We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRSHE:2026:35 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8184

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:35
Datum uitspraak: 11-02-2026
Datum publicatie: 11-02-2026
Zaaknummer(s): H2025/8184
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Arts in opleiding tot verzekeringsarts (AIOS) heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek uitgevoerd in het kader van de WIA  en daarvan een rapportage opgemaakt. Haar praktijkbegeleider was bij het onderzoek aanwezig en haar mentor heeft het rapport medeondertekend. Klaagster beklaagt zich over de inhoud van het rapport. Hoewel de woordkeuze op onderdelen anders en neutraler had gekund, is de arts niet buiten haar bevoegdheid getreden. Dat het rapport niet alles benoemt wat klaagster heeft gezegd, maakt het rapport niet onjuist of onvolledig. Dat klaagster het met bepaalde informatie niet eens is, maak deze informatie ook niet onjuist. Hoewel het college zich kan voorstellen dat klaagster bepaalde passages in het rapport als onaangenaam en zelfs kwetsend heeft ervaren, heeft de arts met haar woordkeuze geen tuchtrechtelijke grenzen overschreden en is van een onheuse bejegening van klaagster door de arts geen sprake. De - neutrale en objectieve - constatering in het rapport dat nog behandeling mogelijk is, is niet tegenstrijdig met de formulering ‘medisch niet kansrijk’ in een ander rapport. De klacht is ongegrond. 

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing van 11 februari 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klaagster,
gemachtigde: mevrouw [C],

tegen:

[D],
arts,
werkzaam in [E],
verweerster, hierna ook: de arts,
gemachtigde: mr. drs. A.B. Schippers-Juergens, werkzaam in Breda.

1. De zaak in het kort
1.1   De arts heeft op 21 november 2024 bij klaagster een verzekeringsgeneeskundig onderzoek 
uitgevoerd in het kader van de WIA (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen). Zij heeft van dat 
onderzoek een rapportage opgemaakt, gedateerd 24 december 2024. Omdat de arts op dat moment zes 
maanden in opleiding was tot verzekeringsarts (AIOS), was haar praktijkopleider bij het onderzoek 
aanwezig. De rapportage van de arts is mede ondertekend door een verzekeringsarts (niet zijnde de 
praktijkopleider), die bij het opstellen van rapportages als mentor van de arts optrad.

1.2   Klaagster is het niet eens met de inhoud van de rapportage. Zij is - kort gezegd - van mening 
dat de arts (1) buiten haar bevoegdheid is getreden, (2) onjuiste en onvolledige informatie in het 
rapport heeft opgenomen, (3) niet professioneel en respectvol heeft opgetreden en (4) dat zij 
tegenstrijdige en niet onderbouwde adviezen heeft gegeven. De arts heeft verweer gevoerd tegen de 
klacht. Klaagster heeft ook tegen de verzekeringsarts een klacht ingediend (H2025/8271).

1.3   Het college komt tot het oordeel dat de arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft 
gehandeld. Hierna licht het college dat toe.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 20 februari 2025;
-  het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 22 april 2025;
-  de aanvullende stukken, ontvangen van klaagster op 5 mei 2025

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik 
gemaakt.

2.3   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 19 december 2025, gelijktijdig maar niet 
gevoegd met de zaak H2025/8271. De partijen zijn verschenen en zijn bijgestaan door hun 
gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De 
gemachtigde van de arts heeft een pleitnotitie voorgelezen en heeft deze aan de andere partij en 
het college overhandigd.

3. De klacht en de reactie van de arts
3.1  Klaagster verwijt de arts dat zij:
1.  haar bevoegdheid heeft overschreden door in haar rapport medische uitspraken en beoordelingen 
     te doen die buiten haar deskundigheid als basisarts vallen;
2.  onjuiste en onvolledig informatie in het medisch onderzoeksverslag heeft genoteerd door subjectieve
     aannames en interpretaties in haar rapport op te nemen zonder objectieve onderbouwing daarvoor;
3.  onvoldoende blijk heeft gegeven van een professionele en respectvolle bejegening door de 
     verklaringen van klaagster en haar familie niet serieus te nemen en onnodige kwetsende en 
     suggestieve opmerkingen te maken;
4.  tegenstrijdige en niet onderbouwde adviezen heeft gegeven, omdat haar adviezen inconsistent 
     zijn met de beschikbare medische informatie en niet zijn gebaseerd op actuele objectieve medische 
     gegevens.

3.2   De arts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Het college gaat 
hieronder, voor zover nodig, in op de standpunten van partijen.

4. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
4.1   Volgens vaste rechtspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg moet een 
rapport van een arts aan de volgende eisen voldoen:
1.   het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2.   het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te
      beantwoorden;
3.   in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van
      het rapport steunen;
4.   het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de
      geconsulteerde personen;
5.   De rapportage beperkt zich tot het deskundigheidsgebied van de rapporteur.

4.2  Het college toetst daarbij inhoudelijk of het onderzoek door de arts voldoende vakkundig en zorgvuldig is uitgevoerd. Met betrekking tot de conclusie van de rapportage beoordeelt het college of de arts in redelijkheid tot haar conclusie heeft kunnen komen.

Klachtonderdeel 1. Bevoegdheid overschreden
4.3   Klaagster heeft aangevoerd dat de bevindingen van de arts niet objectief en feitelijk zijn, 
maar dat deze een diagnostische interpretatie bevatten van psychische factoren. Sommige gehanteerde 
begrippen zijn volgens klaagster suggestief en impliceren een subjectieve interpretatie, zonder dat 
daarvoor een objectieve onderbouwing bestaat. Het is onjuist en onzorgvuldig om te suggereren dat 
een angststoornis (nog) een belemmerende factor is. Klaagster is daarvoor behandeld en de 
behandeling is destijds afgesloten. De ongenuanceerde koppeling tussen een angststoornis en 
paniekaanvallen is misleidend en niet in overeenstemming met de situatie, omdat de paniekaanvallen 
primair werk gerelateerd waren. Ten slotte is de diagnose stemmingsstoornis niet in klaagsters 
dossier terug te vinden, aldus nog steeds klaagster.

4.4   De arts betwist dat zij haar bevoegdheid heeft overschreden. Zij heeft aangevoerd dat het 
haar taak is om te beoordelen of sprake is van ziekte en/of gebrek en daaruit voortvloeiende 
beperkingen voor het verrichten van arbeid. De beschrijvingen waar klaagster bezwaar tegen maakt, 
betreffen de professionele observaties en bevindingen van de arts tijdens het 
verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Daarnaast zijn de bevindingen gebaseerd op de medische gegevens 
die zijn verstrekt. De bevindingen van de arts die verband houden met persoonlijkheidsproblematiek 
komen overeen met de bij klaagster gestelde diagnose ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis 
door een GZ-psycholoog. De arts heeft de ervaring van klaagster met paniekaanvallen niet beperkt 
tot één ziektebeeld. Onderzoek heeft aangetoond dat angsten en paniekaanvallen juist versterkt 
worden door vermijding. De arts heeft in haar conclusie niet de diagnose stemmingsstoornis gesteld 
c.q. beoogd te stellen, maar zij realiseert zich dat zij beter de term stemmingsklachten had kunnen 
gebruiken. De arts heeft ook de persoonlijke en externe factoren die van invloed zijn op het 
functioneren in kaart gebracht. Dit behoort tot haar taak. In dat kader heeft zij haar observaties 
van de interactie tussen klaagster en haar moeder tijdens het onderzoek ook genoteerd. Dat is 
rechtmatig en is onderdeel van de inhoudelijke beoordeling die zij moet maken, aldus de arts.

4.5   Het college overweegt als volgt. Desgevraagd heeft de arts ter zitting verklaard dat zij ten 
tijde van het verzekeringsgeneeskundige onderzoek zes maanden als AIOS bij het UWV werkzaam was en 
dat zij daaraan voorafgaand acht maanden dezelfde werkzaamheden heeft verricht. Voordien is de arts 
werkzaam geweest in de GGZ. Naar het oordeel van het college was de arts bevoegd en voldoende 
bekwaam om (onder de begeleiding van haar praktijkopleider en de mentor) dit onderzoek te doen en 
daarover te rapporteren.

4.6   Het was de taak van de arts om de lichamelijke en psychische klachten en de door klaagster 
ervaren belemmeringen te beoordelen aan de hand van alle aanwezige informatie. Het betreft de 
verstrekte medische informatie, de vooraf door klaagster schriftelijk verstrekte informatie en de waarnemingen en observaties van de arts tijdens het onderzoek op 21 november 2024. 
De klachten en belemmeringen gaan over hetgeen klaagster (subjectief) voelt en ervaart. In het 
kader van een verzekeringsgeneeskundige rapportage moeten die klachten en belemmeringen worden 
vertaald naar (objectiveerbare) beperkingen voor het verrichten van arbeid. De mate waarin klachten 
en belemmeringen worden ervaren behoeft niet per definitie te leiden tot het oordeel dat in 
diezelfde mate sprake is van een beperking voor het verrichten van arbeid.

4.7   Het college is van oordeel dat de arts in de door haar opgestelde rapportage haar bevoegdheid 
niet heeft overschreden. Een zekere diagnostische interpretatie van de door klaagster ervaren 
klachten is immers noodzakelijk, waarbij wel enige terughoudendheid mag worden verwacht bij het 
zelf stellen van een definitieve diagnose. Deze terughoudendheid heeft de arts ook in acht genomen. 
De ervaring die de arts in de GGZ heeft opgedaan verklaart de wijze waarop ze zaken heeft 
opgeschreven en de woorden die zij daarbij heeft gebruikt. Die woordkeuze had op onderdelen anders 
en neutraler gekund, zeker waar het notities over (de rol van) derden betreft, zoals de moeder en 
de partner, maar een en ander is niet van dien aard dat kan worden geoordeeld dat de arts bij het 
opstellen van de rapportage haar bevoegdheid heeft overschreden.

4.8   Dit geldt ook voor hetgeen de arts heeft gerapporteerd over de angststoornis. Klaagster is in 
het verleden behandeld voor haar angststoornis. Het feit dat die behandeling is geëindigd, betekent 
niet per definitie dat de angststoornis niet meer aanwezig is en belemmerend kan werken. Hetgeen de 
arts hierover heeft gerapporteerd vindt steun in het dossier dat zij tot haar beschikking had en in 
hetgeen klaagster tijdens het onderzoek heeft verteld over de door haar ervaren klachten en 
belemmeringen. De door de arts genoemde persoonlijkheidsproblematiek bij klaagster blijkt uit een 
brief van een GZ-psycholoog, die zich in het dossier bevond en de arts voor haar rapportage heeft 
gebruikt, maar die zij in het rapport niet heeft genoemd. Een dergelijk verzuim is onwenselijk en 
moet worden voorkomen, maar naar het oordeel van het college is dit een omissie die niet 
tuchtrechtelijk verwijtbaar is. De arts heeft de door haar gebruikte bronnen voor het overige 
immers deugdelijk vermeld en zij heeft voornoemde brief van de GZ-psycholoog ook op de juiste wijze 
gebruikt. Hoe dan ook, ook ten aanzien van hetgeen de arts over persoonlijkheidsproblematiek heeft 
genoteerd kan niet worden geoordeeld dat zij daarmee buiten haar bevoegdheid is getreden. De 
essentie van de bevindingen van de arts vindt voldoende steun in de stukken en is voldoende 
gemotiveerd. Zij heeft haar bevindingen bovendien gebaseerd op haar waarnemingen tijdens het 
onderzoek en dat valt binnen haar taak. Klachtonderdeel 1 is op grond van het voorgaande ongegrond.

Klachtonderdelen 2. en 3. Onjuiste en onvolledige informatie / Bejegening
4.9  Deze klachtonderdelen liggen in elkaars verlengde en worden daarom gezamenlijk behandeld.

4.10  Klaagster heeft zich ten aanzien van verschillende passages in het rapport op het standpunt 
gesteld dat deze onvolledig zijn, omdat ze de door haar in het klaagschrift gegeven uitleg en 
toelichting mist, die zij - zo begrijpt het college – tijdens het onderzoek stelt te hebben 
gegeven. Sommige passages acht klaagster onjuist of onvolledig, omdat zij meent dat die punten in 
het gesprek met de arts anders of uitgebreider aan de orde zijn geweest dan weergegeven in het 
rapport. Klaagster stelt verder dat zij niet met ADHD is gediagnosticeerd, maar met ADD, hetgeen 
volgens haar een wezenlijk andere diagnose is. Klaagster herkent zich al met al niet in de weergave 
van het gesprek van 21 november 2024 in het rapport. Zij meent voorts dat onjuiste opmerkingen over 
(in het bijzonder) haar moeder en haar partner zijn opgenomen in het rapport en dat haar moeder 
daarbij een te grote en te negatieve rol wordt toegedicht. Klaagster heeft het college ter zitting 
desgevraagd medegedeeld dat zij het gesprek met de arts op zichzelf helemaal niet als vervelend 
heeft ervaren en dat de arts haar tijdens het onderzoek niet onprofessioneel of niet respectvol 
heeft bejegend, maar dat haar klacht ziet op de wijze waarop de arts het (verloop van het) gesprek 
heeft weergegeven in het rapport. Het is de inhoud van de rapportage - waaronder de conclusies - 
die klaagster rauw op het dak is gevallen, zo heeft zij ter zitting verklaard.

4.11  De arts betwist dat zij onjuiste en/of onvolledige informatie in de rapportage heeft 
opgenomen. Het spijt de arts dat klaagster zich onheus bejegend voelt. De arts heeft aangevoerd dat 
zij zich heeft ingespannen om de door klaagster en haar moeder gedeelde informatie zo volledig 
mogelijk bijeen te brengen en in het rapport vast te leggen. Dat blijkt uit de lengte van het 
rapport en uit de duur van het gesprek (70 minuten). Alleen die medische informatie, die voor de 
door de arts te maken beoordeling en de rapportage relevant is, wordt vermeld en opgenomen. Het 
integraal opnemen van alle medische informatie is niet gebruikelijk en is ook niet nodig of 
verplicht. Het vermelden van de diagnose ADHD is niet onjuist, omdat dit de hoofddiagnose is die in 
de DSM-5 en ICD worden gehanteerd, waarnaast een subtype kan worden vermeld. De verstrekte 
informatie over de moeder en de partner van klaagster is door de arts letterlijk genoteerd tijdens 
het gesprek en in het rapport opgenomen als onderdeel van de externe factoren die de arts bij haar 
beoordeling moet betrekken. Klaagster geeft daarop in het klaagschrift een aanvulling en een 
toelichting, maar die informatie was niet eerder aan de arts verstrekt en kon dus ook niet worden 
opgenomen in het rapport. Klaagster stelt dat zij op psychisch gebied verre van zelfredzaam is, 
maar heeft zelf verklaard dat zij ervan overtuigd is dat ze onder passende omstandigheden 20 uur 
per week moet kunnen werken. Bovendien ziet psychische zelfredzaamheid niet op het volledig afwezig 
zijn van (spannings-)klachten en belemmeringen, maar op het ondanks eventuele klachten in staat 
zijn om in het dagelijks leven onafhankelijk te kunnen functioneren. De arts ziet dat klaagster het 
ook niet eens is met de door haar vermelde prognose in het kader van de duurzaamheid van de 
beperkingen. Die duurzaamheid is alleen relevant als volledige arbeidsongeschiktheid is 
vastgesteld, hetgeen niet aan de orde was. Het feit dat er nog behandelopties zijn die mogelijk tot 
verbetering kunnen leiden, maakt dat de arts niet kon concluderen dat de beperkingen duurzaam zijn. 
Daarbij is niet doorslaggevend dat deze behandelopties nog niet eerder zijn voorgesteld. De arts heeft de beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek zorgvuldig gewogen aan de hand van de aanwezige problematiek, de door klaagster ervaren klachten en belemmeringen en in het licht van de externe factoren die van invloed zijn. Zij meent dat ze voldoende rekening heeft gehouden met de beperkte mogelijkheden van klaagster, aldus de arts.

4.12  Het college overweegt als volgt. Het college is uiteraard niet bij het onderzoek op 21 
november 2024 aanwezig geweest en het kan alleen al daarom niet vaststellen wat wel en niet gezegd 
is tijdens dat gesprek. In het verlengde hiervan kan het college ook niet vaststellen dat de 
waarnemingen van de arts tijdens het onderzoek en conclusies die de arts op basis van hetgeen 
tijdens het onderzoek door klaagster is gezegd heeft getrokken, onjuist dan wel onvolledig zijn. 
Dit betekent niet dat het college meer geloof hecht aan het woord van de arts dan aan het woord van 
klaagster wat betreft hetgeen klaagster tijdens het onderzoek heeft gezegd en haar presentatie 
tijdens het onderzoek. Echter om te kunnen oordelen dat de arts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft 
gehandeld, moet het college kunnen vaststellen hoe een en ander is gegaan. Dat kan het college in 
dit geval niet. Van belang is hierbij ook dat een onderzoeksverslag geen letterlijke weergave is 
(en ook niet hoeft te zijn) van hetgeen er allemaal is gezegd. Het feit dat de door klaagster 
gegeven toelichtingen op en uitleg over bepaalde situaties niet in het rapport terecht zijn 
gekomen, maakt ook als het college ervan uit zou gaan dat een en ander tijdens het onderzoek wel op 
de door klaagster gestelde manier naar voren is gebracht, niet dat de rapportage onvolledig of 
onjuist is. Dat heeft het college niet kunnen vaststellen.

4.13  Dat klaagster het met bepaalde waarnemingen en interpretaties niet eens is, betekent ook niet 
dat deze onjuist zijn. Het behoort tot de taak van de arts om haar observaties en de interpretatie 
daarvan in het rapport weer te geven en op inzichtelijke en consistente wijze uiteen te zetten op 
welke gronden de conclusies van het rapport steunen. Daar voldoet het rapport aan. De arts hoeft 
haar observaties en interpretaties tijdens het gesprek c.q. onderzoek niet allemaal aan klaagster 
voor te houden en te vragen of het klopt.

4.14  Hetgeen de arts in het rapport heeft genoteerd over ADHD (en ADD) is niet onjuist. Beide 
varianten gaan over denken en concentratie. ADD is niet zozeer een andere aandoening dan ADHD, maar 
een specifieke vorm ervan. De arts heeft niet alleen genoteerd dat ze klaagster aandachtig zag 
luisteren naar wat haar moeder zei, maar ook dat haar aandacht goed te trekken en te behouden is en 
dat klaagster gestelde vragen adequaat beantwoordt. Het college heeft geen aanknopingspunten in het 
dossier gevonden op basis waarvan kan worden geoordeeld dat deze observatie onjuist is. Het is dan 
ook navolgbaar dat de arts heeft genoteerd dat klaagster klachten en beperkingen op cognitief 
gebied ervaart, maar dat de ernst daarvan niet helemaal tijdens het onderzoek werd geobjectiveerd.

4.15  Voor de notitie door de arts dat persoonlijkheidstrekken van klaagster kunnen bijdragen aan 
de manier waarop zij haar symptomen ervaart en dat deze ertoe kunnen leiden dat zij haar vermogen 
om te werken onderschat, geldt dat het college begrijpt dat dit voor klaagster onprettig kan zijn om te lezen, maar dat maakt deze conclusie niet onjuist. Deze vindt steun in de stukken die de arts tot haar beschikking had. Ook de conclusie dat duidelijk is dat klaagster klachten en belemmeringen ervaart, “maar niet in de mate die zij beweert”, zoals de 
arts in het rapport heeft genoteerd, is navolgbaar gezien de observaties van de arts. Dit strookt ook met hetgeen klaagster zelf heeft beschreven in de vragenlijst en heeft verklaard over haar dagelijkse bezigheden en de manier waarop zij daaraan invulling geeft. Dat de arts de term “beweert” gebruikt, acht het college wel wat minder gelukkig. Het is voorstelbaar dat klaagster op basis daarvan in de veronderstelling is geraakt dat de arts dacht dat zij klachten simuleerde. Echter, uit de context en bewoordingen van hetgeen voor het overige onder het kopje “Weging” is 
genoteerd, blijkt dat de arts niet heeft willen zeggen dat klaagster in haar optiek over haar klachten zou hebben gelogen dan wel dat zij deze simuleerde. Hoewel de formulering wellicht ongelukkig is, is dit onvoldoende om de arts een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

4.16  Verder heeft de arts in het rapport geen oordeel gegeven over de moeder van klaagster noch 
over (de relatie van klaagster met) haar vriend, maar weergegeven wat zij in het gesprek heeft 
gezien en gehoord. Wat er concreet gezegd is, weet het college niet en kan het college daarom niet 
toetsen. Het college verwijst naar hetgeen hiervoor op dit punt is overwogen. In ieder geval passen 
de zaken die de arts heeft genoteerd, ook wat betreft de moeder en de vriend van klaagster, in haar 
onderzoeksopdracht, aangezien de omgevingsfactoren relevant kunnen zijn voor de beoordeling en 
moeten worden meegewogen.

4.17  Ten slotte geldt dat niet kan worden geconcludeerd dat de door de arts gemaakte weging 
onvolledig is. De arts heeft gezondheidsfactoren, persoonlijke factoren en omgevingsfactoren in 
haar beschouwing betrokken om tot een oordeel over klaagsters belastbaarheid te komen. Op basis van 
de wettelijke criteria die de arts bij de door haar te maken beoordeling moet hanteren, onder 
andere wat betreft de psychische zelfredzaamheid van klaagster, volgt dat niet kan worden gezegd 
dat er geen benutbare mogelijkheden zijn, zoals bedoeld in het Schattingsbesluit 
arbeidsongeschiktheidswetten.

4.18  Concluderend kan het college zich voorstellen dat klaagster bepaalde passages in het rapport 
als onaangenaam en zelfs kwetsend heeft ervaren. Hoewel de arts bepaalde zaken anders had kunnen 
formuleren (zoals ook bij klachtonderdeel 1 is overwogen), is het college van oordeel dat zij met 
haar woordkeuze geen tuchtrechtelijke grenzen heeft overschreden en dat van een onheuse bejegening 
van klaagster door de arts geen sprake is. De uiteindelijke bevindingen en conclusies van de arts 
zijn verder goed te volgen in het licht van de achterliggende documentatie en de historie van 
klaagster. Ook de klachtonderdelen 2 en 3 zijn ongegrond.

Klachtonderdeel 4. Inconsistente adviezen
4.19  Klaagster heeft tot slot een probleem met de conclusie van de arts dat er nog behandelopties 
zijn. Zij heeft in het verleden een breed scala aan behandelvormen gevolgd.
Een derdelijns behandeling is nooit geadviseerd en ook niet passend. De huidige klachten van 
klaagster vloeien voort uit het feit dat het niet lukt om een baan te vinden en te behouden, aldus 
klaagster. De conclusie van de arts dat de belastbaarheid met adequate behandeling binnen een jaar 
kan verbeteren, is inconsistent met het feit dat in het kader van de indicatie banenafspraak in het 
Eindrapport Zorgvuldige WIA Beoordeling is geconcludeerd dat klaagsters situatie ‘medisch niet 
kansrijk’ is, hetgeen juist betekent dat er geen reële kans is op verbetering of genezing met de 
beschikbare behandelingen, aldus nog steeds klaagster.

4.20  De arts bestrijdt dat sprake is van een inconsistent advies. Zij heeft bij dit 
klachtonderdeel verwezen naar hetgeen zij bij de eerdere klachtonderdelen heeft aangevoerd.

4.21  Het college overweegt als volgt. In het kader van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling 
moet bekeken worden of voor de ervaren klachten en belemmeringen nog behandeling mogelijk is. De 
arts heeft genoteerd dat klaagster ten tijde van het onderzoek geen behandeling onderging, hetgeen 
juist is (zo heeft klaagster ter zitting erkend) en dat er nog behandelopties zijn. Dat is een 
neutrale en objectieve constatering. Deze constatering is niet onjuist, ook niet in het licht van 
het feit dat klaagster in het verleden veel behandelingen en therapieën heeft gehad en dat die zijn 
afgesloten. Het staat namelijk vast, want klaagster heeft dat erkend, dat zij nog geen behandeling 
heeft gehad in een derdelijns-centrum en dat zij ook nog geen multidisciplinaire behandeling heeft 
ondergaan. Dat in het verleden niet tot een verdere of andere behandeling is geadviseerd, maakt de 
constatering van de arts ook niet onjuist. Afgezien daarvan geldt voor dit laatste dat het aan de 
arts is om op basis van het door haar verrichte verzekeringsgeneeskundige onderzoek, haar eigen 
oordeel te vormen. Het feit dat zij niet (precies) gelijkluidend oordeelt als de arbeidsdeskundige 
en de verzekeringsarts in het Eindrapport Zorgvuldige WIA Beoordeling hebben gedaan, maakt dit 
oordeel niet inconsistent. Overigens maakt de betiteling van klaagsters situatie als ‘medisch niet 
kansrijk’ in laatstgenoemd rapport niet dat die situatie kansloos is. Dus ook op dit punt is geen 
sprake van inconsistentie.

4.22  Het college is van oordeel dat de rapportage van de arts voldoet aan de criteria die gelden 
voor een rapportage. De overwegingen zijn inzichtelijk en consistent, de conclusies zijn 
controleerbaar en volgen logisch uit de overwegingen. Ook klachtonderdeel 4 is ongegrond.

Slotsom
4.23  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn.

5. De beslissing
Het college:

-  verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door N.H.J. Lafghani, voorzitter, Ch. Schollen-den Besten, lid-jurist, 
M.A.L. Piegza, J.M. Hoevers, E.G. van der Jagt, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
N.A.M. Sinjorgo, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 11 februari 2026.