ECLI:NL:TGZRSHE:2026:178 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/9055

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:178
Datum uitspraak: 21-10-2026
Datum publicatie: 21-10-2026
Zaaknummer(s): H2025/9055
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen chirurg, die werd geconsulteerd door huisarts via digitale consultatie (DICO) vanwege een mogelijke scheur in klagers kuitspier. Klager verwijt verweerder dat hij eerder actie had moeten ondernemen ten aanzien van het fixeren van zijn enkel, klager persoonlijk had moeten onderzoeken en zijn advies aan de huisarts daarop had moeten baseren. Ook zou de chirurg ten onrechte advies hebben uitgebracht terwijl hij de door de huisarts meegestuurde bijlagen niet kon openen. Er was geen aanleiding om de enkel van klager te fixeren of om klager te zien. De chirurg kon en mocht zijn advies baseren op de informatie die hij tot zijn beschikking had.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 21 oktober 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,

tegen

C],
arts - chirurg, werkzaam in [B],
verweerder, hierna ook: de chirurg,
gemachtigde: mr. S.J. Muntinga, werkzaam in Utrecht.


1. De zaak in het kort
1.1   Klager had zich verstapt in het buitenland en werd daar gezien in het ziekenhuis. Nadien 
meldde hij zich bij de zijn huisarts wegens een mogelijke scheur in zijn kuitspier. De huisarts 
vroeg via digitale consultatie (DICO) advies aan verweerder. Klager verwijt verweerder dat hij 
eerder actie had moeten ondernemen ten aanzien van het fixeren van de enkel van klager, dat hij 
klager persoonlijk had moeten onderzoeken en zijn advies aan de huisarts daarop had moeten baseren. 
Klager is verder van mening dat verweerder ten onrechte advies heeft uitgebracht terwijl hij de 
door de huisarts meegestuurde bijlagen niet
kon openen.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 2 oktober 2025;
-  het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 22 december 2025;
-  het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 5 februari 2026;
-  de brief van 2 maart 2026, ontvangen van de gemachtigde van verweerder.

2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   Bij klager werd op 6 mei 2025 in een ziekenhuis in het buitenland een zweepslag in zijn 
linker kuit vastgesteld.

3.2   Klager wendde zich na terugkomst tot zijn huisartsenpraktijk zoals in het buitenland was 
geadviseerd. De huisarts heeft onderzoek verricht en via een DICO (Digitale Interdisciplinaire 
Consultatie) advies gevraagd bij het ziekenhuis waar verweerder werkzaam is als chirurg. Verweerder 
was die dag degene die het digitaal overleg beantwoordde.

3.3  In de dossiersamenvatting die verweerder ontving was het volgende opgenomen (alle citaten voor 
zover van belang en letterlijk weergegeven)):

“ 06-05-2025 (…)
(E) - L81.01, Coup de fouet/zweepslag; scheur spier kuit.
(…) Beste [voornaam klager], Dank voor de brief, inderdaad is de achillespees intact gelukkig. Er 
staat niet beschreven hoe lang u het verband om moet houden, maar de voltarengel is inmiddels wel 
uitgewerkt. Het effect van de druk van het verband voorkomt enige toename van zwelling. Dus enkele 
dagen zou goed zijn. Trombose profylaxe /spuitjes is mijns inziens niet noodzakelijk. Bewegen op 
geleide van de pijn de komende week en bij aanhoudende onvermogen de voet te heffen of te 
mobiliseren graag op het spreekuur komen danwel naar een
fysiotherapeut te gaan. Sterkte met het herstel, mvg, [naam waarnemend huisarts] Bericht van 
Patiënt [naam klager]: L.S., Bij deze zend ik u het consult wat ik heb gekregen in [buitenland] 
nadat ik mijn kuitspier heb gescheurd. Ik heb vanmorgen gesproken met uw collega (…). Ik heb met 
haar afgesproken het consult door te sturen. Graag hoor ik van u of (…) of ik verder nog stappen 
moet ondernemen. Met vriendelijke groet, [naam klager]”.

3.4  Op 7 mei 2025 gaf verweerder per brief het volgende advies aan de huisarts van klager:

“Geachte collega,


U vroeg advies over bovengenoemde patiënt.


Vraagstelling
Bent u akkoord met mijn voorgestelde beleid (geen trombose profylaxe en mobiliseren op geleide van 
klachten). Zie onderstaande en in bijlage de brief van [buitenlandse] arts

Advies
Nee, volgens ons protcol geen indicatie voor fraxi profylaxe. Geen immobilisatie vd enkel. FT kan 
helpen met rektherapie. (…)”.

3.5   Op 20 juni 2025 werd klager opnieuw door de huisarts gezien vanwege een dikke enkel en voet 
en geen kracht-of mobiliteitsverbetering. Klager werd doorverwezen naar het ziekenhuis, waar een 
echo werd gemaakt. In het verslag daarvan werd genoteerd:
“Geen eerder onderzoek ter vergelijking.

Echografie verricht door de echo laborant.

Echografisch geen trombose of tromboflebits in de Vfemoralis, VSM, VSP, Vpoplitea, kuitvenen en in 
het onderbeen rondom de enkel (plek van klacht).

Wel wordt er een redelijke hoeveelheid subcutaan oedeem gezien in de enkel.

Conclusie:
Geen trombose of tromboflebitis. Retour huisarts”.

3.6  Op 1 augustus 2025 werd klager opnieuw naar het ziekenhuis verwezen door de huisarts. In de 
verwijsbrief vermeldde de huisarts:
“Aanhoudend krachtverlies en oedeem linker kuit na zweepslag op 6/5/25 (geconstateerd in
ziekenhuis [buitenland], zie bijgevoegd document).

D-Dimeer grotendeels gedaald. Gezien bij 1.09 geen Trombose op de echo en nu een vrijwel 
genormaliseerd D-Diemer echo vrijwel uitgesloten. Gezien aanhoudende klachten naar
chirurg.”

3.7   Verweerder heeft de verwijzing op 5 augustus 2025 behandeld. Verweerder heeft de verwijzing 
omgezet in een DICO met het advies: “Kunnen we chirurgisch niks aan doen. Bestaat geen chirurgische 
behandeling voor. Herstel kan lang duren. FT voor lengte spieren terugwinnen en krachtsopbouw.“

3.8  Op 15 augustus 2025 stelde de huisarts van klager de volgende vraag:
“Status na trauma 8 weken geleden. Blijft probleem houden dat hij zijn kuitspieren niet kan 
gebruiken. Bij echo: Ruptuur ten hoogte van de musculotendineuze overgang. 10!cm craniaal van het 
tuber calcanei. Er verlopen nog enkele vezels door het longitudinale vlak, omgeven door vocht. Ter 
plaatse is subcutaan oedeem aanwijsbaar. Geen drukpijn meer aanwezig.
Behoeft dit verder behandeling door u?”

3.9   Verweerder gaf daarop het volgende advies: “Hoge AP rupturen kunnen en moeten we niet 
opereren. Wat misschien kan helpen is een achillotrain. Deze is via onze gipskamer te krijgen 
(verwijzing via de poli nodig). Of vrije verkoop: Silistab Achillotrain.”

3.10  Klager heeft een second opinion bij een ander ziekenhuis aangevraagd via zijn huisarts. 
Verweerder is verder niet meer betrokken geweest bij de behandeling van klager.

4. De klacht en de reactie van de chirurg
4.1  Klager verwijt de chirurg dat hij:
a. eerder actie had moeten ondernemen in de zin van het fixeren van de enkel van klager;
b. klager minimaal persoonlijk had kunnen onderzoeken en zijn advies daarop had kunnen baseren;
c. geen advies mocht geven omdat de door de huisarts meegestuurde bijlagen voor hem niet leesbaar 
waren.

4.2  De chirurg heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1   De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende chirurg. Bij de beoordeling wordt rekening 
gehouden met de voor de chirurg geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een 
zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk 
verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk 
zijn voor hun eigen handelen.

Het college oordeelt dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Wegens 
samenhang zullen de klachtonderdelen a en c gezamenlijk worden behandeld.

