ECLI:NL:TGZRSHE:2026:47 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8205

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:47
Datum uitspraak: 11-03-2026
Datum publicatie: 11-03-2026
Zaaknummer(s): H2025/8205
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen longarts. Geen sprake van het stellen van een diagnose zonder enig onderzoek en het college heeft niet kunnen vaststellen dat de longarts zich onprofessioneel heeft gedragen tegen de patiënt.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 11 maart 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klaagster,

tegen

[C],
longarts, werkzaam in [D],
verweerder, hierna ook: longarts,
gemachtigde: mr. R.J. Peet, werkzaam in Utrecht.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1   Klaagsters echtgenoot werd op 19 december 2024 opgenomen in het ziekenhuis vanwege onder meer 
benauwdheidsklachten, veroorzaakt door een rhinovirusinfectie. De longarts raakte op 23 december 
2024 betrokken bij de zorg aan hem en deelde hem die dag mee dat hij met ontslag naar huis mocht. 
De klacht luidt dat de longarts de diagnose ‘astma’ heeft gesteld zonder enig onderzoek. Ook luidt 
de klacht dat de longarts zich niet professioneel heeft gedragen.

1.2  De longarts is van mening dat hij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

1.3   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot dit oordeel is gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 26 februari 2025;
-  het verweerschrift met de bijlage, ontvangen op 13 mei 2025;
-  de repliek, ontvangen op 23 mei 2025;
-  de dupliek, ontvangen op 17 juni 2025;
-  de e-mail van 20 augustus 2025 van klaagster en de brief van 20 augustus 2025 van de secretaris 
aan klaagster;
-  de brief van 27 augustus 2025, ontvangen van klaagster.

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3   Klaagster heeft het tuchtcollege bij e-mail van 20 augustus 2025 laten weten dat haar 
echtgenoot, die de klacht in eerste instantie op 26 februari 2025 had ingediend, op 15 augustus 
2025 is overleden. Bij brief van 20 augustus 2025 is aan haar gevraagd om aan het tuchtcollege te 
laten weten of zij de klacht wenste voort te zetten. Hierop heeft klaagster bij brief van 27 
augustus 2025 laten weten dat zij de klacht wenst voort te zetten.

2.4   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1  De echtgenoot van klaagster, hierna: de patiënt, was onder behandeling in het ziekenhuis bij 
een collega-longarts van verweerder.

3.2   Op 16 december 2024 werd de patiënt gezien op de SEH vanwege “dyspnoeklachten en thoracale 
pijn WD bij rhinovirusinfectie; longembolieën uitgesloten middels CT-scan. Pre-existent longbeeld 
op CT verbeterd tov eerder”. De patiënt werd ontslagen met het advies de doxycyclinekuur te staken 
en in overleg met de cardioloog vond een aanpassing plaats van rivaroxaban naar apixaban. 
Verweerder is hierbij niet betrokken geweest.

3.3  De patiënt werd op 19 december 2024 opgenomen in het ziekenhuis wegens
“dyspnoeklachten met CRP 270 WD superinfect bij rhinovirus. AMBU 3 / PSI klasse 4”. Ook bij deze 
opname was verweerder niet betrokken. Er werd anamnese afgenomen en lichamelijk onderzoek gedaan. 
Als aanvullend onderzoek werd ingezet: lab, x-thorax, bloedgasanalyse, ecg, microbiologische 
diagnostiek. De patiënt werd behandeld met
intraveneuze antibiotica (cefuroxim) en ‘zorgpad astma ’ inhoudende prednison 40mg en 
combivent-vernevelingen.

3.4   Op maandag 23 december 2024 raakte verweerder betrokken bij de zorgverlening aan de patiënt. 
Hij bezocht de patiënt tijdens de grote visite en deelde mee dat hij met ontslag naar huis mocht.

3.5  Verweerder maakte daarvan de volgende notitie:
“bij langslopen GV: pt geeft bij eerste contact direct aan geen vertrouwen te hebben in het
[naam ziekenhuis], en laat mij zeer beperkt uitpraten.
Gepoogd uitleg te geven van de huidige medische bevindingen (waarbij het de vraag is in hoeverre er 
is geluisterd):

aangetoond rhinovirus, mogelijk superinfectie, mogelijk onderliggend astma nav vroegere 
longfunctiebevindingen, ct scan toont geen longembolie, wel longemfyseem en een kleine pneumonische 
afwijking rechtsbasaal, en verder verbetering v/h longbeeld tov oktober.

Pt denkt zelf dat er ‘iets anders’ speelt en eist een second opinion in [naam en plaatsnaam ander 
ziekenhuis].

Pt wil NH, bij navraag is pt WEL akkoord met de voorgestelde Foster proefbehandeling en
WEL akkoord met de voorgestelde policontrole (…)


Akkoord met de gevraagde verwijzing naar longgeneeskunde [plaatsnaam ander ziekenhuis]
(kopie ontslagbrief opsturen met verzoek SO)”.


3.6  De arts-assistent noteerde:
“(…) Langsgelopen met [naam verweerder]. Gepoogd reden van opname en behandeling te bespreken. 
Patiënt onderbreekt midden in het verhaal van de longarts. Vraagt om second opinion, want wordt 
telkens weggestuurd met behandeling maar heeft het idee dat de oorzaak niet onderzocht wordt. Wij 
willen puffer starten vanwege astma, patiënt benoemd hier niet bekend mee te zijn en dat dit ook 
nooit verder is uitgezocht. Wij willen dit nu op proef starten, een longfunctietest is nu niet 
conclusief gezien de prednisongebruik. Ondanks second opinion bij [plaatsnaam ziekenhuis] wenst 
patiënt toch policontrole alhier. Wij zullen de brief ook naar het [naam ander ziekenhuis] sturen 
met verzoek patiënt op te roepen. (…).”

3.7  In de ontslagsamenvatting werd door de arts-assistent opgenomen:
(…)
Bespreking:
Bovengenoemde 64 jr. -jarige man, bekend met oa recidiverende bronchitis, longemfyseem, status na 
syndroom van lemierre, AVNRT, maligne neoplasma van de tong, bestralingsneuropathie C3-6 links, 
orthostatische hypotensie, recente opname met S. Aurus bacteriëmie in de voorgeschiedenis, 
presenteerde zich op de SEH met dyspnoeklachten na presentatie op SEH 16-12 waar een rhinovirus 
werd aangetoond. Lab toonde een doorstijgend CRP. X thorax toonde recidief consolidaties over alle 
longvelden. Patiënt werd opgenomen op de afdeling longgeneeskunde. Er werd gestart met zorgpad 
astma en cefuroxim intraveneus.

Conclusie:
Bovengenoemde patient van 64 jr. oud, presenteert zich op de SEH ivm dyspnoe. De volgende problemen 
werden alhier geconstateerd:

2. Dyspnoeklachten met CRP 270 DD virale pneumonie DD bacterieel superinfect DD organiserende 
pneumonie (gezien recidiverende verspringende consolidaties) AMBU 3 / PSI klasse 4.
1.
Beleid:
-Indien CRP daalt dan over op augmentin.
-Ter overweging zorpad met afbouwschema prednison. Na week 40 mg, dan 5 dagen 30 mg en per 3 dagen 
afbouwen.
-Pragmatisch foster dosis aerosol 2dd1 + voorzetkamer.
-Tensies opvolgen.
-Vandaag met ontslag naar huis. Ontslagbrief ook naar [naam en plaatsnaam ander ziekenhuis] voor 
second opinion op verzoek van patiënt.
-Bij ontslag controle 6 weken [naam arts] + x thorax + spirometrie.

Pm bij verslechtering dikke tong toch icc kaakchirurgie PM bij ontslag via huisarts opvolgen 
tensies

Ten tijde van ontslag nog ontslaggesprek gevoerd samen met patiënt, partner en verpleegkundige
Patiënt benoemt niet te spreken te zijn over het gesprek van vanochtend. Geeft aan zich niet 
gehoord te voelen en mogelijk een klacht in te dienen. Zodoende heb ik nogmaals ons beleid 
uitgebreid besproken met ook onze redenering van het onderliggend astma. Benoemd dat ik nog wat 
aanvullen heb op het gesprek van vanochtend gezien patiënt ook vrij abrupt en fel de longarts 
onderbrak. Zodoende wil ik nog wat toevoegen en verder uiteggen. De onderdelen van behandeling 
besproken en het poliklinische vervolg. Daarnaast benoemd dat we de ontslagbrief ook naar het [naam 
ziekenhuis] zullen versturen met de vraag of zij patiënt kunnen oproepen voor een second opinion. 
Aan het einde van het gesprek patiënt veel beterschap gewenst. Er waren geen vragen meer bij 
patiënt of partner.”

4. De klacht en de reactie van de longarts
4.1 Klaagster verwijt de longarts dat hij:
a) een diagnose heeft gesteld zonder enig onderzoek;
b) zich niet professioneel heeft gedragen jegens de patiënt.

4.2 De longarts is van mening dat hij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en heeft het 
college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of de longarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende longarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de longarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen 
tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.2  Het college oordeelt dat de longarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

5.3  Klachtonderdeel a) stellen van een diagnose zonder enig onderzoek
Met het eerste klachtonderdeel wordt verweerder verweten dat hij de diagnose astma heeft gesteld 
zonder enig onderzoek. Verweerder is van mening dat er geen sprake is van het stellen van een 
diagnose zonder onderzoek. Op het moment dat verweerder betrokken raakte bij de zorg aan de 
patiënt, namelijk op 23 december 2024, was er al sprake van een werkdiagnose aan de hand waarvan de 
patiënt werd behandeld in het ziekenhuis. Het ging daarbij om de diagnose ‘virale pneumonie met 
differentiaal diagnose bacteriële superinfectie, hypoxemie ten gevolge van onderliggend astma 
bronchiale of (minder waarschijnlijk) een organiserende pneumonie secundair aan de infectie’. Het 
college is van oordeel dat er op maandag 23 december 2024 door verweerder geen andere diagnose is 
gesteld dan de diagnose die al eerder door zijn collega’s was gesteld. Voor zover klaagster met de 
klacht wil aanvoeren dat verweerder zich niet zonder nader onderzoek bij die diagnose had mogen 
aansluiten, is dat onjuist. Die diagnose was blijkens het medisch dossier, zoals hier geciteerd, 
ook op 23 december 2024, voldoende onderbouwd. Het eerste klachtonderdeel is daarmee ongegrond.

5.4  Klachtonderdeel b) niet professioneel gedragen jegens patiënt
Verweerder zou zich op 23 december 2024 niet professioneel hebben gedragen jegens de patiënt. Het 
ontslag zou op agressieve wijze zijn medegedeeld waardoor de patiënt dit als onprofessioneel en 
intimiderend heeft ervaren. Verweerder zou ‘vanmiddag ontslag’ hebben geroepen en vervolgens de 
kamer hebben verlaten. Verweerder heeft erkend dat de communicatie met klager stroef verliep. Zo 
blijkt ook uit de aantekening die hij maakte in het dossier van klager. Verweerder betwist echter 
dat hij op agressieve, onprofessionele of intimiderende wijze heeft gecommuniceerd met klager. In 
een geval als dit, waarin tussen partijen verschil van mening bestaat over de wijze van 
communicatie, kan het college niet vaststellen dat de feitelijke gang van zaken is geweest zoals in 
de klacht wordt aangevoerd. Aan het woord van de één kan immers niet meer waarde worden gehecht dan 
aan het woord van de ander. Verder blijkt uit de stukken dat verweerder juist is tegemoetgekomen 
aan de wens van de patiënt om een verwijzing te ontvangen voor een second opinion. Hieruit blijkt 
dat verweerder zich, ondanks de stroef verlopende communicatie, heeft ingespannen om de patiënt 
tevreden naar huis te sturen. Ook dat wijst niet op gegrondheid van dit klachtonderdeel. Omdat de 
juistheid van de gestelde feitelijke gang van zaken niet vaststaat, is ook het tweede 
klachtonderdeel ongegrond.

Slotsom
5.5  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht
kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door R.A. Steenbergen, voorzitter, B.E.E.M. van den Borne en
P. Baas, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. Karatepe, secretaris, en op 11 maart
2026 uitgesproken door de vaste voorzitter K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk.