ECLI:NL:TGZRSHE:2026:26 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8276
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:26 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-02-2026 |
| Datum publicatie: | 04-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8276 |
| Onderwerp: | Onheuse bejegening |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een chirurg. Klager heeft een consult bij de chirurg gehad in verband met een liesbreuk.Klager verwijt de chirurg onder meer dat zij veiligheidsmaatregelen tegen hem heeft laten inzetten, de deur van de spreekkamer heeft geopend waardoor de geheimhouding zou zijn geschonden, zijn vragen onvoldoende heeft beantwoord en te snel en te stellig een diagnose heeft gesteld. Daarnaast verwijt klager de chirurg het afleggen van een valse verklaring, het stellen van irrelevante vragen en een respectloze, emotionele en arrogante houding toen het gesprek escaleerde. Alle klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 4 februari 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
tegen
[C],
chirurg,
werkzaam in [D],
verweerster, hierna: de chirurg,
gemachtigde: mr. R.J. Peet, werkzaam in Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klager is ontevreden over het consult dat hij op 5 december 2024 bij de chirurg
heeft gehad.
Hij verwijt de chirurg dat zij heeft veroorzaakt dat veiligheidsmaatregelen tegen
hem zijn ingezet,
dat zij tijdens het consult de deur van de spreekkamer heeft opengezet en dat zij
vragen van klager
niet afdoende heeft beantwoord. Ook verwijt hij de chirurg dat zij te stellig en
te snel een
diagnose heeft gesteld, dat zij een valse verklaring heeft afgelegd en dat zij irrelevante
vragen
aan klager heeft gesteld. Verder verwijt klager de chirurg dat zij respectloze opmerkingen
heeft
gemaakt en emotioneel, impulsief en arrogant heeft gereageerd toen het gesprek met
klager
ontspoorde. De chirurg is van mening dat zij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is
gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 14 maart 2025;
- de brief van 8 april 2025 van de secretaris aan klager;
- de brief van11 april 2025 met bijlage, ontvangen;
- de brief van 2 mei 2025, ontvangen van klager;
- de brief van 13 mei 2025 van de secretaris aan klager;
- de brief van 19 mei 2025, ontvangen van klager;
- de brief van 2 juni 2025 van de secretaris aan klager;
- het verweerschrift, ontvangen op 17 juni 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Op 15 januari 2022 is klager op consult geweest bij een chirurg, niet zijnde
verweerster,
werkzaam in een medisch centrum. Deze chirurg heeft bij klager vastgesteld dat sprake
was van een
liesbreuk. Klager heeft toen voor een expectatief beleid gekozen.
3.2 Omdat sprake was van een toename van zwelling en pijn, is klager naar de chirurg
verwezen. Op
5 december 2024 is hij bij haar op consult geweest. De chirurg heeft naar aanleiding
van dit
consult in het dossier genoteerd (alle citaten voor zover van belang en letterlijk
weergegeven):
“Conclusie liesbreuk rechts Beleid
Tijdens de uitleg, komt patiënt met vragen. Daarbij kan ik mijn eigen verhaal niet
goed afmaken.
Alle vragen worden door mij in alle rust beantwoord. Risico van wachten, kans op inklemming,
of er
een leeftijdsgrens is voor opereren.
Patiënt wil weten wat voor type breuk hij is en hoe groot om daarmee een risico in
te schatten. Hij
vraagt een MRI. Ik geef aan met uitleg dat daarvoor geen indicatie is.
Degene die met patiënt mee is gekomen schrijft alles op.
Na uitleg wordt het gesprek onplezierig met dreiging tuchtzaak en een aanvallende
houding. Ik geef
aan dat ik dat niet prettig vindt en zet de deur van de polikamer open.
Na nog enkele vragen te hebben beantwoord, beëindigd patiënt zelf het gesprek en loopt boos weg.”
4. De klacht en de reactie van de chirurg
4.1 Klager verwijt de chirurg dat zij:
a) het inzetten van veiligheidsmaatregelen tegen klager heeft veroorzaakt;
b) de deur van haar spreekkamer tijdens het consult met klager open heeft gezet
waardoor de
geheimhouding is geschonden;
c) vragen van klager niet afdoende heeft beantwoord;
d) te stellig en te snel een diagnose heeft gesteld;
e) een valse verklaring heeft afgelegd;
f) irrelevante vragen aan klager heeft gesteld;
g) respectloze opmerkingen heeft gemaakt;
h) emotioneel, impulsief en arrogant heeft gereageerd toen het gesprek met klager
ontspoorde.