Klachtonderdeel a) eerder actie moeten ondernemen in de zin van het fixeren van de enkel van klager 
en c) geen advies mogen geven omdat de door de huisarts meegestuurde bijlagen voor hem niet 
leesbaar waren
5.2   Klager verwijt verweerder dat hij eerder actie had moeten ondernemen ten aanzien van het 
fixeren van de enkel van klager en dat hij geen advies had mogen geven omdat de door de huisarts 
meegestuurde bijlagen voor hem niet leesbaar waren. Volgens verweerder was er op 1 augustus 2025 
geen indicatie voor een preventieve behandeling met bloedverdunners ter voorkoming van trombose en 
is bij een spierscheuring het advies voor rektherapie een voorgeschreven behandelwijze. Verweerder 
is van mening dat hij kon komen tot dit advies omdat de huisarts beschreef dat er sprake was van 
een “coupe de fouet”. Omdat het gebruik van deze term niet gebruikelijk is voor een huisarts ging 
verweerder ervan uit dat deze afkomstig was uit de informatie van de arts waar klager in het 
buitenland was geweest. Er was, volgens verweerder, geen aanleiding om te twijfelen aan de gestelde diagnose 
zweepslag. Juist is dat verweerder de gemaakte echo niet heeft kunnen openen toen hij de brief van 
1 augustus 2025 kreeg omdat de echo in een ander ziekenhuis was gemaakt. Pas in de aanvraag op 15 
augustus 2025 werd gesproken over een ruptuur van de achillespees. Daarop heeft verweerder het 
advies aangepast en voorgesteld dat klager via het ziekenhuis een achillotrain kon laten aanmeten 
via de gipskamer. Dat mogelijk in eerste instantie al sprake was van een achillespeesruptuur kan 
hem niet worden tegengeworpen, aldus verweerder.

5.3   Het college oordeelt als volgt. Een digitaal overleg is een laagdrempelige manier van advies 
vragen voor een huisarts aan een specialist. Het advies wordt gebaseerd op de door de huisarts op 
dat moment gegeven informatie. Ook in deze zaak heeft verweerder op basis van de door de huisarts 
gegeven informatie een advies geformuleerd. Het college kan het advies goed volgen gelet op de op 
dat moment gegeven informatie. Er was op dat moment ook geen aanleiding om actie te ondernemen en 
de enkel van klager te fixeren. Fixatie van de enkel is namelijk pas aan de orde bij een scheur in 
de achillespees. De informatie betrof geen scheur in de achillespees. Wat betreft het verwijt dat 
verweerder volgens klager helemaal geen advies had mogen geven (zo begrijpt het college) oordeelt 
het college dat ook dit verwijt onterecht is. Zoals hiervoor weergegeven is de bedoeling van een 
DICO om laagdrempelig en op grond van de gegeven informatie advies te geven. Verweerder heeft zijn 
advies kunnen en mogen baseren op de genoemde informatie. De bijlagen waren niet noodzakelijk om 
een advies te formuleren. De klachtonderdelen a en c zijn daarmee ongegrond.

Klachtonderdeel b) klager persoonlijk kunnen onderzoeken en zijn advies daarop kunnen baseren
5.4   Klager verwijt verweerder met dit klachtonderdeel dat hij hem niet heeft gezien en tevens 
niet heeft onderzocht voordat hij een advies uitbracht op 5 augustus 2025. Zo begrijpt het college. 
Volgens klager had verweerder dit wel moeten doen. Verweerder heeft opgemerkt dat hij de verwijzing 
kon en mocht omzetten naar een DICO. Er was geen noodzaak klager persoonlijk te zien of te 
onderzoeken. Verweerder heeft verder opgemerkt dat de huisarts van klager in zijn verwijzing niet 
heeft gevraagd om klager te zien.

5.5   Het college oordeelt als volgt. Het is aan de huisarts om te beoordelen of een patiënt dient 
te worden doorverwezen naar een specialist. Een specialist kan in sommige gevallen, indien dit 
noodzakelijk is, adviseren aan de huisarts om de patiënt door te verwijzen om deze persoonlijk te 
zien. Gelet op de door de huisarts verstrekte informatie omtrent het trauma was er geen noodzaak om 
klager te laten beoordelen door een specialist. Vaststaat dat ook de huisarts niet heeft gevraagd 
of klager mogelijk moest worden doorverwezen waarvoor overigens ook voor de huisarts geen 
aanleiding was. Het geconstateerde trauma kon voldoende worden behandeld met een achillotrain, wat 
ook door verweerder is geadviseerd.

Het handelen van verweerder (en de huisarts) is naar het oordeel van het college goed te
volgen en helder. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Slotsom
5.6  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht
kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 21 oktober 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-
van Meerwijk, voorzitter, L.H. Bouwman en B. Lamme, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door M. Karatepe, secretaris.