ECLI:NL:TGZRSHE:2026:55 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7406

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:55
Datum uitspraak: 18-03-2026
Datum publicatie: 18-03-2026
Zaaknummer(s): H2024/7406
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: “Klacht tegen een huisarts, werkzaam bij een PI. Klager verwijt de inrichtingsarts dat hij hem zonder voorafgaand overleg en/of eigen onderzoek en ten onrechte arbeidsgeschikt heeft verklaard, hem niet heeft toegelaten tot het spreekuur en niet heeft gereageerd op brieven van zijn advocaat. Klacht ongegrond.”

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing van 18 maart 2026 op de klacht van:

[A],
verblijvende in [B],
klager,
gemachtigde: mr. J.J. Serrarens, werkzaam in Beek,

tegen

[C],
huisarts, werkzaam in [B],
verweerder, hierna: de inrichtingsarts,
gemachtigde: mr. H.M. van de Kerke, werkzaam in Amsterdam.

1. De zaak in het kort
1.1   Klager verblijft in een penitentiaire inrichting. Hij heeft COPD en hij heeft meerdere 
herseninfarcten gehad. In verband met zijn longklachten is hij in 2021 door een andere 
inrichtingsarts volledig arbeidsongeschikt verklaard voor de duur van zijn detentie. Klager vindt 
dat de inrichtingsarts onzorgvuldig heeft gehandeld door klager zonder voorafgaand overleg en/of 
door hemzelf uitgevoerd onderzoek arbeidsgeschikt te verklaren en dat dit oordeel onjuist is. 
Klager klaagt er daarnaast over dat de inrichtingsarts hem tussen maart 2024 en 30 mei 2024 niet 
heeft toegelaten tot het spreekuur en niet heeft gereageerd op de brieven van zijn advocaat.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de inrichtingsarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar 
heeft gehandeld, zodat de klacht ongegrond is. Hierna licht het college dat toe.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 11 juli 2024;
-  het verweerschrift, ontvangen op 22 november 2024;
-  de brief van de gemachtigde van klager van 30 december 2024 met als bijlage verzoekbriefjes, 
   ontvangen op 2 januari 2025;
-  het proces-verbaal van het op 27 maart 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek;
-  de brief van de gemachtigde van de inrichtingsarts van 11 december 2025, ontvangen op 12 december 2025;

-  de brief van de gemachtigde van klager van 8 januari 2026 met bijlagen, ontvangen op 12 januari 
2026.

2.2   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 23 januari 2026. Verschenen zijn de 
gemachtigde van klager en de inrichtingsarts, bijgestaan door zijn gemachtigde. Klager was afwezig 
met bericht van verhindering. De gemachtigden hebben een pleitnotitie voorgelezen en aan het 
college en de andere partij overhandigd.

3. De feiten
3.1   Klager verblijft in een penitentiaire inrichting (hierna: de PI). Hij is bekend met 
longproblematiek en hij heeft meerdere herseninfarcten gehad. In verband met zijn longklachten is 
hij op 21 september 2021 (door een andere inrichtingsarts) voor de hele detentieperiode 
arbeidsongeschikt verklaard.

3.2  Sindsdien is klager meermaals gezien op het spreekuur door de inrichtingsarts en andere 
inrichtingsartsen en verpleegkundigen.

3.3   Binnen de PI wordt ter voorbereiding van een gedetineerde op een terugkeer in de samenleving 
het Detentie, Begeleidings- of Arbeidstraject (hierna: DBA-traject) ingezet, ook wel Beperkt 
Beveiligde Afdeling-traject (hierna: BBA-traject) genoemd. Dit traject houdt in dat gedetineerden 
in de laatste fase van hun detentie ook buiten de PI met werk kunnen beginnen.

3.4   In 2024 heeft klager de wens geuit toe te willen werken naar arbeid na detentie. In het 
medisch dossier is hierover het volgende genoteerd (alle citaten voor zover van belang en 
letterlijk weergegeven):

op 9 februari 2024:
“S   (…) vraag vanuit detentietraject. wil gaan teowerken naar arbeid na detnetie is nu
AO ivm longproblematiek”

op 15 februari 2024:
“S   (…): AO status bespreken gezien detentiefasering/ traject na detentie is nu ao tno”

3.5   Op 20 februari 2024 is de deelname van klager aan het DBA-traject besproken tijdens het 
psycho-medisch overleg (PMO). Het medisch dossier vermeldt hierover het volgende:
“S   (…): PMO: bespreken beperking werken. zie rapp 15-2
PMO [collega inrichtingsarts]: zie 15-2, AO lijkt invoelbaar maar betekent wel dat DBA wrsch lastig 
zal worden. Dat is dan de consequentie van zijn keuze om niet te gaan werken”. Bij dit gesprek was 
een collega inrichtingsarts aanwezig. Klager en de inrichtingsarts waren niet bij dit gesprek 
aanwezig.

3.6  Op 5 maart 2024 heeft een Medisch Deskundig Overleg (MDO) plaatsgevonden. Het medisch dossier 
vermeldt hierover het volgende:
“S   [verpleegkundige]: Overleg gehad met afdelingshoofd, deze geeft aan dat het bijzonder is dat 
dhr als reintegratie doel heeft gesteld dat hij met werk naar buiten wil en hier geen arbeid kan 
uitvoeren. is op het MDO besproken, afdelingshoofd geeft aan dat het dan van belang is dat dhr 
hierbinnen ook arbeid gaat doen. Dhr is nu hulpreiniger op de afdeling en wil koster worden bij de 
kerkgroep? Dit gaat allemaal zonder problemen.
O   AO status is in verleden gesteld voor astma/longklachten tot einde detentie. Recent
heeft HA gekeken en geeft aan dat er op dit moment geen reden zou zijn voor AO.(…)
P   - Dhr op spreekuur gezet bij HA om dit te bespreken en kijken naar mogelijkheden van mogelijk 
aangepast werk.
- In kader van reintegratie en wat bij MDO besproken is bekijken of dhr open staat voor arbeid. (…)
S   (…): AO status nog geïndiceerd?
[collega inrichtingsarts]: mi geen reden voor AO.”.

3.7  In het medisch dossier is over de arbeids(on)geschiktheidsstatus van klager en zijn 
mogelijkheden tot arbeid verder het volgende genoteerd:

op 11 maart 2024:
“S   (…): Mogelijkheden omtrent arbeid bespreken zie rapp 5-3
- [collega inrichtingsarts]: Zie PMO 20-02, als dhr niet open staat voor arbeid binnen PI dan zal 
vervolgtraject lastig worden. Medisch gezien geen AO. Dit is al vaker teruggekoppeld aan dhr. Mi 
moet de casemanager de sitautie mbt arbeid met dhr bespreken”

op 13 maart 2024:
“S   (…): Overleg met Afdelingshoofd over AO status.
[verpleegkundige]: Overleg gehad met [casemanager], arbeid en HA over AO status. Op dit moment geen 
indicatie voor AO op medische gronden.
O   Dhr lijkt vooral zelf overal aan te geven niet te kunnen werken door al zijn klachten.
(…)
P   - Mail naar afdelingshoofd, [casemanager] en arbeid om te gaan kijken wat de
mogelijkheden zijn omtrent arbeid.”.

3.8  De arbeidsongeschiktheidsstatus is op 26 maart 2024 besproken in het psycho-medisch overleg. 
Het medisch dossier vermeldt hierover:
“O   (…) [casemanager] is verbaast over weerstand dat dhr moet gaan werken. Heeft
altijd aangegeven graag te willen werken en daartoe bereid te zijn. (…)
S    (…) Meneer geeft al langere tijd veel klachten aan waardoor hij AO zou zijn maar wil wel 
buiten detentie bij zijn zoon gaan werken (BBA). Zeer tegenstrijdig en valt hierdoor door de mand. 
Meneer zou op afdeling ook gewoon alles doen en overal aan deel te nemen. Geen reden voor AO, 
meneer kan gewoon werken. (…)”.
Dit is het eerste overleg over de arbeids(on)geschiktheid van klager waar de inrichtingsarts bij aanwezig was.

3.9  Diezelfde dag heeft de inrichtingsarts de beslissing om klager arbeidsgeschikt te verklaren 
per brief aan klager kenbaar gemaakt.

4. De klacht en de reactie van de inrichtingsarts
4.1  Klager verwijt de inrichtingsarts dat hij:
a) zeer onzorgvuldig jegens klager heeft gehandeld door klager zonder voorafgaand overleg en/of 
door hemzelf uitgevoerd onderzoek arbeidsgeschikt te verklaren en dat dit oordeel onjuist is;
b) onzorgvuldig jegens klager heeft gehandeld door klager tussen maart en 30 mei 2024 niet toe te 
laten tot het spreekuur;
c) onzorgvuldig heeft gehandeld door niet te reageren op de brieven van de advocaat van klager.

4.2  De inrichtingsarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of de inrichtingsarts de zorg heeft verleend die van hem mocht worden verwacht. 
De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende inrichtingsarts. Bij de beoordeling 
wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele 
standaarden. Het gaat daarbij niet om de vraag of de zorgverlener het beter of anders had kunnen 
doen, maar of hij binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Verder 
geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun 
eigen handelen.

Klachtonderdeel a) klager zonder voorafgaand overleg en/of eigen onderzoek arbeidsgeschikt 
verklaren
5.2   Volgens klager ontving hij begin april 2024, zonder voorafgaand contact daarover met de 
inrichtingsarts, op zijn cel een briefje van de medische dienst met daarin de beslissing dat zijn 
arbeidsongeschiktheid is opgeheven. Die beslissing is niet alleen onzorgvuldig tot stand gekomen, 
maar ook medisch-inhoudelijk onbegrijpelijk. Sinds hij op 21 september 2021 arbeidsongeschikt is 
verklaard, is zijn gezondheidstoestand namelijk niet verbeterd, maar verslechterd. De 
inrichtingsarts heeft zijn beslissing gebaseerd op informatie van derden. In het medisch dossier is 
onjuiste informatie opgenomen, waarop de beslissing (mede) is gebaseerd. Hij is nooit (assistent) 
afdelingsreiniger geweest. Hij heeft alleen een keer iemand geholpen. Dit is later rechtgezet, maar 
als de inrichtingsarts hem persoonlijk had gesproken, had hij dit meteen kunnen doen. Klager meent 
dat het er alle schijn van heeft dat de inrichtingsarts zich bij zijn beslissing heeft laten leiden 
door de wens van het afdelingshoofd of de directeur om hem aan het werk te zetten (en te houden) op 
de werkzaal. Daarbij lijkt de inrichtingsarts de condities op de werkzaal noch de binnen de PI 
aanwezige alternatieven voor zaalarbeid te hebben onderzocht. De inrichtingsarts had minimaal aan de directeur moeten adviseren hem geen werk te laten doen in een stoffige omgeving en 
daarnaast, gezien de vermoeidheid die hij ervaart als gevolg van zijn herseninfarcten, zorgvuldig 
moeten onderzoeken hoeveel uur per dag hij bepaalde werkzaamheden kan verrichten. Dit heeft de 
inrichtingsarts nagelaten.

5.3   De inrichtingsarts betwist dat hij zonder klager te hebben gezien of overleg te hebben 
gevoerd, heeft besloten klager arbeidsgeschikt te verklaren. Hij heeft klager op het spreekuur 
gezien op 11 januari 2024, 8 februari 2024 en 29 februari 2024. Tijdens die consulten heeft klager 
geen long- of benauwdheidsklachten geuit. De beslissing om klager arbeidsgeschikt te verklaren is 
in gezamenlijk overleg genomen. Op basis van meerdere overleggen met verpleegkundigen, psychiater 
en psycholoog, casemanager, de collega inrichtingsarts, het afdelingshoofd en de afdeling arbeid is 
besloten dat de psychische en lichamelijke klachten van klager niet in de weg stonden aan het 
verrichten van arbeid. Alle betrokkenen hadden gezien dat hij best veel kon en niet kortademig was. 
Daarbij was het klagers eigen verzoek om buiten de PI te mogen werken en is er juist aan zijn 
belang gedacht. Werken kan een positief effect hebben en bewegen is goed voor de conditie. Een 
arbeidsgeschiktheidsverklaring is bovendien geen onomkeerbaar besluit; er wordt gestart en 
vervolgens geëvalueerd. De genomen beslissing wordt nog altijd onderschreven.
Dat hij het arbeidsgeschiktheidsbesluit per brief aan klager kenbaar heeft gemaakt, komt omdat hij 
in de, naar later bleek onjuiste, veronderstelling verkeerde dat klager ervan op de hoogte was dat 
hij arbeidsgeschikt zou worden verklaard. Hij betreurt dit zeer. Anders had hij klager zeker in een 
persoonlijk gesprek op de hoogte gesteld.
Als inrichtingsarts gaat hij niet over de inhoud van het werk binnen de PI en evenmin over de vraag 
wat passende arbeid is voor de gedetineerde. Het is aan de casemanager en het afdelingshoofd, die 
de gedetineerde goed kennen en ook op de hoogte zijn van diens arbeidsbeperkingen, om daarover te 
beslissen en passende arbeid te vinden. Gebruikelijk is dat wordt gestart met twee uur arbeid per 
dag, waarna afhankelijk van de bevindingen eventueel in uren wordt uitgebreid. Het werk op de 
afdeling poedercoating waar klager werd ingezet is het lichtste werk en de luchtkwaliteit was er 
goed bevonden.

5.4   Het college overweegt als volgt. Ofschoon dit op basis van een zorgvuldige behandeling wel 
was aangewezen, heeft de inrichtingsarts niet met klager in een consult (of daarbuiten) gesproken 
over het voornemen om klager arbeidsgeschikt te verklaren. In het medisch dossier staat op 5 maart 
2024 wel opgetekend: “Dhr op spreekuur gezet bij HA om dit te bespreken en kijken naar 
mogelijkheden van mogelijk aangepast werk”, maar daaraan is geen gevolg gegeven. In de gegeven 
situatie leidt dit evenwel niet tot een gegrondheid van de klacht. Zoals uit het medisch dossier is 
op te maken, is de arbeids(on)geschiktheids-status van klager op de agenda gekomen op aangeven van 
klager zelf, omdat hij in aanmerking wilde komen voor het BBA-traject. Het besluit klager 
arbeidsgeschikt te verklaren is vervolgens tot stand gekomen door de inbreng van en overleg met 
meerdere medewerkers van de PI (verpleegkundigen, psychiater, psycholoog, casemanager, collega 
inrichtingsarts en afdeling arbeid), die klager dagelijks meemaakten en observeerden en daarin geen 
aanleiding zagen de eerder vastgestelde arbeidsongeschiktheid te handhaven.

Zoals de inrichtingsarts desgevraagd heeft toegelicht, is het bij het proces naar arbeid binnen de 
PI gebruikelijk dat dan wordt gestart met lichte werkzaamheden en een minimaal aantal uren, waarna 
na twee weken wordt geëvalueerd en eventueel nadere beslissingen over de arbeidsinzet worden 
genomen. Zo had hij dit ook bij klager voor ogen. Het onder die omstandigheden besluiten tot een 
arbeidsgeschiktheid van klager is naar het oordeel van het college niet onzorgvuldig. De 
inrichtingsarts mag daarbij het medisch dossier als uitgangspunt nemen. Hem kan niet persoonlijk 
worden tegengeworpen dat daarin de door klager geconstateerde onjuistheden zijn opgenomen. Dat de 
inrichtingsarts de beslissing vervolgens beter in een persoonlijk gesprek aan klager had kunnen 
mededelen en desgewenst toelichten, erkent ook de inrichtingsarts, maar leidt niet tot een ander 
oordeel. Bij de beoordeling gaat het niet om de vraag of het handelen van de inrichtingsarts beter 
had gekund.

Klachtonderdeel b) klager tussen maart en 30 mei 2024 niet toelaten tot het spreekuur
5.5   Klager stelt dat hij meermalen via verzoekbriefjes, de gebruikelijke wijze van aanvragen van 
een gesprek met een arts in de PI, aan de medische dienst kenbaar heeft gemaakt dat hij een consult 
wenste met de inrichtingsarts. De inrichtingsarts heeft hem echter niet toegelaten tot zijn 
spreekuur. Uit de verzoekbriefjes en observaties van het personeel was overduidelijk dat hij zich 
niet goed voelde en dat het uitvoeren van werkzaamheden op de werkzaal niet bevorderlijk was voor 
zijn gezondheid en dat hij daarover wilde praten met de inrichtingsarts.

5.6   Het college is van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Aannemelijk is dat de 
inrichtingsarts de verzoekbriefjes niet heeft gezien. Zoals de inrichtingsarts heeft toegelicht, 
gaan deze briefjes normaal gesproken in eerste instantie naar de verpleegkundige, die vervolgens 
beoordeelt of het verzoekbriefje aanleiding geeft om de gedetineerde op het verpleegkundig 
spreekuur of op het spreekuur van de inrichtingsarts te plaatsen. Dat klager naar aanleiding van 
zijn verzoekbriefjes niet door de inrichtingsarts op het spreekuur is gezien, omdat de 
verpleegkundige(n) daartoe geen aanleiding zag(en), kan de inrichtingsarts niet tuchtrechtelijk 
worden verweten. Blijkens het medisch dossier is klager overigens wel op 25 maart 2024 gezien door 
de collega inrichtingsarts.

Klachtonderdeel c) niet reageren op de brieven van de advocaat van klager
5.7   Klager stelt dat de inrichtingsarts niet heeft gereageerd op de brieven van respectievelijk 
28 maart 2024, 10 april 2024 en 8 mei 2024 van zijn advocaat.

5.8   Ook dit klachtonderdeel is naar het oordeel van het college ongegrond. De brief van 28 maart 
2024 is gericht aan de directeur van de PI en de brieven van 10 april en 8 mei 2024 zijn 
binnengekomen bij de verpleegkundigen. De inrichtingsarts heeft naar eigen zeggen de brieven zelf 
niet ontvangen en ook niet gezien. De inrichtingsarts kan daarom niet tuchtrechtelijk worden 
verweten dat hij daarop niet heeft gereageerd.

Slotsom
5.9  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door R.T. Hermans, voorzitter, C.M.H.M. van Lent, lid-jurist,
T.A.W. Linssen, J.G.E. Smeets en M.A.L. Piegza, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
I.W.M. Dirksen, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 18 maart 2026.