4.2 De chirurg heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Zij
is van mening dat
zij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van de partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de chirurg de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende chirurg. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de chirurg geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
Klachtonderdeel a) het veroorzaken van het inzetten van veiligheidsmaatregelen tegen
klager
5.2 Klager verwijt de chirurg dat zij opzettelijk veiligheidsmaatregelen tegen
klager heeft
genomen dan wel dat zij schuld heeft aan de veroorzaking daarvan. Klager geeft aan
dat hij na het
verlaten van de spreekkamer werd achtervolgd en constant werd geobserveerd door
de in het
ziekenhuis aanwezige veiligheidsdienst.
5.3 De chirurg voert aan dat klager haar tijdens het consult niet de kans heeft
gegeven om zinnen
af te maken en dat hij een steeds agressievere houding aannam. Klager sprak volgens
de chirurg met
een luidere toon en is van zijn stoel omhoog gekomen om staande boven het bureau
met een opgeheven
vinger te zeggen dat als de chirurg geen MRI zou laten maken, klager een tuchtklacht
zou indienen.
De chirurg geeft aan dat zij zich steeds meer bedreigd voelde. Zij heeft om die
reden de deur van
de polikamer opengezet en de assistente gevraagd de beveiliging te bellen. De chirurg
stelt dat zij
daarna weer aan haar bureau heeft plaatsgenomen en geprobeerd heeft om het consult
op een rustige manier te beëindigen. Volgens haar was dit echter niet mogelijk. Klager
is woedend vertrokken.
5.4 Het staat vast dat de chirurg de assistente heeft gevraagd om de beveiliging
te bellen. Zij
voelde zich door klager bedreigd. Het college heeft geen aanknopingspunten om te
oordelen dat de
chirurg heeft gevraagd om de beveiliging in te schakelen zonder dat daarvoor goede
redenen waren.
Klachtonderdeel a) is dan ook kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) het openzetten van de deur van de spreekkamer tijdens het consult
waardoor de
geheimhouding is geschonden
5.5 Klager is van mening dat de chirurg op flagrante wijze het recht op geheimhouding
heeft
geschonden door de deur van de spreekkamer open te zetten, waardoor het consult
volgens hem
publiekelijk werd.
5.6 De chirurg ontkent dat zij met het openen van de deur van de polikamer de privacy
van klager
en de geheimhouding heeft geschonden. Zij stelt dat zij de deur heeft opengezet,
nadat zij had
gekeken of het mogelijk was om het consult vanuit de wachtkamer te volgen. De chirurg
geeft aan dat
de wachtkamer in verbinding staat met de polikamer via een ontvangstruimte met balie
en een gang.
Volgens haar is de afstand van de eerste stoel in de wachtkamer tot aan de polikamer
ongeveer 13
meter en zijn alle andere afstanden groter. De chirurg meent dan ook dat het nauwelijks
mogelijk is
dat derden het consult vanuit de wachtkamer hebben kunnen volgen. De chirurg geeft
aan dat het de
eerste keer is geweest dat zij de deur van de polikamer heeft opengezet.
5.7 Het staat vast dat de chirurg de deur van de polikamer heeft opengezet. Zij
heeft dit gedaan
vanuit veiligheidsoverwegingen. Ook voor wat betreft dit klachtonderdeel geldt dat
het college geen
aanknopingspunten heeft om te oordelen dat de chirurg de deur van de polikamer heeft
opengezet
zonder dat daarvoor goede redenen waren. Als een zorgverlener zich door een patiënt
bedreigd voelt,
dan heeft deze het recht om zijn eigen veiligheid te waarborgen. De chirurg geeft
aan dat zij heeft
gekeken of het mogelijk was om het consult vanuit de wachtkamer te volgen en stelt
dat dit
nauwelijks mogelijk was. Klager heeft dit niet weersproken. Naar het oordeel van
het college kan
dan ook niet worden aangenomen dat de chirurg de privacy van klager en de geheimhouding
heeft
geschonden. Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c) het niet afdoende beantwoorden van vragen van klager
5.8 Klager voert aan dat de chirurg ernstig in strijd heeft gehandeld met de op
haar rustende
verplichting tot het geven van inlichtingen. Hij geeft aan dat hij zijn vragen op
papier had gezet
en dat de chirurg hem op non-verbale wijze, door middel van haar houding en gezichtsuitdrukking,
liet blijken dat zij hiervan niet gediend was. Toen klager uiteindelijk zijn vragen
kon stellen,
nam de chirurg volgens hem een uitdagende en spottende houding aan. Klager stelt
dat de chirurg
zijn vragen niet heeft beantwoord dan wel dat zij schijnantwoorden of ernstig tekortschietende
antwoorden heeft gegeven. Hij geeft als voorbeeld van een schijnantwoord dat de
chirurg op de vraag of de liesbreuk niet toch indirect was, onmiddellijk en met grote
stelligheid heeft aangegeven dat sprake was van een indirecte liesbreuk en “dat zij
in Afrika enorme indirecte liesbreuken had gezien in het scrotum, waarbij de ballen
op
de grond lagen, zonder dat er ook maar iets aan de hand was, en zonder dat de patiënten
daar bang voor waren”. Verder geeft klager als voorbeeld van een schijnantwoord dat
de chirurg heeft aangegeven dat een vetliesbreuk nooit te zien is met een MRI en ook
steeds per dag wisselt en dat een MRI niet alleen niet protocollair is maar vooral
ook zinloos. Klager is van mening dat door de wijze waarop het consult is verlopen
sprake is van wanprestatie door de chirurg.
5.9 De chirurg voert aan dat zij tijdens het consult heeft geprobeerd om alle vragen
van klager
rustig te beantwoorden. Zij meent dat zij op een respectvolle en professionele wijze
heeft
gereageerd. Zij heeft van klager echter niet de kans gekregen om haar zinnen af
te maken.
5.10 Het college overweegt als volgt. Klager stelt dat de chirurg zijn vragen niet
heeft
beantwoord dan wel dat zij schijnantwoorden of ernstig tekortschietende antwoorden
heeft gegeven.
De chirurg geeft daarentegen aan dat zij alle vragen van klager heeft beantwoord,
althans dat zij
een poging daartoe heeft gedaan en dat zij dit op een professionele wijze heeft
gedaan. Om te
kunnen oordelen dat de chirurg tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, moet
kunnen worden
vastgesteld dat het verwijt dat klager de chirurg maakt juist is. In dit geval,
waarbij sprake is
van het woord van klager tegen dat van de chirurg, kan het college dit niet vaststellen.
Aan het
woord van de één kan immers niet meer waarde worden gehecht dan aan het woord van
de ander. Omdat
niet vaststaat dat de chirurg, als gevolg van een aan haar verwijtbare omstandigheid,
de vragen van
klager niet heeft beantwoord en ook niet vaststaat dat zij schijnantwoorden of ernstig
tekortschietende antwoorden heeft gegeven, kan het college ook niet vaststellen
dat de chirurg in
dit opzicht klachtwaardig heeft gehandeld. Klachtonderdeel c) mist hiermee feitelijke
grondslag en
is dus kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d) het te stellig en te snel stellen van een diagnose
5.11 Volgens klager heeft de chirurg op basis van lichamelijk onderzoek wel erg
snel en stellig
geoordeeld dat sprake was van een indirecte liesbreuk. Hij stelt dat in de literatuur
staat dat
eigenlijk alleen een MRI het beste kan aantonen dat sprake is van een indirecte
liesbreuk.
5.12 De chirurg voert aan dat zij bij klager een anamnese heeft afgenomen en lichamelijk
onderzoek
heeft gedaan. Zij geeft aan dat zij een duidelijke, reponibele liesbreuk zag en
dat zij klager
heeft uitgelegd dat een liesbreuk niet vanzelf overgaat en dat er een indicatie
is om te opereren
als er klachten zijn. Ook geeft zij aan dat zij klager heeft verteld dat er onderzoek
is gedaan
naar een afwachtend beleid en dat de uitkomst daarvan was dat bij een hele grote
groep patiënten
die minimale dan wel geen klachten van een liesbreuk had, de kans op een operatie
binnen zeven jaar
70% was omdat er klachten ontstonden.
5.13 Naar het oordeel van het college biedt het dossier geen aanknopingspunten voor
de stelling
van klager dat de chirurg te stellig en te snel een diagnose heeft gesteld. Op basis
van het
onderzoek dat de chirurg bij klager heeft gedaan, heeft zij redelijkerwijs tot haar
diagnose kunnen
komen. Klager wilde een MRI. Een door een zorgverlener ingesteld onderzoek moet
echter
gerechtvaardigd kunnen worden. Die rechtvaardiging moet liggen in een bepaald belang
voor de
patiënt. Als dat er niet is, mag een zorgverlener geen zinloos onderzoek (laten)
uitvoeren, ook
niet wanneer het de uitdrukkelijke wens van de patiënt is dat het onderzoek wordt
uitgevoerd. Dat
de chirurg geen aanleiding zag voor een MRI en hiervoor dan ook geen verwijzing
heeft gemaakt, is
dan ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Ook klachtonderdeel d) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel e) het afleggen van een valse verklaring
5.14 Klager voert aan dat de chirurg een valse schriftelijke verklaring heeft afgelegd
door op te
schrijven dat zij de vragen van klager in alle rust heeft beantwoord en dat zij
haar verhaal niet
kon afmaken. Bovendien heeft zij gelogen door op te schrijven dat klager een aanvallende
houding
kreeg.
5.15 De chirurg ontkent ten stelligste dat zij valse verklaringen heeft opgesteld.
Zij geeft aan
dat klager iemand had meegenomen naar het consult en dat deze persoon letterlijk
heeft uitgesproken
dat de chirurg wel degelijk rustig op alle vragen antwoord gaf en dat deze persoon
klager heeft
vermaand om rustig te blijven.
5.16 Het college stelt vast dat sprake is van het woord van klager tegen dat van
de chirurg.
Daardoor kan het college niet vaststellen dat de chirurg op dit punt klachtwaardig
heeft gehandeld.
Klachtonderdeel e) is daarmee eveneens kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel f) het stellen van irrelevante vragen aan klager
5.17 Klager stelt dat de chirurg misbruik van haar rechtmatig medisch gezag en/of
van haar
leiderschap heeft gepleegd door hem na de vraag wat zijn maatschappelijke positie
was de vraag te
stellen wat hij na zijn pensioen deed. Deze vraag is volgens klager voor de liesbreuk
niet van
belang.
5.18 De chirurg geeft aan dat klager haar tijdens het consult heeft verteld er alles
aan te willen
doen om een operatie te voorkomen. Zij heeft gevraagd naar wat klager in het dagelijks
leven deed
om een inschatting te kunnen maken van in hoeverre zij een operatie al dan niet
zou adviseren.
5.19 Naar het oordeel van het college is – in tegenstelling tot wat klager beweert
– de vraag wat
hij in het dagelijks leven doet wel degelijk relevant voor het bepalen van het beleid
rondom de
liesbreuk. Daarmee is volgens het college geen sprake van misbruik van rechtmatig
medisch gezag
en/of leiderschap door de chirurg. Klachtonderdeel f) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel g) het maken van respectloze opmerkingen
5.20 Klager voert aan dat de chirurg de volgende grensoverschrijdende, niet van
respect getuigende
opmerking heeft gemaakt over de liesbreukband die hij creatief technisch verbeterd
had: “Zo zo, U
bent me een knutselaartje”. Hij stelt dat de chirurg hiermee in strijd heeft gehandeld
met de Wet
kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz), die bepaalt dat de arts de patiënt
met respect moet
behandelen. De chirurg ontkent ten stelligste dat zij klager onheus of zonder respect
heeft
bejegend.
5.21 Het college stelt vast dat de chirurg niet uitdrukkelijk heeft betwist dat zij
de opmerking
“Zo zo, U bent me een knutselaartje” heeft gemaakt. Ook als juist is dat zij deze
opmerking heeft
gemaakt, is er naar het oordeel van het college nog geen sprake van een respectloze
bejegening. Dat
de chirurg verder nog respectloze opmerkingen heeft gemaakt, hetgeen de chirurg
betwist, kan het
college niet vaststellen. Klachtonderdeel g) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel h) emotioneel, impulsief en arrogant reageren toen het gesprek met
klager
ontspoorde
5.22 Klager geeft aan dat op het moment dat hij tegen de chirurg zei dat zij niet
alles van de
arts-patiëntrelatie heeft begrepen, althans naar de kant van het recht toe, de chirurg
met haar
bureaustoel een halve meter naar achteren is gedeinsd. Hij vindt dit grensoverschrijdend,
ongewenst
gedrag. Ook geeft klager aan dat hij vervolgens heeft gezegd dat de chirurg op korte
termijn voor
het tuchtcollege zou staan als het zo was dat haar terugdeinzen betekende dat zij
de
arts-patiëntrelatie wilde beëindigen. Ook daarop heeft de chirurg volgens klager
emotioneel of
impulsief gereageerd met hoofdzakelijk non-verbaal arrogant dedain, onderbroken
door een hoog
zangachtig geluid. De chirurg ontkent ten stelligste dat zij klager onheus of zonder
respect heeft
benaderd.
5.23 Ook voor wat betreft dit klachtonderdeel geldt dat sprake is van het woord van
klager tegen
dat van de chirurg, waardoor het college niet kan vaststellen dat de chirurg op
dit punt
klachtwaardig heeft gehandeld. Klachtonderdeel h) is daarmee eveneens kennelijk
ongegrond.
Slotsom
5.24 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door T.N.E. Meyboom, voorzitter, H.W.J. Koot en M.H.M.
Bender,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door D. van Grootveld, secretaris, en in het openbaar
uitgesproken
door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 4 februari 2026.