ECLI:NL:TGZRSHE:2026:57 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8223
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:57 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-03-2026 |
| Datum publicatie: | 18-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8223 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen verweerder, arts verstandelijk gehandicapten. Klaagster, patiënte, verwijt verweerder dat hij klaagster niet goed heeft behandeld nadat klaagster hierom meermaals had verzocht. Klaagster verwijt verweerder meer concreet dat hij klaagster niet goed in de gaten heeft gehouden, geen mentale ondersteuning heeft geboden en geen extra medicatie heeft verstrekt. Ook verwijt klaagster verweerder dat hij geen akkoord heeft gegeven voor het volgen van een Acceptance-and-Commitment-therapie (ACT-therapie). Tot slot verwijt klaagster dat zij een reikwijdteverklaring in het kader van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd) heeft gekregen. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 18 maart 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B], klaagster,
tegen:
[C],
arts voor verstandelijk gehandicapten,
destijds werkzaam in [B],
verweerder,
gemachtigde: mr. A.C. Beijering-Beck en mr. I.M. de Vries, werkzaam in Zwolle.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster verwijt verweerder dat hij klaagster niet goed heeft behandeld op
31 januari 2025 en 1 februari 2025. Ook verwijt klaagster dat verweerder geen akkoord
heeft gegeven
voor het volgen van een Acceptance-and-Commitment-therapie (hierna ook: (ACT)-therapie).
Tot slot
verwijt klaagster verweerder dat zij een reikwijdteverklaring heeft
gekregen.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het dossier bevat de volgende stukken:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 28 februari 2025;
- de brief van klaagster, ontvangen op 31 maart 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen per e-mail op 12 mei 2025 en
per post op 14 mei
2025;
- de brief met bijlage, ontvangen van klaagster op 16 september 2025;
- de e-mail van klaagster, ontvangen op 20 september 2025;
- de e-mail met bijlagen, ontvangen van klaagster op 23 september 2025;
- de brief van 18 september 2025 met bijlage, ontvangen van klaagster op 24 september
2025;
- de brief van 3 oktober 2025, ontvangen van de gemachtigde van verweerder;
- de brief van de gemachtigde van verweerder, ontvangen op 15 januari 2026.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 Klaagster woont sinds 2016 in de instelling voor verstandelijk gehandicaptenzorg
(hierna: de
instelling) waar verweerder werkzaam is. Klaagster heeft hiervoor een indicatie
op basis van de Wet
Langdurige Zorg met zorgprofiel 3GGZ-W. Klaagster heeft een mentor en een bewindvoerder.
Klaagster
heeft een visus van ongeveer 2%. Ook heeft klaagster last van urineretentie en urineweginfecties
waarvoor zij dagelijks wordt gekatheteriseerd. Zij kampt daarnaast met obstipatieklachten
waarvoor
zij dagelijks een klysma krijgt. De medische voorgeschiedenis van klaagster bevat
onder andere
polyneuropathie, recidiverende rugklachten, myocardinfarct, alcoholisme in remissie
met medicatie
en slaapapneu. De psychiatrische problematiek van klaagster betreft autisme spectrum
stoornis,
borderline persoonlijkheidsstoornis, andere cluster B-persoonlijkheidsproblematiek
en angst- en
stemmingsklachten. Klaagster heeft meerdere medicijnen voorgeschreven gekregen,
waaronder
psychiatrische medicatie. Klaagster is gestart met een transgendertraject.
3.2 Klaagster ontvangt 24 uur per dag en 7 dagen per week begeleiding. De gedragskundige
treedt
op als regiebehandelaar van het behandelteam van klaagster en is verantwoordelijk
voor de
coördinatie en afstemming van de behandeling van klaagster. Tevens is er een expertiseteam
verpleegkundige (hierna: EV-team) op de instelling waar klaagster woont. Dit EV-team
is tijdens en
buiten kantooruren beschikbaar voor de eerste triage en het verrichten van medisch
verpleegkundige
ingrepen.
3.3 Verweerder verleent vanaf 2019 zorg aan klaagster. Verweerder ziet klaagster
standaard elke
twee weken gezamenlijk met een begeleider voor een consult van een half uur. Klaagster
heeft dan de
gelegenheid om tijdens het consult aan verweerder haar vragen te stellen. Klaagster
wordt niet
zoals gebruikelijk door de huisartsen van de instelling gezien vanwege de samenhang
tussen de
psychiatrische en somatische problematiek. Verweerder voert periodiek overleg met
de
regiebehandelaar en met de begeleiders van klaagster. Verweerder heeft ook regelmatig
contact met
het ziekenhuis waar klaagster wordt behandeld. Daarnaast bestudeert verweerder onder
meer de
brieven die klaagster van de medisch specialisten ontvangst. Ook heeft verweerder
overleg met onder
andere de neuroloog van klaagster.
3.4 Op 31 mei 2022 heeft de GZ-psycholoog van klaagster het volgende aan klaagster
geschreven
(alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“(…) De hulpvraag waarmee je aangemeld bent was: ‘Het leren leven met haar handicaps’.
Dit zou
middels Acceptance en Commitment Therapy plaats moeten vinden (ACT). (…)
Hoewel de behandeling via ACT niet geboden wordt, zijn er elementen van deze behandeling
gebruikt
tijdens de 9 gesprekken die we gehad hebben (…) De behandelaar heeft aangegeven
dat hetgeen wat
aangeboden is tijdens de behandelingen tot onvoldoende resultaat heeft geleid en
dat de behandeling
om die reden beëindigd wordt (…). (…) [Klaagster] is het hier niet mee eens (…).
Voor eventuele
vragen rondom verdere therapie kan (…) [klaagster] zich melden bij de regie behandelaar.
(…)”
3.5 De op 3 december 2024 aangemaakte risicokaart van klaagster vermeldt het volgende:
“(…) Uitingen van intrapsychische problematiek (…)
Risico: (…) [Klaagster] kan haar intrapsychische problematiek uiten door haar
polsen/ onder armen te snijden. Als er iets niet goed gaat in de ogen van (…) [klaagster],
kan ze
zichzelf hierin verliezen en stopt niet voordat het in haar ogen is opgelost.
Preventief: Bij lichte spanning of onduidelijkheden al insteken zoals in het signaleringsplan
beschreven staat.
Herstel: op het moment dat (…) [klaagster] haarzelf gekrast heeft wordt hierin een
inschatting gemaakt door begeleiding wat betreft eventuele medische hulp (…)”
3.6 Op 31 januari 2025 bezocht klaagster verweerder in de namiddag samen met een
begeleider voor
het twee wekelijkse consult. Verweerder heeft hierover het volgende genoteerd:
“(…) Wil weer behandeling psycholoog psychiater. PSY (…) echter aangegeven dat medicatieniet
de
oplossing is en al zeer veel geprobeerd (…) Kern van problematiek iscombinatie borderline
en ASS
die beiden niet zijnte behandelen. Vind zelf dat GW [college: gedragswetenschapper]
(…) te weinig
ziet, vraagt mij dit met hente
bespreken, recent nog MDO met beiden (…) aantekening recent weer gekregen,noemt
dit
tbs-behandeling, trekt het niet meer,maar weet niet wat dit voor gevolgen heeft.
Gaatuiteindelijk
vrolijk de deur uit, maar komt nadienbuiten aan het raam staan roepen, bonzen enuiteindelijk
schoppen tegen de pui.
Woongroepingelicht die komt haar ophalen.”
3.7 In de avond van 31 januari 2025, de daaropvolgende nacht en de volgende dag
(1 februari 2025)
heeft klaagster veelvuldig een beroep gedaan op de begeleiding van klaagster. Klaagster
heeft
daarbij meermaals aangegeven te stoppen met haar medicatie, niet meer te eten en
te drinken en niet
meer te willen leven.
3.8 Klaagster heeft een stuk overgelegd met de volgende tekst:
“Reikwijdte verklaring (…) [naam klaagster]
De cliënt heeft zorg nodig en indien onvrijwillige zorg noodzakelijk is als uiterste
middel om
ernstig nadeel voor de cliënt of de omgeving te voorkomen of af te wenden, is de
Wet zorg en dwang
van toepassing. Dan wordt het Wzd stappenplan [college: Wet zorg en dwang psychogeriatrische
en
verstandelijk gehandicapte cliënten] gevolgd. Ondergetekende komt tot deze conclusie
aan de hand
van contact met de persoon in kwestie, informatie uit het dossier en eventueel afstemming
met de
betrokken gedragsdeskundige.”
4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1 Klaagster verwijt verweerder dat hij klaagster:
a) ten onrechte niet heeft behandeld op 31 januari 2025 en op 1 februari 2025,
nadat klaagster
hierom meermaals had verzocht, meer specifiek heeft verweerder klaagster toen niet
goed in de gaten
gehouden, geen mentale ondersteuning geboden en geen extra medicatie verstrekt;
b) geen akkoord heeft gegeven voor het volgen van ACT-therapie;
c) een reikwijdteverklaring heeft verstrekt.
4.2 Verweerder heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder, voor zover nodig, verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts voor verstandelijk
gehandicapten. Bij
de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de arts voor verstandelijk gehandicapten
geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat verweerder beter
anders had kunnen
handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het
uitgangspunt dat
zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
5.2 Het college oordeelt dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Klachtonderdeel a) ten onrechte niet heeft behandeld op 31 januari 2025 en 1 februari
2025
5.3 Klaagster klaagt erover dat verweerder haar op beide dagen niet goed in de
gaten heeft
gehouden, geen mentale ondersteuning heeft geboden en geen extra medicatie heeft
verstrekt.
5.4 Verweerder heeft aangevoerd dat hij heeft begrepen dat de klacht van klaagster
de periode na
het consult met klaagster op 31 januari 2025 betreft, die plaatsvond vlak voor het
einde van de
dienst van verweerder. Verweerder was op 31 januari 2025 tot 17 uur werkzaam. Na
deze dienst had
verweerder de eerstvolgende dienst op 4 februari 2025. Volgens verweerder betreft
de door klaagster
tijdens het consult gevraagde zorg geen goede zorg voor klaagster. Verweerder heeft
de door
klaagster gewenste zorg daarom niet gegeven. Ook heeft verweerder aangedragen dat
in verband met de
psychische problematiek van klaagster het van belang is om duidelijke grenzen te
stellen en om deze
te handhaven. In dat kader hebben verweerder en zijn collega’s vaste contactmomenten
met klaagster
afgesproken om klaagster te helpen haar emoties te reguleren. Buiten de afgesproken
momenten worden
de contacten afgehouden.
5.5 Het college overweegt dat klaagster niet heeft gesteld dat zij tijden het consult
acute zorg
nodig had en het college is dat uit de stukken ook niet gebleken. Het college is
daarnaast geen
aanleiding gebleken om de zorg en de medicatie die klaagster reeds kreeg bij te
stellen. Klaagster
heeft de aanleiding ook niet genoemd. Uit de aantekeningen van het consult is gebleken
dat
klaagster weliswaar niet kreeg wat zij had verzocht maar dat het consult goed is
afgerond. In
zoverre is dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond.
5.6 Na het consult heeft klaagster buiten naar verweerder geroepen en tegen de pui
geschopt en
gebonsd. Verweerder heeft toen de begeleiding gevraagd om klaagster op te halen.
De begeleiding
heeft klaagster verder begeleid. Gezien de taakverdeling tussen verweerder en de
begeleiders van
klaagster, gezien het belang van de begrenzing van klaagster en omdat de dienst
van verweerder was
afgerond, ziet het college hierin geen verwijtbaar handelen van verweerder. Dat
verweerder nog
aanwezig was voor afsluitende administratieve taken maakt dat niet anders. Hetgeen
zich nadien
heeft voorgedaan in de nacht en de daaropvolgende dag in de verzorging en begeleiding
van
klaagster, kan verweerder niet worden aangerekend, aangezien hij toen geen dienst
had. Voor het
overige is dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) geen akkoord heeft gegeven voor het volgen van ACT-therapie
5.7 Klaagster verwijt verweerder dat hij klaagster de mogelijkheid heeft onthouden
om ACT-therapie
te volgen voor het beter accepteren van haar loopstoornissen.
