig beschadigd, hem misleid over haar functie en 
zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 16 juni 2025;
-  de brief van 14 juli 2025 van de secretaris aan klager;
-  het aanvullend klaagschrift met de bijlagen, ontvangen van klager op 22 juli 2025;
-  de brief van 29 juli 2025 van de secretaris aan klager;
-  het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 23 september 2025.

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik
gemaakt.

H2025/8616


2.3   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   Klager liet sinds een aantal jaren zijn gebit reinigen door mondhygiënistes, werkzaam binnen 
de organisatie waar verweerster sinds augustus 2014 als tandarts werkzaam was. Op 6 augustus 2015 
heeft verweerster een gebitsreiniging van
30 minuten bij klager uitgevoerd.


3.2   Klager meldde zich vervolgens op 9 september 2015 bij een mondhygiëniste, werkzaam binnen de 
organisatie, waarbij hij klaagde over pijn. De mondhygiëniste concludeerde dat sprake was van 
ontstoken tandvlees en adviseerde klager te ragen. Hierna heeft hij zich meerdere keren met pijn 
bij zijn eigen tandarts gemeld. In het medisch dossier van de eigen tandarts staat daarover 
meermaals dat klager zich meldde met gevoelige tanden na een behandeling door de mondhygiënist.
3.3   Klager heeft aan een academisch tandheelkundig centrum gevraagd of er mechanische slijtage 
zichtbaar is. Dit centrum rapporteerde op 10 april 2018 onder meer als volgt [letterlijk 
weergegeven]:
linguaal onderfront voelt ruw bij sonderen, mechanische beschadiging zichtbaar. 11 bucco incisaal 
piepkleine krasjes (mechanische beschadiging)
(…)
CONCLUSIE en ADVIES:
Er is inderdaad mechanische schade linguaal van het onderfront. Er is nog wel glazuur aanwezig, 
maar de elementen zijn wel zo dun geworden dat de mondholte donker doorschemert. Dit zou verholpen 
kunnen worden door een dun laagje composiet linguaal aan te brengen.
(…).


4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1  Volgens klager heeft verweerster onzorgvuldig/onjuist gehandeld, omdat:
1.   sprake is van bewuste verminking door met voorbedachten rade willens en wetens het tandvlees 
en de tanden van klager kapot te maken;
2.   zij het vertrouwen van klager, dat medici je niet moedwillig kwaad doen, heeft geschaad;
3.   zij zich niet aan de eed heeft gehouden die zij als tandarts heeft afgelegd;
4.   sprake is van misleiding, door zich niet voor te stellen en zich niet kenbaar te maken als 
tandarts, waardoor klager ervan uitging dat zij een mondhygiëniste was;
5.   zij onbetrouwbaar en onvoorspelbaar in haar vak is;
6.   sprake is van valsheid in geschrifte, door het veranderen van zaken in het dossier.


2

H2025/8616


4.2  Verweerster heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.


4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende tandarts. Bij de beoordeling wordt rekening 
gehouden met de voor de tandarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

5.2  Het college zal de klachtonderdelen 1, 2, 3 en 5, gelet op hun onderlinge samenhang, 
gezamenlijk behandelen.

5.3   De klachtonderdelen 1, 2, 3 en 5 zijn er alle op terug te voeren dat klager verweerster 
verwijt dat zij zijn tanden en tandvlees moedwillig met haar behandeling heeft beschadigd. Al zijn 
tanden zijn zowel aan de voor- als de achterkant ter hoogte van de rand van zijn tandvlees 
beschadigd met kleine krasjes en vier voortanden van zijn onderfront zijn afgesleten door het 
gebruik van een air rotor. Dat blijkt volgens klager uit het door hem overgelegde rapport van het 
academisch tandheelkundig centrum.

5.4   Verweerster betwist dat zij de tanden of het tandvlees van klager heeft beschadigd. Zij heeft 
geen air rotor gebruikt, maar de gebitsreiniging uitgevoerd met een EMS-apparaat, een ultrasone 
gebitsreinigingsmethode. Verweerster heeft daarbij de geldende richtlijnen en protocollen in acht 
genomen. Verweerster merkt verder op dat het academisch tandheelkundig centrum in 2018 alleen heeft 
vastgesteld dat er sprake is van mechanische slijtage, maar zich niet heeft uitgelaten over de 
oorzaak. Ook merkt zij op dat er na de gebitsreiniging die zij bij klager heeft uitgevoerd, in 2015 
en 2016 door de eigen tandarts van klager nog verrichtingen zijn uitgevoerd (approximaal polijsten 
van onderfront). Daarnaast benoemt verweerster dat de slijtage mogelijk is veroorzaakt door 
bruxisme. Zij stelt tot slot dat zij als tandarts bevoegd en bekwaam is een gebitsreiniging uit te 
voeren.

5.5   Het college heeft de stukken goed bekeken en komt tot de volgende conclusie. Er is het 
college niet gebleken dat verweerster de gebitsreiniging niet volgens de toen gebruikelijke en 
geldende professionele standaarden heeft uitgevoerd. Evenmin blijkt dat klagers tandvlees en tanden 
door deze behandeling zijn beschadigd. Dat de door het academisch tandheelkundig centrum in 2018 
geconstateerde mechanische schade het gevolg is van de behandeling door verweerster kan het college 
niet vaststellen. Dat komt omdat, zoals verweerster terecht stelt, dergelijke mechanische schade 
meerdere oorzaken kan hebben. Anders dan klager meent, blijkt uit de bevindingen van het academisch 
tandheelkundig centrum niet wat de oorzaak is van de geconstateerde mechanische schade en wordt 
daarin geen verband vastgesteld met de gebitsreiniging door verweerster. Uit het


3

H2025/8616


medisch dossier blijkt verder niet dat verweerster, zoals klager stelt, een air rotor of boortjes 
heeft gebruikt om het tandsteen te verwijderen en het college acht dat ook niet aannemelijk. Klager 
heeft daarvan ook geen bewijs overgelegd. Voor de verwijten dat verweerster klager moedwillig zou 
hebben geschaad, het vertrouwen in de beroepsgroep heeft beschaamd of haar eed heeft geschonden, 
geldt dat de feiten die klager daarvoor aanvoert over de behandeling, zelfs als deze wel waren 
komen vast te staan, dergelijke stevige verwijten geenszins kunnen dragen. Deze klachtonderdelen 
zijn kennelijk ongegrond.

5.6   Klager verwijt verweerster in klachtonderdeel 4 dat zij hem heeft misleid door voorafgaande 
aan de behandeling niet kenbaar te maken dat zij tandarts is. Hij heeft slechte ervaringen met 
gebitsreiniging door een tandarts en als hij de gebitsreiniging door een tandarts had willen laten 
uitvoeren, had hij dat wel door zijn eigen tandarts laten doen.

5.7   Verweerster stelt dat zij zich waarschijnlijk voorafgaande aan de behandeling heeft 
voorgesteld aan klager, dat zij bovendien een naambordje draagt waarop haar naam en functie te zien 
zijn en dat klager in de stoel heeft plaatsgenomen voor de behandeling, waaruit zij heeft opgemaakt 
dat hij instemde met behandeling door haar.

5.8   Het college overweegt als volgt. Klager heeft, ook nadat dit al door verweerster in de in 
2020 gevoerde klachtprocedure bij de Geschilleninstantie Mondzorg is aangevoerd, onweersproken 
gelaten dat verweerster voorafgaand en tijdens de behandeling een naambordje met haar naam en 
functie droeg. Het college gaat, nu dit niet is weersproken, ervan uit dat indien en voor zover 
verweerster zichzelf niet zou hebben voorgesteld, in elk geval uit haar naambordje voor klager 
duidelijk kon zijn dat zij tandarts was. Een tandarts, dus ook verweerster, is bovendien volledig 
bevoegd en bekwaam gebitsreinigingen uit te voeren. Zelfs als voor klager niet kenbaar was dat zij 
tandarts was, valt niet in te zien waarom dit ‘misleiding’ zou opleveren. Misleiding veronderstelt 
een opzettelijk onjuiste voorstelling van zaken geven, teneinde een bepaald doel te behalen. Dat 
hiervan, en zo ja in welk opzicht, sprake is geweest, blijkt uit niets. Dit klachtonderdeel is 
daarom kennelijk ongegrond.

5.9   Klager heeft in zijn aanvullende klaagschrift als klachtonderdeel 6 toegevoegd dat 
verweerster valsheid in geschrifte heeft gepleegd door in het medisch dossier zaken op een niet 
logische wijze te veranderen.

5.10  Volgens verweerster heeft klager dit verwijt op geen enkele wijze onderbouwd.

5.11  Het college overweegt als volgt. Uit het aanvullende klaagschrift blijkt niet wat klager 
verweerster precies verwijt. Dat verweerster, die alleen op 6 augustus 2015 betrokken was bij de 
behandeling van klager, zaken in diens dossier heeft veranderd, heeft het college niet kunnen 
vaststellen, alleen al niet nu klager deze stelling niet nader heeft toegelicht noch onderbouwd. 
Dit klachtonderdeel is ook kennelijk ongegrond.


4

H2025/8616
5
Slotsom
5.12  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.
5.13  Het college overweegt tot slot het volgende. Het is voor klager zeer vervelend dat hij al 
lange tijd pijnklachten ervaart. Klager maakt verweerster echter zeer stevige verwijten en gebruikt 
daarbij grievende en verstrekkende bewoordingen en kwalificaties om zijn klacht over het medisch 
handelen te uiten, die geen meerwaarde hebben voor de beoordeling van de klacht. Vanzelfsprekend 
staat het een patiënt vrij om te klagen over een zorgverlener. Het college is evenwel van oordeel 
dat dit had kunnen gebeuren op een in het maatschappelijk verkeer fatsoenlijke en proportionele 
toon en dat is hier niet gebeurd.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 1 april 2026 door I. Boekhorst, voorzitter, T. Xi en
R.C.M. van Gorp, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.G. Nijenkamp, secretaris en in
het openbaar uitgesproken door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk.