We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRSHE:2026:62 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8047

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:62
Datum uitspraak: 01-04-2026
Datum publicatie: 01-04-2026
Zaaknummer(s): H2025/8047
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Gegrond, geen maatregel
Inhoudsindicatie: Deels gegronde klacht tegen psychiater werkzaam in de PI. Geen maatregel. Moeder en zus van overleden patiënte verwijten de psychiater een gebrek aan communicatie met de andere artsen en het off-label voorschrijven van doxazosine en tamsulosine. Voldoende overleg met de andere artsen. Regelmatige bespreking van patiënte in het PMO. Inzicht in de medicatie die aan patiënte was voorgeschreven. Art. 68 lid 1 Geneesmiddelenwet. Voorschrijven van medicatie voor indicaties waarvoor de middelen niet zijn geregistreerd. Permissieve richtlijn wel voor doxazosine maar niet voor tamsulosine. Geen overleg met apotheker over wenselijkheid en dosering van tamsulosine is tuchtrechtelijk verwijtbaar. Zoektocht naar onconventionele medicatie vanwege complexe casus en prangende hulpvraag van patiënte.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing van 1 april 2026 op de klacht van:

[A]

en

[B],
beiden wonende in [C],
klaagsters,
gemachtigde: mr. H.L. Hendriks, werkzaam in Bodegraven,

tegen:

[D],
psychiater, werkzaam in [E],
verweerder, hierna ook: de psychiater,
gemachtigde: mr. J.F. Groen, werkzaam in ‘s-Hertogenbosch.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1   De dochter respectievelijk de zus van klaagsters (hierna ook: patiënte) was van 16 oktober 
2020 tot 15 december 2020 en van 26 januari 2021 tot aan haar overlijden gedetineerd in een 
penitentiaire inrichting (hierna ook: de PI). De psychiater was de behandelaar van patiënte tijdens 
haar detentie.

1.2   Klaagsters verwijten verweerder dat hij gebrekkig heeft gecommuniceerd met de artsen en dat 
hij fouten heeft gemaakt bij het off-label voorschrijven van doxazosine en tamsulosine. Verweerder 
is van mening dat hem geen tuchtrechtelijk verwijt treft.

1.3   Het college komt tot het oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is, maar dat geen 
tuchtmaatregel zal worden opgelegd. Hierna licht het college dat toe.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 16 januari 2025;
-  het verweerschrift met de bijlagen.

2.2  De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van
het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3  De klacht is oorspronkelijk ingediend door de vader van patiënte.
Hij is op 8 maart 2026 overleden. Zijn partner en dochter (de moeder, respectievelijk de zus van 
patiënte) hebben zich bereid verklaard de klacht voort te zetten. Het college heeft hen daarom als 
klaagsters aangemerkt.

2.4   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 4 februari 2026. De psychiater is verschenen. 
Hij werd bijgestaan door zijn gemachtigde. De oorspronkelijke klager was afwezig, maar werd 
vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De psychiater en de gemachtigden hebben hun standpunten 
mondeling toegelicht. De gemachtigden hebben een pleitnotitie voorgelezen en aan het college en de 
andere partij overhandigd.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   Patiënte was van 16 oktober 2020 tot 15 december 2020 en van 26 januari 2021 tot aan haar 
overlijden gedetineerd in een PI. Patiënte is in de PI overleden.

3.2   Klaagsters zijn de moeder en de zus van patiënte. De psychiater heeft patiënte behandeld 
gedurende de tweede detentieperiode (vanaf begin 2021).

3.3  Patiënte is gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis (PTSS).

3.4  Het eerste consult tussen patiënte en de psychiater vond plaats op 11 februari 2021.
Daarbij gaf patiënte aan dat zij overdag slaapt en dan last heeft van herbelevingen en
nachtmerries. Op dat moment had zij ’s nachts geen last van herbelevingen of nachtmerries. Patiënte 
gebruikte al escitalopram en topiramaat. De psychiater heeft naar aanleiding van het eerste 
contactmoment met patiënte de dosering van escitalopram en topiramaat verhoogd.

3.5  De psychiater heeft patiënte daarna op 23 februari 2021 opnieuw gesproken.
Patiënte gaf daarbij aan dat zij nu ook ’s nachts last had van nachtmerries. Naar aanleiding 
hiervan heeft de psychiater doxazosine 4 mg voor de nacht voorgeschreven en een vervolgconsult 
gepland voor anderhalve week later.

3.6   Op 4 maart 2021 vond het vervolgconsult plaats. Daarbij vertelde patiënte dat de doxazosine 
wel hielp, maar nog niet optimaal. De psychiater heeft daarom de dosis van doxazosine verhoogd naar 
4 mg twee keer daags (ochtend en nacht). Ook nu werd een vervolgconsult gepland, ditmaal voor twee 
weken later.

3.7   Patiënte heeft in de daaropvolgende periode meerdere consulten met de psychiater gehad. 
Tijdens deze consulten vertelde patiënte dat de nachtmerries fors zijn toegenomen en dat zij last 
had van jeuk. Omdat de nachtmerries bleven voortduren en patiënte last had van jeuk, heeft de 
psychiater op 8 juli 2021 de doxazosine door tamsulosine vervangen. De psychiater heeft, na overleg met een uroloog over de dosering, tamsulosine voorgeschreven in de dosering 0,4 mg twee keer daags.

3.8  Op 13 juli 2021 belde de apotheek met de psychiater. In het medisch dossier is het volgende 
opgenomen:
“Apotheek belt dat Tamsulosine 2x daags niet gebruikelijk is. Moet eigenlijk 1x daags zijn.
Navraag gedaan bij voorschrijvend psychiater. 2x daags hanteren.”

3.9   De dosering van tamsulosine is op 10 augustus 2021 door de psychiater gewijzigd in één keer 
daags 0,8 mg (voor de nacht).

3.10  Patiënte had op 19 augustus 2021 wederom een consult met de psychiater. Tijdens dit consult 
vertelde zij dat zij sinds een week geen nachtmerries of angstige dromen meer heeft gehad en dat 
het goed met haar gaat. Ook op 24 augustus 2021 vertelde patiënte dat zij geen nachtmerries meer 
heeft gehad.

3.11  Na 24 augustus 2021 en tot aan haar overlijden heeft patiënte nog diverse keren gesproken met 
de psychiater. Daarbij komt nog één keer ter sprake dat patiënte last heeft van nachtmerries (18 
november 2021). Volgens patiënte zijn de nachtmerries toegenomen nadat zij haar verhaal op papier 
heeft gezet ter voorbereiding op de traumabehandeling. Daarna komt niet meer ter sprake dat 
patiënte last heeft van nachtmerries.

3.12  Patiënte is in ….. overleden terwijl zij nog in de PI gedetineerd was.

4. De klacht en de reactie van de psychiater
4.1  Klaagsters verwijten de psychiater:
1) een gebrek aan communicatie met de artsen,
2) het off-label voorschrijven van doxazosine en tamsulosine.

4.2  De psychiater heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
5.1   Voordat het college overgaat tot de beoordeling van de klacht en het verweer, merkt het 
college op dat het heel goed begrijpt hoe verdrietig en ingrijpend het overlijden van patiënte is 
voor klaagsters. Dat neemt niet weg dat het de taak van het college is om de klacht en het verweer 
te beoordelen aan de hand van de zakelijke normen die in een tuchtprocedure als deze gelden. Hoe 
die beoordeling plaatsvindt wordt hierna toegelicht.

Hoe wordt het handelen van de psychiater getoetst?
5.2   De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De 
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de beoordeling wordt 
rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Klachtonderdeel 1) gebrek aan communicatie met artsen
5.3   Klaagsters betogen dat er binnen de PI verschillende artsen werkzaam zijn, ieder slechts voor 
één of enkele dagen in de week. Er was geen vaste arts per gedetineerde. Binnen de PI vond ook geen 
adequate overdracht plaats en de artsen en de psychiater hadden onderling geen overleg over het te 
voeren beleid of de voorgeschreven medicatie. Het was niet mogelijk voor de artsen en de psychiater 
om elkaars dossier in te zien.

5.4   Het college herhaalt dat de psychiater alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk is voor zijn 
eigen handelen. Op de manier waarop de systemen of processen binnen de PI zijn ingericht, heeft de 
psychiater geen invloed. Daarvan kan hem dus geen verwijt worden gemaakt.

5.5  Voor zover dit klachtonderdeel op het persoonlijk handelen van de psychiater ziet, geldt het 
volgende.

5.6   De psychiater heeft zowel in het verweerschrift als tijdens de openbare zitting toegelicht 
hoe de dagelijkse gang van zaken was (en nog steeds is) in de PI. Er is wel sprake van een vaste 
arts die als regiebehandelaar optreedt. Verder worden patiënten besproken in een wekelijks 
psychomedisch overleg (hierna ook: PMO). Aan dit PMO nemen in ieder geval een arts en een 
psychiater deel. Van het PMO wordt een verslag gemaakt voor de zorgverleners die niet bij het PMO 
aanwezig waren. Tot slot gebruiken de psychiater en de artsen hetzelfde medicatiesysteem 
(MicroHIS), waardoor zij wel degelijk kunnen zien welke medicatie door anderen is voorgeschreven.

5.7   De door de psychiater hiervoor onder 5.6 weergegeven algemene gang van zaken is niet door 
klaagsters weersproken. Het college gaat dan ook uit van de juistheid daarvan. Uit het medisch 
dossier van patiënte blijkt bovendien dat de psychiater vaak en regelmatig overleg heeft gehad met 
de arts. In totaal zijn door de psychiater ongeveer 20 contactmomenten met de arts vastgelegd. 
Verder is in het medisch dossier door de psychiater ook op diverse momenten opgeschreven welke 
medicatie patiënte gebruikt, waarbij ook de medicatie is opgenomen die door andere zorgverleners is 
voorgeschreven. Daaruit blijkt dat de psychiater niet alleen het medicatiesysteem theoretisch kon 
inzien, maar dat hij dit ook daadwerkelijk heeft gedaan. Tot slot wordt in het medisch dossier ook 
regelmatig aan het PMO gerefereerd.

5.8   Gelet op het voorgaande is het college van oordeel dat de psychiater voldoende overleg heeft 
gevoerd met de andere zorgverleners. Patiënte is regelmatig in het PMO besproken, de psychiater had 
inzicht in de medicatie die aan patiënte was voorgeschreven en de psychiater heeft buiten het PMO 
om nog regelmatig contact gehad met de arts om patiënte te bespreken. Klachtonderdeel 1) is daarom 
ongegrond.

Klachtonderdeel 2)
5.9   Voordat het college klachtonderdeel 2 beoordeelt, moet worden vastgesteld wat de reikwijdte 
van dit klachtonderdeel is. Tijdens de openbare zitting heeft de gemachtigde van klaagsters 
namelijk betoogd dat de klachtonderdelen zo moeten worden gelezen dat daarin ook ligt besloten dat 
de psychiater rondom het off-label voorschrijven heeft verzuimd om:
- patiënte voldoende te informeren;
- toestemming van patiënte te verkrijgen;
- overleg te hebben met de regiebehandelaar; en
- dit schriftelijk vast te leggen.


5.10  De psychiater verzet zich tegen deze lezing van de klacht en voert aan dat sprake is van een 
uitbreiding van dit klachtonderdeel, welke uitbreiding in dit stadium van de procedure niet meer 
mogelijk is.

5.11  Het college oordeelt dat sprake is van een ongeoorloofde uitbreiding van de klacht en zal 
deze uitbreiding dan ook niet toestaan. Het college stelt vast dat niets in het klaagschrift erop 
wijst dat klaagsters hebben bedoeld de psychiater deze verwijten te maken. In het klaagschrift 
wordt enkel gesproken over a) gebrekkige communicatie met andere zorgverleners, b) het ontbreken 
van een wetenschappelijke grondslag voor het off-label voorschrijven van doxazosine en tamsulosine, 
c) het voorschrijven van tamsulosine in een te hoge dosering en d) het nalaten om toe te zien op de 
effectiviteit, de bijwerkingen en de interacties van de off-label medicatie. Klaagsters hebben de 
klachtonderdelen ook als zodanig benoemd/samengevat. De psychiater heeft blijkens het 
verweerschrift ook enkel gereageerd op de hiervoor onder 4.1 weergegeven klachtonderdelen. Door pas 
tijdens de openbare zitting de klacht uit te breiden, is de psychiater de kans ontnomen om 
voldoende op de klacht te kunnen reageren.

In de toelichting in het klaagschrift hebben klaagsters wel een beroep gedaan op specifieke 
onderdelen van een rapport van een deskundige. In randnummer 3.1. en randnummer 3.5. zijn delen van 
het rapport geciteerd. Daaruit volgt dat klachtonderdeel 2) ook ziet op het gebrek aan overleg met 
de apotheek en andere behandelaren omtrent het voorschrijven van off-label medicatie. Bij de 
beoordeling van klachtonderdeel 2) zal dus ook worden beoordeeld of de psychiater voldoende overleg 
heeft gehad met de apotheker en andere behandelaren toen hij de middelen doxazosine en tamsulosine 
voorschreef.

5.12  Bij de beoordeling van klachtonderdeel 2) neemt het college artikel 68 lid 1 van de 
Geneesmiddelenwet tot uitgangspunt, dat als volgt luidt:
“Het buiten de door het College geregistreerde indicaties voorschrijven van geneesmiddelen is 
alleen geoorloofd wanneer daarover binnen de beroepsgroep protocollen of standaarden zijn 
ontwikkeld. Als de protocollen en standaarden nog in ontwikkeling zijn, is overleg tussen de 
behandelend arts en apotheker noodzakelijk.”

Het College dat in de Geneesmiddelenwet is bedoeld, is het College ter beoordeling van 
geneesmiddelen. Verder geldt dat het ontbreken van een richtlijn of protocol niet zonder meer in de 
weg staat aan off-label voorschrijven. Ook ander bewijs (‘evidence based’), de stand van de 
wetenschap en de praktijk, kan het off-label voorschrijven van medicatie zonder dat dit in een 
richtlijn is beschreven, rechtvaardigen (zie ook Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 17 
april 2024, ECLI:NL:TGZCTG:2024:72)

5.13  Tussen klaagsters en de psychiater is niet in geschil dat de middelen doxazosine en 
tamsulosine door de psychiater zijn voorgeschreven aan patiënte voor indicaties waarvoor de 
middelen niet zijn geregistreerd. De psychiater heeft de medicatie namelijk aan patiënte 
voorgeschreven tegen nachtmerries en herbelevingen, terwijl beide middelen daar niet voor zijn 
geregistreerd. In zoverre is sprake van het off-label voorschrijven van medicatie. Gelet hierop 
moet worden beoordeeld of de psychiater desondanks de geneesmiddelen mocht voorschrijven, al dan 
niet na overleg met een apotheker.

5.14  Het handelen van de psychiater wordt beoordeeld aan de hand van de kennis en de stand van de 
wetenschap ten tijde van het handelen. Kennis die achteraf is verkregen wordt niet meegewogen. De 
psychiater heeft doxazosine voorgeschreven op 23 februari 2021. De doxazosine is vervangen door 
tamsulosine op 8 juli 2021. Het college zal dus het handelen van de psychiater met betrekking tot 
het voorschrijven van deze middelen beoordelen aan de hand van de richtlijnen, protocollen en de 
stand van de wetenschap op die momenten.

5.15  Op 1 december 2020 is de ‘GGZ Zorgstandaard Psychotrauma- en
stressorgerelateerde stoornissen’ (hierna ook: de Zorgstandaard PTSS) geautoriseerd door diverse 
beroepsorganisaties, waaronder de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, de Nederlandse 
Vereniging voor Psychotherapie en de Nederlandse Vereniging voor Psychotrauma. De Zorgstandaard 
PTSS gold ten tijde van het voorschrijven van doxazosine en tamsulosine en betrof een binnen de 
beroepsgroep ontwikkelde standaard. In de zorgstandaard is onder andere het volgende opgenomen:
“Voor nachtmerries en slaapproblemen geldt dat in een meta-analyse goede resultaten zijn gevonden 
voor prazosine (5-15mg) in het verminderen van nachtmerries bij PTSS en slaapproblemen.
[bronvermelding]
Omdat Prazosine niet in Nederland verkrijgbaar is, kan gekozen worden voor een hieraan verwant 
middel, zoals doxazosine (4-8mg), bij voorkeur in een lage dosering in verband met bijwerkingen 
(vooral orthostatische hypotensie).”


5.16  De psychiater heeft nog verwezen naar de Richtlijn PTSS van de Federatie Medisch 
Specialisten. Die richtlijn geldt sinds 2025. Ten tijde van het handelen dat ter beoordeling 
voorligt (2021) gold die richtlijn dus nog niet, zodat het college die niet bij de beoordeling zal 
betrekken.

5.17  Verder heeft de psychiater verwezen naar verschillende wetenschappelijke publicaties. Enkele 
van die publicaties zijn van na 2021. Daar zal het college geen acht op slaan. Andere publicaties 
kunnen wel in de beoordeling worden betrokken. Het gaat om de publicaties ‘Stand van zaken van de 
farmacotherapie voor PTSS’ (deel 1 en 2) uit 2017,
‘Behandeling met doxazosine voor posttraumatische stressstoornis’ uit 2009 en ‘Evidence for using 
doxazosin in the treatment of posttraumatic stress disorder’ uit 2016. In die publicaties is 
opgenomen dat een behandeling met prozasine effectief kan zijn, maar dat vanwege de beperkte 
beschikbaarheid van prozasine in Nederland, gekozen kan worden voor een daaraan verwant middel. 
Doxazosine wordt daarbij uitdrukkelijk als voorbeeld genoemd; tamsulosine niet. Verder wordt in die 
publicaties toegelicht dat met ‘verwant middel’ is bedoeld een middel uit de groep van 
postsynaptische alfa 1-adrenoreceptor-antagonisten.

5.18  Anderzijds volgt uit onderzoek dat beschikbaar was in 2021 dat de behandeling met prazosine 
geen verbetering bracht bij patiënten met nachtmerries als gevolg van PTSS.

5.19  Uit het voorgaande volgt dat ten tijde van de behandeling van patiënte permissieve 
richtlijnen bestonden waaruit met zoveel woorden volgt dat nachtmerries bij patiënten met PTSS 
kunnen worden behandeld met doxazosine. Gelet hierop, kon de psychiater doxazosine aan patiënte 
voorschrijven. De dosering valt ook binnen de in de Zorgstandaard PTSS genoemde marge.

5.20  Dat geldt niet voor tamsulosine. Voor de behandeling van (nachtmerries bij) PTSS met 
tamsulosine bestond geen permissieve richtlijn of protocol binnen de beroepsgroep. Evenmin was er 
overtuigend wetenschappelijk bewijs dat het gebruik van tamsulosine aanraadde. In de destijds 
bekende wetenschappelijke literatuur werd vooral het middel prazosine genoemd en als alternatief 
daarvoor doxazosine. Tamsulosine werd niet genoemd. Verder bestond er in sommige publicaties 
twijfel over de effectiviteit van prazosine.

5.21  De psychiater heeft wel terecht betoogd dat tamsulosine valt binnen de groep van 
postsynaptische alfa 1-adrenoreceptor-antagonisten. Hij heeft ook toegelicht dat de behandeling met 
doxazosine leidde tot bijwerkingen (jeuk en bulten) en dat hij daarom heeft gezocht naar een 
alternatief. Verder staat niet ter discussie dat patiënte leed aan diverse somatische en psychische 
aandoeningen en dat sprake was van een complexe casus. Uit het medisch dossier komt ook een beeld 
naar voren van een patiënte met een grote hulpvraag op het gebied van nachtmerries als gevolg van 
PTSS. De conventionele medicatie had eerder niet tot verbetering van de klachten van patiënte 
geleid. Dat de psychiater daarom medicatie in overweging heeft genomen die eventueel tot 
verbetering zou kunnen leiden, acht het college dan ook verdedigbaar.

5.22  Dat betekent echter niet dat de psychiater zonder meer kon overgaan tot het voorschrijven van 
tamsulosine. In artikel 68 lid 1 van de Geneesmiddelenwet is immers opgenomen dat overleg met de 
apotheker noodzakelijk is als geen sprake is van protocollen of zorgstandaarden die het gebruik van 
de medicatie toestaan of aanbevelen. Ook in dit geval had de psychiater overleg met de apotheker 
moeten voeren voordat hij overging tot het voorschrijven van tamsulosine. Daartoe is van belang dat naar de stand van de wetenschap destijds niet kon worden geconcludeerd dat het gebruik van tamsulosine bij de klachten van patiënte 
een positief effect zou hebben. Tamsulosine werd immers niet specifiek genoemd als middel dat is 
onderzocht. Voor zover tamsulosine als ‘verwant middel’ geldt, bestond in de wetenschap nog geen 
consensus over de effectiviteit van het middel. Met andere woorden: het gebruik van het middel 
tamsulosine tegen nachtmerries bij PTSS was destijds dus een probeersel. Gelet op het feit dat 
sprake was van een complexe casus, de psychiater nooit eerder tamsulosine had voorgeschreven bij 
deze klachten (bij deze patiënte noch bij andere patiënten), in de wetenschap dat geen algemeen 
aanvaarde dosering bekend was voor tamsulosine bij dit soort klachten en de effectiviteit niet 
vaststond, had de psychiater overleg moeten hebben met de apotheker. De apotheker is immers degene 
die bij uitstek bekend is met de effecten en farmacokinetische werking en interacties van 
geneesmiddelen.

5.23  Dat de apotheker zich telefonisch heeft gemeld bij de psychiater nádat tamsulosine was 
voorgeschreven, kan niet als een zodanig overleg worden aangemerkt. Enerzijds omdat dit overleg 
niet op initiatief van de psychiater tot stand kwam, voorafgaand aan het voorschrijven, en 
anderzijds omdat dit overleg ook volgens de psychiater enkel zag op de vraag waarom twee keer daags 
tamsulosine werd voorgeschreven in plaats van één keer daags. Door geen overleg te hebben 
voorafgaand aan het voorschrijven van tamsulosine, heeft de psychiater tuchtrechtelijk verwijtbaar 
gehandeld.

5.24  Aangezien de Geneesmiddelenwet enkel overleg met de apotheker voorschrijft, ziet het college 
geen reden waarom de psychiater bij het voorschrijven van tamsulosine naast overleg met de 
apotheker ook nog overleg had moeten hebben met andere behandelaren. Voor zover met het 
klachtonderdeel wordt betoogd dat nog overleg met andere zorgverleners noodzakelijk was, is het dan 
ook ongegrond.

