ECLI:NL:TGZRSHE:2026:50 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7946
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:50 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-03-2026 |
| Datum publicatie: | 04-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7946 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klager verblijft in een tbs-kliniek en klaagt erover dat een gz-psycholoog heeft gelogen over een incident met zijn partner, het recidivegevaar heeft overdreven en zich door haar niet gezien of gehoord voelt. Het college oordeelt dat verweerster professioneel heeft gehandeld. Zij heeft haar adviezen op gebaseerd op correcte informatie en multidisciplinaire risicotaxaties en er was sprake van voldoende contactmomenten met klager. Klacht ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 4 maart 2026 op de klacht van:
[A],
verblijvende in [B],
klager,
tegen
[C],
gz-psycholoog
destijds werkzaam in [B],
verweerster,
gemachtigde: mr. S.F. Tiems, werkzaam in Leiden.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager verblijft op de longcare-afdeling van een tbs-kliniek. Verweerster
is het hoofd
behandeling. Volgens klager heeft verweerster gelogen over een incident met zijn
partner, staat zij
zijn terugkeer in de samenleving in de weg en voelt hij zich door haar niet gezien
en gehoord.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is
gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift ontvangen op 24 december 2024;
- de brief van 6 februari 2025 van de secretaris aan klager;
- het aanvullend klaagschrift, ontvangen op 18 februari 2025;
- het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 24 april 2025;
- het proces verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 23 juni 2025;
- het aanvullend verweerschrift, ontvangen op 19 augustus 2025;
- de repliek, ontvangen op 29 september 2025;
- de dupliek, ontvangen op 20 oktober 2025.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klager verblijft sedert medio 2019 op de longcare-afdeling van de huidige
tbs-kliniek na
eerst in twee andere klinieken te hebben verbleven.
Verweerster was het hoofd behandeling van klager.
3.2 Op 22 december 2022 vindt een telefoongesprek plaats tussen klager en zijn partner
waarin
sprake is van een hoogoplopende ruzie. De partner belt daarna in paniek naar het
behandelingsteam
en in het dossier wordt genoteerd dat de partner vertelt over verschillende dreigementen
die klager
naar haar heeft geuit. Er wordt besloten zijn telefoon in te nemen, in gesprek met
hem te gaan en
zijn kamer te controleren. Klager wordt vanwege zijn gedrag dan gesepareerd. Tijdens
de
kamercontrole worden meerdere spullen gevonden die niet zijn toegestaan, waaronder
vier pinpassen
en een telefoon.
3.3 Op 30 december 2022 volgt een besluit tot beperking in de bewegingsvrijheid en insluiting.
3.4 Bij uitspraak van 17 augustus 2023 heeft Rechtbank [D] de termijn
van de terbeschikkingstelling (hierna: tbs) van klager verlengd met een jaar. Verweerster
heeft ten
behoeve van de procedure die leidde tot deze uitspraak, op 8 juni 2023 een verlengingsadvies
gegeven waarin de problematiek van klager uitgebreid is onderbouwd en een uitgebreide
multidisciplinaire risicotaxatie is opgenomen. Het advies is medeondertekend door
een klinisch
psycholoog en een psychiater.
3.5 Bij uitspraak van 27 juni 2024 heeft Rechtbank [D] de termijn
van de tbs van klager verlengd met een jaar. Verweerster heeft ten behoeve van de
procedure die
leidde tot deze uitspraak, op 30 mei 2024 wederom een verlengingsadvies gegeven
waarin de
problematiek van klager wederom uitgebreid is onderbouwd en wederom een uitgebreide
multidisciplinaire risicotaxatie is opgenomen. Ook dit advies is medeondertekend
door een klinisch
psycholoog en een psychiater.
4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1 Klager maakt verweerster de volgende verwijten:
1. verweerster heeft gelogen en valsheid in geschrifte gepleegd door aan te geven
dat klager zijn
partner op 22 december 2022 zou hebben bedreigd en weigert ten onrechte dit
te rectificeren;
2. verweerster liegt over het delictgevaar van klager waardoor zijn resocialisatie
wordt verhinderd;
3. klager voelt zich door verweerster niet gezien of gehoord.
4.2 Verweerster heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende gz-psycholoog. Bij de beoordeling
wordt
rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
5.2 Het college oordeelt dat de verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld en
licht dat hierna toe.
Klachtonderdeel 1) verweerster heeft gelogen en valsheid in geschrifte gepleegd door
aan te geven
dat klager zijn partner op 22 december 2022 zou hebben bedreigd en weigert ten onrechte
dit te
rectificeren
5.3 Volgens klager heeft verweerster in strijd met de waarheid gezegd dat hij
zijn partner zou
hebben bedreigd, terwijl zijn partner heeft erkend dat hij haar niet met de dood
heeft bedreigd.
Verweerster weigert dit te rectificeren. Zij pleegt hiermee valsheid in geschrifte.
5.4 Verweerster voert als verweer dat zij niet zelf heeft gezegd dat klager zijn
partner heeft
bedreigd maar dat dit een weergave betreft van een telefoongesprek met een netwerkbegeleider.
Zowel
dit telefoongesprek als de escalatie die volgde toen klager daarmee werd geconfronteerd,
waren
relevant om te vermelden in het verlengingsadvies omdat vervolgens bleek dat klager
zich niet aan
de regels hield en zich zodanig dreigend opstelde dat hij gesepareerd moest worden.
Nergens staat
volgens verweerster geschreven dat vaststond dat klager zijn partner had bedreigd
en verweerster
heeft dit ook nooit zo gezegd noch opgeschreven.
5.5 Het college overweegt als volgt. Verweerster heeft onbetwist gesteld dat zij
niet betrokken
was bij het incident (telefoongesprek tussen klager en zijn partner en de escalatie
die daarop
volgde) op (de avond van) 22 december 2022 noch bij het besluit tot inperking op
30 december omdat
zij in die periode op vakantie was.
Dat verweerster kennis heeft genomen van de door medewerkers van de kliniek aangedragen
informatie
en dat deze informatie in het verlengingsadvies is verwerkt, acht het college navolgbaar
omdat op
die manier een zo volledig mogelijk beeld van klager werd gekregen.
Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.
klachtonderdeel 2) verweerster liegt over het delictgevaar van klager waardoor zijn
resocialisatie
wordt verhinderd
5.6 Klager stelt dat verweerster blijft zeggen dat hij een delict zal plegen als
hij buiten de
kliniek verblijft terwijl daarvoor geen enkele aanwijzing bestaat.
5.7 Verweerster betwist dat zij ten opzichte van Ministerie van Justitie of ten
opzichte van
rechterlijke instanties heeft gelogen over het delictgevaar. Zij voert aan dat de
risicotaxatie
multidisciplinair en volgens professionele standaarden tot stand is gekomen.
5.8 Het college overweegt als volgt.
De stelling dat verweerster heeft gelogen over het delictgevaar van klager blijkt
uit niets. In
haar verlengingsadviezen is verweerster op basis van haar expertise, eerdere behandelinformatie
en
(zoals gebruikelijk) met inachtneming van informatie uit het multidisciplinair behandelteam,
tot
een volgens de professionele standaarden gemotiveerd en onderbouwd advies gekomen
dat door een
klinisch psycholoog en een psychiater mede is ondertekend.
Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel 3) klager voelt zich door verweerster niet gezien of gehoord.
5.9 Klager stelt dat hij zich door verweerster niet gezien of gehoord voelt, ook
niet na
operaties en een opname vanwege hartklachten. Zij heeft wel tijd voor anderen. Hij
voelt zich
daarom door haar gediscrimineerd.
5.10 Volgens verweerster is het gedrag van klager onvoorspelbaar. Hij gaf vaak aan
geen contact te
willen. Hij is moeilijk te motiveren voor vaste contactmomenten. Zij stelt dat in
de periode dat
zij hoofdbehandelaar was, meerdere gesprekken met hem zijn gevoerd. De gesprekken
die zijzelf met
hem heeft gevoerd, heeft zij onderbouwd met passages uit het medisch dossier. Op
4 januari 2023
heeft zij hem geholpen op tijd te komen voor de chemo en op 9 januari 2023 heeft
zij naar zijn
gezondheid gevraagd. Op 9 september 2024 heeft zij geïnformeerd naar zijn gezondheid
naar
aanleiding van diens ziekenhuisbezoek.
5.11 Het college overweegt als volgt. Vaststaat dat klager geen vaste contactmomenten
wenst omdat
hij daar naar eigen zeggen dan te zeer aan vast zit. Hij wil wel af en toe een vraag
kunnen stellen
en als daar dan geen tijd voor is daarvoor een afspraak kunnen maken. Deze wens
is echter niet goed
verenigbaar met de wijze waarop de zorgverlening is georganiseerd en leidt gemakkelijk(er)
tot
fricties. Klager kan immers niet verwachten dat hij direct te woord gestaan wordt
wanneer hij een
vraag heeft en evenmin kan hij verwachten dat, als er geen tijd is voor een vraag,
hij direct een
afspraak kan maken. Dat is een gevolg van de eigen keuze van klager en valt verweerster
niet te
verwijten. Daarbij komt dat klager zelf gedurende een bepaalde periode helemaal
geen contact met
verweerster en het team wilde omdat hij zich door hen niet gehoord voelde.
Dat verweerster geen tijd of aandacht voor klager zou hebben, blijkt niet uit het
dossier.
Daaruit blijkt naar het oordeel van het college juist van voldoende contactmomenten,
ook tijdens
belangrijke momenten in diens leven.
Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Slotsom
5.12 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 4 maart 2026 door J. Iding, voorzitter, T. Koetsier
en
M.J.E. Lemmens, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.G. Nijenkamp, secretaris
en uitgesproken
door de vaste voorzitter K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk.