ECLI:NL:TGZRSHE:2026:53 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8235
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:53 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-03-2026 |
| Datum publicatie: | 18-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8235 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen gynaecoloog ongegrond. Gynaecoloog was goed op de hoogte van gezondheid van klaagster heeft dit meegewogen bij het bepalen van beleid. Geen sprake van onjuist behandelplan. De gynaecoloog had klaagster uitgebreider kunnen informeren over waarom een keizersnede niet de voorkeur had, maar niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Informatieplicht niet geschonden. Medisch dossier voorzien van alle relevante gegevens. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 18 maart 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
tegen
[C],
gynaecoloog, werkzaam in [D],
verweerder, hierna ook: de gynaecoloog, gemachtigde: mr. L. Greebe, werkzaam in
Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster werd bij een termijn van 36 weken zwangerschap door de verloskundige
doorverwezen
naar de tweede lijn omdat sprake was van morbide adipositas, BMI 40, zwangerschapsdiabetes
en
macrosomie. Klaagster werd één maal gezien door de gynaecoloog, waarbij afgesproken
werd de
bevalling in te leiden bij 38 weken. De bevalling kwam bij 37+6 weken spontaan op
gang en vanwege
drukte werd klaagster doorverwezen naar een ander ziekenhuis (waar de gynaecoloog
niet werkzaam is)
(hierna: ander ziekenhuis). Tijdens de bevalling trad een zeer ernstige schouderdystocie
op die
ongeveer 13 minuten duurde waarna de zoon van klaagster (hierna: het kind) ernstig
asfyctisch is
geboren. Het kind werd geboren met een gewicht van 6160 gram en is enkele dagen
later overleden.
Klaagster verwijt de gynaecoloog onder meer dat hij haar onvoldoende heeft geïnformeerd
over de
behandelopties, er geen gezamenlijke besluitvorming heeft plaatsgevonden en dat
haar medisch
dossier niet volledig was.
1.2 De gynaecoloog is van mening dat de klacht ongegrond is.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de gynaecoloog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 5 maart 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen per e-mail op 13 juni 2025 en per post
op 16 juni 2025;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek van 12 augustus 2025.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 21 januari 2026. De partijen
zijn verschenen.
De gynaecoloog werd bijgestaan door zijn gemachtigde. De partijen en de gemachtigde
hebben hun
standpunten mondeling toegelicht.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Op 19 juli 2023 ziet de gynaecoloog klaagster in het ziekenhuis. Klaagster
is dan 37 weken
zwanger van haar eerste kind.
3.2 Er werd voorafgaand aan het consult op 19 juli 2023 een echo gemaakt, naar aanleiding
waarvan
het geschatte foetale gewicht 4600 gram was. In het medisch dossier werd door de
gynaecoloog
genoteerd (alle citaten voor zover van belang en letterlijk overgenomen):
“(…)
Medische indicatie -1) DG (OGTT nu 5.0 na 2u 13.3)
2) Inleidingsverzoek ivm te verwachten macrosomie
3) Morbide adipositas BMI 40(…)
Beloop - Verwijzing ivm gestoorde GTT bij 36=2: nichter 5.0, na 2u 13,3.
Bij 28wk was de GTT goed.
Tevens verwachte macrosomie: groei AC p100 FL p100 en polihydramnion AFI 25,4 SDP
6,4cm.
Voelt goed leven, soms harde buiken. Geen bloedverlies, geen vochtverlies
Ergo, late GDM met fors gestoorde glucoses (HbA1c 52) en macrosomie. Gecounseld tav
beleid:
-vandaag nog uitleg glucose meter
-dieet uitgelegd
-gezien forse uitzetting met gg >4000 gr nu mijns inziens inleiding bij AD 38 weken
aangewezen om
vaginale partus überhaupt kans van slagen te geven
gecounseld obv Boulvain studie:
bij verdenking macrosomie kan inleiding baring een lager geboortegewicht geven,
waarbij minder kans
op schouderdystocie en mogelijke fracturen. Onverwachte bevinding van deze studie
laat zien dat er
meer perineaal trauma en mogelijk meer kans op noodzaak foto therapie neonaat
Vitale functies
NIBP - 118/80(93) mmHg
Conclusie
Conclusie en beleid (naslag) - late GDM met forse gestoorde glucoses (HbAcc 52)
en verwachte
macrosomie
Beleid
Overname zorg, 1e lijn gebeld en op de hoogte (…)
[plaatsnaam]
Vandaag nog uitleg glucosemeter , start dieet
Ma 24-7 TCH [naam gynaecoloog] ter evaluatie glucoses
Do 27-7 start priming ivm verwachte macrosomie”.
3.3 Klaagster is op 26 juli 2023 bevallen in het andere ziekenhuis, waarheen zij
werd
overgeplaatst vanwege drukte in het ziekenhuis.
3.4 Het kind van klaagster is op 3 augustus 2023 overleden. De gynaecoloog noteerde
op 7 augustus
2023:
“(…) Patiënte gebeld nav ernstige schouderdystocie; zoon [naam kind] na abstinerend
beleid
overleden. Afgelopen zaterdag uitvaart geweest.
Medeleven betuigd, condoleances overgebracht. Begeleiding aangeboden vanuit ziekenhuis
indien gewenst; nu geen behoefte aan. (…)”.
3.5 Op 15 augustus 2023 vond een gesprek plaats tussen klaagster en de gynaecoloog.
De
gynaecoloog noteerde in het medisch dossier:
“Eerste nagesprek op polikliniek na perinatale sterfte door ernstige schouderdystocie
zoon [naam
kind] 6160gr overleden na abstinerend beleid in [kinderziekenhuis] (partus in [ander
ziekenhuis]).
Patiënte op spreekuur met zus en moeder en vader + kinderen van zus.
Allereerst medeleven betoogd en nogmaals condoleances aangeboden, ook familie in
betrokken. Daarna
eerst stil gestaan bij gespreksonderwerpen die patiënte en familie graag aan bod
willen laten komen
vandaag. Hierin komt – begrijpelijkerwijs- ook direct weer veel emotie naar boven,
iedereen
uitgebreid de tijd gegeven om vragen en gevoelens te delen. Uiteindelijk 4 onderwerpen
gedestilleerd om te bespreken:
1. hoe is het beleid/keuze tot inleiding bij AD 38 weken tot stand gekomen? Waarom
geen primaire
sectio [college: keizersnede]?
2. waarom zijn de uitslagen van onderzoeken in het [ziekenhuis] niet allemaal meegestuurd
naar het
[andere ziekenhuis]?
3. zijn de uitslagen van onderzoeken in de 1e lijn wel allemaal bekend in [het ziekenhuis]
en [het
andere ziekenhuis]?
4. evaluatie van bezoek aan triage, waarbij gebroken vliezen geconstateerd, maar pte
naar huis is
ontslagen en daarna naar [het andere ziekenhuis] is overgeplaatst
Om te beginnen uitgelegd dat ik niet heb ingeschat dat [naam kind] 6160gr zou zijn.
Op basis van
echo alhier werd foetus op 4588gr geschat; lichamelijk onderzoek (buikonderzoek)
hiermee in lijn,
maar zowel echo als uitwendig onderzoek lastig te beoordelen bij termijn en ernstig
obesitas.
Ad 1 : richtlijn diabetes gravidarum, macrosomie en zwangerschap bij obesitas zijn
hierin
eenduidig; er wordt géén advies gegeven om per se een primaire sectio te verrichten
bij macrosomie
en/of maternaal ernstig overgewicht. Wel valt inleiding bij AD 38-39 te overwegen.
dit is ook
besproken en met keuze om in te leiden bij AD 38 weken daarmee gehandeld volgens
de richtlijn. Met
wetenschap achteraf – het daadwerkelijke geboortegewicht van [naam kind] – hadden
we waarschijnlijk
andere keuze gemaakt en sectio geadviseerd, maar dat was toen niet bekend.
Ad 2. verwijsbrief gezien, daarin wel notities uit dossier en beoordeling CTG opgenomen,
maar
echoverslag van hier ontbreekt. Ik pak dit op met de betrokken zorgverleners in
die dienst om na te
gaan hoe dit is gelopen. Ook evaluatie met [het andere ziekenhuis] en 1 e lijn volgt
om dit te
bespreken. (…)
Tot slot nog gesproken over psychische begeleiding. (…) Verwijzing medische psychologie
in gang
gezet. (…)”.
3.6 Op 24 augustus 2023 neemt de gynaecoloog telefonisch contact op met klaagster
en noteerde:
“Gebeld met patiënte op verzoek, omdat zij nog enkele vragen heeft mbt perinatale
sterfte van zoon
[naam kind]. Uiteindelijk uitgebreid gesprek van 40min.
Vragen over echo’s tijdens zwangerschap:
- discrepantie tussen echo 1e lijn bij AD 35+5 en echo alhier bij AD 37+0; is hier
iets mee
gedaan?
- pte geeft aan dat zij had verwacht dat wij hadden moeten zien dat [naam kind]
tenminste 5500gr is, obv echo bij AD 31+6 weken.
uitleg gegeven over betrouwbaarheid/onbetrouwbaarheid echo bij termijn en bij postuur
(morbide
obesitas). Daarnaast lastig dat patiënte pas bij AD 37 weken in 2e lijn gezien is.
het is voor mij
als obstetrisch zorgverlener – zeker in dit geval- moeilijk om beleid te bepalen
obv 1 poliklinisch
bezoek, terwijl het beloop over de tijd en de klinische blijk daarbij juist veel
informatie biedt.
Het uitwendig onderzoek, echo’s en daarmee het algemene pluis/niet pluis gevoel
is als arts
moeilijk in te schatten bij de bekende patiënte gerelateerde factoren (morbide obesitas)
icm de
late verwijzing. Hierin naar beste kunnen gehandeld, wetende dat de onderzoeken
niet 100%
betrouwbaar zijn, maar dat er ook geen beter alternatief voor handen is. De echo
bij AD 35+5 in 1e
lijn en de echo bij ons bij AD 37 weken waren redelijk met elkaar in lijn en schatten
de foetus op
zo’n 4500gr; op basis van uitwendig onderzoek achtte ik dat reëel. Ik heb daarom
niet vermoed dat
[naam kind] uiteindelijk 6160gr zou zijn. Het beleid is daarom afgestemd op die
inschatting,
waarbij er geen richtlijn is die dan (bij geschat gewicht 4500gr of bij morbide
obesitas) een sectio aanbeveelt. Benoemt dat dit met de kennis van het gewicht achteraf
een andere afweging zou zijn geweest;nogmaals benadrukt hoezeer ik
deze uitkomst betreur en daar zelf ook buikpijn van heb en slecht slaap. (…)
Aangeboden in gesprek te blijven. Pte geeft aan naar tuchtrechter te willen; heeft
klacht daartoe
ingediend alhier. Geeft aan dat zij klacht wil doorzetten ongeacht uitkomst calamiteitenonderzoek,
omdat zij niet wil dat een dergelijke casus nogmaals kan voorkomen. (…)
3.7 Na het overlijden van het kind hebben zowel het ziekenhuis waar de gynaecoloog
werkt, als het
andere ziekenhuis waar klaagster is bevallen, een melding gedaan bij de Inspectie
Gezondheidszorg
en Jeugd (hierna: IGJ) van een mogelijke calamiteit. Geconcludeerd werd dat er geen
sprake was van
een calamiteit.
3.8 Op 16 september 2024 vond een second opinion plaats op de polikliniek Gynaecologie
in een
ziekenhuis dat niet eerder betrokken was bij de zorg aan klaagster. De gynaecoloog
concludeerde na
een uitgebreid gesprek met klaagster en het bekijken van de medische gegevens in
haar brief van 17
september 2024 onder meer:
(…) Wat patiënte en haar zoon is overkomen is uiterst zeldzaam en vooraf niet te
voorspellen
Meestal kan tijdens een baring bij niet vorderende ontsluiting of niet vorderende
uitdrijving en
een groot kind nog worden besloten om toch laagdrempelig een SC te verrichten. Maar
bij patiënte
was er geen aanleiding om te denken aan baringsproblemen omdat de ontsluiting normaal
verliep, voor
zover ik anamnestisch kan nagaan , en ze was spontaan in partu gekomen wat ook meestal
een
gunstiger baringsverloop kent dan als ze was ingeleid
Een primaire keizersnede was ook wat mij betreft op basis van de literatuur niet een
optie die ik
zou hebben voorgelegd. Dit omdat een keizersnede toch een grote buikoperatie is
en ook een
verhoogde kans op korte- en lange termijncomplicaties geeft Als dat een persisterende
wens van
patiënte zou zijn, zou ik het in het team hebben besproken. Ons team zou op grond
van de
richtlijnen vermoedelijk hetzelfde hebben geadviseerd, namelijk inleiding tussen
37-39 wk. (…)”.
4. De klacht en de reactie van de gynaecoloog
4.1 Klaagster verwijt de gynaecoloog dat hij:
a) onvoldoende rekening heeft gehouden met de gezondheid van klaagster en het effect
hiervan op de
groei van de baby en op mogelijke complicaties bij een natuurlijke bevalling. Hierdoor
heeft er
geen intercollegiaal overleg plaatsgevonden, is een extra echoscopie niet door een
derde bekeken en
is klaagster niet naar een gynaecoloog doorverwezen die is gespecialiseerd in zwangere
vrouwen met
obesitas en zwangerschapsdiabetes;
b) een onjuist behandelplan heeft opgesteld nadat klaagster was doorverwezen vanwege
een verwachte
grote baby, obesitas, late zwangerschapsdiabetes en te veel vruchtwater;
c) heeft nagelaten om op 19 juli 2023 alternatieve behandelopties aan te dragen waardoor
er geen
sprake is geweest van gezamenlijke besluitvorming. De gynaecoloog ging niet in op
de mogelijkheid
van een keizersnede of eerder inleiden dan bij 37 weken;
d) klaagster onvoldoende heeft geïnformeerd over de gezondheidstoestand, de risico's
van de
behandeling en de relevante onderzoeksgegevens;
e) klaagster niet heeft uitgelegd waarom hij een keizersnede niet adviseerde;
f) geen volledig medisch dossier heeft (bijgehouden). Niet alle gegevens van de
verloskundigenpraktijk waren opgenomen in het medisch dossier.
4.2 De gynaecoloog is van mening dat hij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld en
heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 Voorop wordt gesteld dat het verlies van haar zoon na een zware bevalling
een enorme impact
moet hebben (gehad) op klaagster. Maar ook op de gynaecoloog, die tijdens de hoorzitting
verklaarde
dat dit medisch incident en het overlijden van de zoon van klaagster hem enorm heeft
aangegrepen.
Bij de tuchtrechtelijke beoordeling van het handelen waarover wordt geklaagd, gaat
het echter om de
vraag of de gynaecoloog de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden.
De norm daarvoor
is een redelijk bekwame en redelijk handelende gynaecoloog. Bij de beoordeling wordt
rekening
gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor
een
tuchtrechtelijk verwijt.
De verschillende klachten
5.2. Tijdens de zitting werd duidelijk dat klaagster hoofdzakelijk ontevreden was
over de
communicatie met de gynaecoloog. Uit haar mondelinge toelichting volgt dat klaagster
van mening is
dat zij in onvoldoende mate is meegenomen in de besluitvorming met betrekking tot
de vraag of in
haar geval een keizersnede de juiste behandelmogelijkheid zou zijn geweest. Desalniettemin
gaf
klaagster desgevraagd aan dat zij wil dat het college oordeelt over al haar ingediende
klachten.
Daarom worden deze hieronder een voor een beoordeeld.
Klachtonderdeel a) De gynaecoloog heeft onvoldoende rekening gehouden met de gezondheid
van
klaagster
5.3 Klaagster stelt dat de gynaecoloog onvoldoende rekening heeft gehouden met
haar
gezondheidstoestand en het effect daarvan op de groei van het kind en op mogelijke
complicaties bij
een natuurlijke bevalling. Uit het medisch dossier blijkt echter dat de gynaecoloog
op de hoogte
was van de volledige gezondheidsproblematiek van klaagster (waaronder morbide obesitas,
zwangerschapsdiabetes en macrosomie) en dat hij deze factoren expliciet heeft meegewogen
in het
beleid. Zo heeft de gynaecoloog op grond van deze overwegingen besloten de bevalling
bij 38 weken in te leiden, overeenkomstig de geldende richtlijnen. Er was dan ook
geen aanleiding voor het voeren van multidisciplinair overleg, omdat dit slechts aangewezen
is indien sprake is van casuïstiek buiten de bestaande richtlijnen. Juist
vanwege de genoemde medische condities heeft de gynaecoloog – in lijn
met de vigerende richtlijnen ‘zwangerschap bij obesitas’ en ‘diabetes bij zwangerschap’
geadviseerd
de bevalling in te leiden bij 38 weken. Anders dan klaagster suggereert was er geen
aanleiding om
de echoscopie door een derde te laten controleren, omdat de gynaecoloog bij lichamelijk
onderzoek
constateerde dat sprake was van macrosomie en dit beeld paste bij de laatste echografie
op 19 juli
2023. Klaagster meent ook nog dat zij doorverwezen had moeten worden naar een gynaecoloog
die
gespecialiseerd is in zwangere vrouwen met obesitas en zwangerschapsdiabetes. Afgezien
van het feit
dat een dergelijke specialisatie niet bestaat, komt de bij klaagster destijds bestaande
problematiek veelvuldig voor en was de gynaecoloog volledig op de hoogte van het
in te zetten
beleid. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel b) De gynaecoloog heeft een onjuist behandelplan opgesteld
5.4 Klaagster verwijt de gynaecoloog dat hij een onjuist behandelplan heeft opgesteld
nadat zij
bij 37 weken werd verwezen vanwege een combinatie van risicofactoren, waaronder
een vermoedelijk
grote baby (macrosomie), obesitas, zwangerschapsdiabetes en een teveel aan vruchtwater.