5.25  Uit het medisch dossier blijkt dat de psychiater telkens vervolgconsulten met patiënte heeft 
ingepland en bij die vervolgconsulten de effecten en bijwerkingen van de medicatie heeft besproken. 
Die consulten vonden zeer regelmatig plaats. Daarbij werd ook regelmatig (de dosering van) de 
medicatie bijgesteld. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat de psychiater onvoldoende heeft 
gemonitord wat de (neven)effecten waren van de voorgeschreven middelen.

5.26  Uit de beoordeling hiervoor is al gebleken dat de psychiater overleg had moeten hebben met de 
apotheker voorafgaand aan het voorschijven van tamsulosine, mede om interacties met andere 
geneesmiddelen te bespreken. Dat de psychiater daarnaast nog onvoldoende zou hebben toegezien op de 
interacties van doxazosine blijkt nergens uit. Het effect en de bijwerkingen van het middel zijn 
meerdere keren met patiënte besproken. Uiteindelijk is het gebruik van het middel ook in overleg 
met patiënte gestaakt.

Slotsom
5.27  De conclusie van het voorgaande is dat de psychiater tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft 
gehandeld door geen overleg te voeren met de apotheker over de wenselijkheid en de dosering van 
tamsulosine voordat hij dit middel aan patiënte voorschreef. In zoverre is de klacht gegrond. Voor 
het overige is de klacht ongegrond.

Maatregel
5.28  Het college zal met toepassing van artikel 69 lid 4 van de Wet BIG volstaan met een 
gedeeltelijke gegrondverklaring van de klacht zonder oplegging van een maatregel. Het college vindt 
opleggen van een maatregel in dit geval niet gerechtvaardigd, omdat de psychiater inzichtelijk 
heeft gemaakt hoe hij tot zijn beslissingen is gekomen. Gelet op de complexiteit van de casus en de 
prangende hulpvraag van patiënte ten aanzien van haar herbelevingen en nachtmerries, is 
verdedigbaar dat de psychiater op zoek is gegaan naar onconventionele medicatie. De psychiater was 
zich bewust van het bijzondere karakter van het voorschrijven van tamsulosine en heeft overleg 
gehad met een uroloog (tamsulosine wordt vaak door urologen voorgeschreven) over de dosering. De 
psychiater heeft dus niet uitsluitend op zijn eigen kompas gevaren, zij het dat hij heeft verzuimd 
om het noodzakelijke overleg met de apotheker te voeren. Verder heeft de psychiater de werking van 
de medicatie in de periode na het voorschrijven ervan in de gaten gehouden. Uit het medisch dossier 
blijkt ook dat het middel in ieder geval tijdelijk een voldoende goed effect heeft gehad op de 
klachten waarmee patiënte zich bij de psychiater meldde. Patiënte heeft in ieder geval tot
18 november 2021 geen melding meer gemaakt van nachtmerries of herbelevingen nadat de dosering van 
tamsulosine is aangepast (van twee keer daags 0,4 mg naar één keer 0,8 mg voor de nacht). In het 
licht van deze feiten en omstandigheden en indachtig het gegeven dat het tuchtrecht beoogt de 
kwaliteit van de gezondheidszorg te verbeteren, zal geen maatregel worden opgelegd.

Publicatie
5.29  In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin 
gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets kunnen leren van wat hiervoor onder 5.12 tot en met 
5.26 is overwogen. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot 
personen of instanties herleidbare gegevens.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart klachtonderdeel 2 deels gegrond;
-  bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
-  verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
-  bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen 
   of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter 
   publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift Medisch Contact.


Deze beslissing is gegeven door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter,
T. Dohmen, lid-jurist, H.J. de Boer, L.A.J. Stouthamer-Verschuren en M. van Mesdag, 
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door C.W.M. Hillenaar, secretaris, en in het openbaar
uitgesproken op 1 april 2026.