5.8 Verweerder heeft verwezen naar de brief van 31 mei 2022 van de GZ-psycholoog
over de eerder
door klaagster gevolgde ACT-therapie. Klaagster was die therapie toen aangegaan
om te leren leven
met haar beperkingen. Verweerder heeft toegelicht en uit de brief in alinea 3.4
is gebleken dat de
ACT-therapie is beëindigd vanwege onvoldoende resultaat. Ook heeft verweerder aangedragen
dat de
beslissing over de hervatting van de ACT-therapie of een andere therapie niet zijn
verantwoordelijkheid betreft maar die van de regiebehandelaar. Toen de neuroloog
van klaagster
navraag deed over deze therapie bij verweerder, heeft verweerder enkel informatie
gegeven over de eerdere ervaring met de ACT-therapie.
5.9 Het college overweegt verder dat uit de brief van 31 mei 2022 blijkt dat het
overleg over
eventuele hervatting van de ACT-therapie met de regiebehandelaar kan worden afgestemd.
Het college
is daarnaast niet gebleken dat verweerder ten aanzien van de ACT-therapie een verantwoordelijkheid
had. Dit klachtonderdeel is ook kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c) Reikwijdteverklaring
5.10 Klaagster heeft in haar klaagschrift gesteld dat zij op 19 februari 2025 een
voor haar
geldende reikwijdteverklaring heeft gekregen. Klaagster geeft aan dat zij niet weet
waartoe die
verklaring dient en dat deze verklaring bangmakerij is.
5.11 Verweerder heeft aangevoerd dat deze reikwijdteverklaring is opgesteld door
een collega van
verweerder. Verweerder is gevraagd om als behandelend arts deze verklaring te ondertekenen
voor het
geval de inzet op basis van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk
gehandicapte
cliënten noodzakelijk wordt geacht ter voorkoming van ernstig nadeel. Omdat verweerder
niet kon
uitsluiten dat klaagster zich niet vrijwillig aan de gemaakte afspraken en grenzen
zou houden,
heeft verweerder deze verklaring ondertekend. Verweerder heeft toegelicht dat hij
zich kan
voorstellen dat klaagster deze verklaring ervaart als bangmakerij. Echter de intentie
van
verweerder en het doel van deze verklaring is om klaagster en derden te behoeden
voor ernstig
nadeel. Verweerder heeft ook aangedragen dat de verklaring niet automatisch leidt
tot onvrijwillige
zorg. De Wzd kent strenge kaders waaraan voldaan moet worden, alvorens onvrijwillige
zorg ingezet
kan worden.
5.12 Het college maakt uit het klaagschrift op dat klaagster de impact van deze verklaring
begrijpt en acht het invoelbaar dat deze verklaring klaagster angstig maakt. Het
college betreurt
dit maar zal ook dit klachtonderdeel zakelijk moeten beoordelen. Op basis van de
stukken is
gebleken dat klaagster kampt met zeer complexe psychiatrische problematiek die vraagt
om intensieve
begeleiding, verzorging en duidelijke grenzen. Het lukt klaagster niet altijd om
de aan haar
gestelde noodzakelijke grenzen te respecteren. Zo heeft klaagster op momenten de
haar
voorgeschreven medicatie niet ingenomen, ook niet na aandringen van de begeleiding
en heeft zij de
medische dienst bovenmatig veel telefonisch benaderd. Gezien voorgaande en de ontwikkelingen
in de
avond en de nacht van 31 januari 2025 en op
1 februari 2025, waaronder de uitingen van klaagster dat zij niet verder wilde leven,
acht het
college het niet uitgesloten dat klaagster in de nabije toekomst ernstig nadeel
aan zichzelf of een
ander toebrengt. Het college acht het opstellen van een reikwijdteverklaring navolgbaar.
Dit
klachtonderdeel is ook kennelijk ongegrond.
Slotsom
5.13 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door T. Dohmen, voorzitter, S.J.H. Duffels en P.G.M. Boom-Poels,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door F.A.C. Bergervoet, secretaris en in het openbaar
uitgesproken door K.A.J.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 18 maart 2026.