Het college
overweegt dat de gynaecoloog heeft gehandeld geheel in lijn met de vigerende richtlijnen
en
protocollen. De groeisnelheid van het kind en de diabetes van klaagster zijn meegenomen
in het
gekozen bevallingsbeleid en daarom is besloten om niet af te wachten maar de bevalling
in te leiden
bij 38 weken. Voor zover klaagster stelt dat gekozen had moeten worden voor een
keizersnede, geldt
dat obesitas in het algemeen een contra-indicatie is voor een sectio vanwege de
mogelijke risico’s
en complicaties. Dat achteraf, met de kennis van het werkelijke geboortegewicht,
kan worden
beredeneerd dat een keizersnede mogelijk een andere uitkomst had gehad, maakt niet
dat het door de
gynaecoloog op 19 juli 2023 gekozen beleid medisch onjuist of tuchtrechtelijk verwijtbaar
was. Een
beoordeling van handelen mag immers niet achteraf met de kennis van nu worden gedaan,
maar dient te
worden getoetst aan de stand van de wetenschap en praktijk van dat moment. Ook dit
klachtonderdeel
is ongegrond.
Klachtonderdelen c, d en e) De gynaecoloog heeft nagelaten alternatieve behandelopties
voor te
stellen, klaagster onvoldoende geïnformeerd en niet uitgelegd waarom niet gekozen
werd voor een
sectio
5.5 Klaagster verwijt de gynaecoloog dat hij op 19 juli 2023 heeft nagelaten om
haar te
informeren over alternatieve behandelopties, in het bijzonder over de mogelijkheid
van een
(primaire) keizersnede of eerdere inleiding dan bij 38 weken (klachtonderdeel c),
dat hij haar
onvoldoende heeft geïnformeerd over haar gezondheidstoestand, de risico’s van de
behandeling en de
relevante onderzoeksbevindingen (klachtonderdeel d), en dat hij haar niet heeft
uitgelegd waarom
een keizersnede geen aanbevolen optie was in haar geval (klachtonderdeel e). Deze
klachtonderdelen
raken alle aan het thema van gezamenlijke besluitvorming (shared decision making)
en worden om die
reden gezamenlijk beoordeeld.
5.6 Uitgangspunt bij de keuze voor een medisch behandelplan is het ‘informed consent’
beginsel.
Dit belangrijke uitgangspunt van het gezondheidsrecht houdt in dat de patiënt toestemming
geeft
voor het uitvoeren van een medische behandeling. Om toestemming te geven heeft de
patiënt goede
informatie nodig. Hiervoor dient de arts op een begrijpelijke en zo volledig mogelijke
wijze de
patiënt te informeren over de voorgestelde behandeling, over onderzoeken, andere
mogelijke
behandelingen, maar ook over welke risico’s aan de verschillende behandelingen verbonden
zijn en
welke complicaties kunnen optreden. Uit de schriftelijke verklaring van de moeder
van klaagster
(hierna: de moeder) volgt dat tijdens het consult op 19 juli 2023 door haar gevraagd
is naar de
mogelijkheid van een keizersnede in verband met de grootte van het kind. Volgens
de moeder gaf de
gynaecoloog aan dat een keizersnede niet nodig was en dat de bevalling via natuurlijke
weg
geprobeerd moest worden. De gynaecoloog heeft in zijn verweerschrift gesteld dat
behandelopties,
zoals in dit geval een keizersnede, die, gelet op alle omstandigheden niet geïndiceerd
zijn, niet
standaard in een gesprek besproken worden. Ook verklaarde de gynaecoloog tijdens
de hoorzitting dat
naar zijn herinnering de mogelijkheid van een keizersnede tijdens het gesprek op
19 juli 2023 niet
is besproken, ook omdat in zijn herinnering daar niet naar gevraagd is. Wat hier
verder ook van
zij, uit de verklaring van de moeder volgt dat de optie van een keizersnede wel
kort de revue is
gepasseerd. Vast staat dat de risico’s en complicaties van een sectio, gelet op
de
gezondheidsomstandigheden van klaagster niet besproken zijn.
5.7 Naar het oordeel van het college had de gynaecoloog klaagster op 19 juli 2023
uitgebreider
kunnen informeren, zodat klaagster van meet af aan op de hoogte zou zijn geweest
van het feit dat
een sectio in haar geval niet de voorkeur had. Dat achteraf, met de kennis van nu,
een sectio
mogelijk wel een adequate behandelmogelijkheid zou zijn geweest, leidt niet tot
een ander oordeel.
Het college beoordeelt het handelen echter op basis van de beschikbare informatie
op 19 juli 2023.
Hoewel de gynaecoloog klaagster beter had kunnen informeren, is dit niet dermate
ernstig dat dit
tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Hierbij speelt een rol dat de gynaecoloog klaagster
wel adequaat
geïnformeerd heeft over de behandelopties die wel mogelijk waren – inleiden of afwachten
– en dat
die behandelopties geheel in lijn zijn met de vigerende richtlijnen. Dit is ook
bevestigd door de
gynaecoloog van wie klaagster een second opinion kreeg. De kern van de informatieplicht
is niet
geschonden en de geboden behandelopties waren in overeenstemming met de professionele
standaard.
Dit betekent dat ook deze klachtonderdelen ongegrond zijn.
Klachtonderdeel f) Geen volledig medisch dossier
5.8 Ook dit klachtonderdeel faalt. Naar het oordeel van het college zijn alle
relevante gegevens
in het medisch dossier opgenomen. Weliswaar ontbrak de groeicurve van het kind,
maar die was niet
noodzakelijk om tot beleid te komen. Overigens heeft klaagster ook niet concreet
gemaakt welke
medische gegevens volgens haar verder ontbraken.
5.9 Zoals overwogen heeft deze casus zowel klaagster als de gynaecoloog zeer aangegrepen.
De
gynaecoloog heeft na het overlijden van het kind contact met klaagster gezocht,
zijn medeleven betuigd, haar doorverwezen naar een psycholoog en haar vragen beantwoord.
Ook heeft de gynaecoloog kort na de bevalling een multidisciplinair overleg georganiseerd
met alle
betrokken zorgverleners, zowel uit de eerste lijn (de verloskundigenpraktijk) als
de tweede lijn.
Het doel was om de gebeurtenissen te evalueren en om te leren van deze verdrietige
casus. De
uitkomsten van dit overleg – zoals het verbeteren van de informatievoorziening bij
overdracht naar
een ander ziekenhuis/centrum, zijn op initiatief van de gynaecoloog direct opgepakt
en
geïmplementeerd. Ook heeft de gynaecoloog een onderwijsavond georganiseerd over
‘echografie bij
obesitas en worden protocollen regio-breed aangepast, waar verbetering en uniformiteit
mogelijk
was. Zowel het protocol ‘diabetes gravidarum’, ‘zwangerschap en obesitas en macrosomie’
zijn
regionaal in behandeling, waarbij ‘diabetes gravidarum’ inmiddels is goedgekeurd
voor regionale
toepassing en het protocol ‘zwangerschap en obesitas en macrosomie’ in een vergevorderd
stadium van
ontwikkeling zijn. Hierbij verdient het opmerking dat in geen van de drie protocollen
beleidsaanpassingen zijn gedaan die aansluiten bij de verwijten of verwachtingen
die klaagster
heeft ten aanzien van het medisch beleid. Ook heeft de gynaecoloog zijn kennislacunes
gedeeld met
de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) om op te nemen op
de kennisagenda
en zodoende wetenschappelijk onderzoek en onderwijs over macrosomie te bevorderen.
Het doel van het
tuchtrecht is het bewaken en bevorderen van de kwaliteit van de beroepsuitoefening
en het
beschermen van de patiënt tegen ondeskundig of onzorgvuldig handelen. Van ondeskundig
of
onzorgvuldig handelen was in dit geval geen sprake en aan het eerste doel is ruimschoots
voldaan,
omdat de gynaecoloog er alles aan gedaan heeft om de kwaliteit van de zorgverlening
aan zwangere
vrouwen met obesitas, zwangerschapsdiabetes en macrosomie te verbeteren.
Conclusie
5.10 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door Y.M. Vanwersch, voorzitter, L.A.B.M. Wijntjens, lid-jurist,
L.H. Bouwman, P.F. Boekkooi en J.W. de Leeuw, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
M. Karatepe, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door K.A.J.C.M. van den
Berg Jeths-van Meerwijk op 18 maart 2026.