ECLI:NL:TGZRSHE:2026:177 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8166
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:177 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 21-10-2026 |
| Datum publicatie: | 21-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8166 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht van de partner van de inmiddels overleden patiënt tegen psychotherapeut ongegrond. Klaagster verwijt de psychotherapeut – kort gezegd – onvoldoende zorg aan de patiënt, het niet hebben voldaan aan regelingen en onvoldoende transparantie nadat de patiënt was overleden. Het college is van oordeel dat er regelmatig een suïcide risicotaxatie/risico-inschatting heeft plaatsgevonden en dat het verhogen van het risico van laag naar midden een begrijpelijke conclusie was. Dat de psychotherapeut niet strikt heeft toegezien op eerdere indiening van een crisissignaleringsplan kan het college volgen. Er was geen reden voor de psychotherapeut om het beroepsgeheim te doorbreken. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 21 oktober 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
tegen
[C],
psychotherapeut,
destijds werkzaam in [D], verweerster,
gemachtigde: mr. M.J.J. de Ridder, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster en haar partner woonden in het buitenland. De partner van klaagster
(verder te
noemen: patiënt) was door zijn huisarts vanuit het buitenland verwezen naar de instelling
waar
verweerster werkzaam was. Patiënt heeft suïcide gepleegd. Hij zat toen in de voorfase
voor de
hoofdbehandeling bij de instelling. Klaagster verwijt verweerster – kort gezegd
– onvoldoende zorg
aan patiënt, het niet hebben voldaan aan regelingen en onvoldoende transparantie
nadat patiënt was
overleden. Verweerster heeft verweer gevoerd.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld zodat de klacht ongegrond is. Hierna licht het college toe hoe het tot
dit oordeel is
gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 17 februari 2025;
- de USB-stick, ontvangen van klaagster;
- de brief van 10 april 2025 met de bijlage, ontvangen van klaagster op 15 april
2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 15 juli 2025;
- de e-mail van 5 augustus 2025, ontvangen van de gemachtigde van verweerster
- de e-mail met de bijlagen, ontvangen van klaagster op 29 oktober 2025;
- de e-mail van 3 november 2025 van het secretariaat van het tuchtcollege aan de
gemachtigde van
verweerster;
- de brief van 23 oktober 2025 met bijlage, ontvangen van de gemachtigde van verweerster
op 11 november 2025;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek van 11 november 2025;
- de nadere bewijsstukken, ontvangen van klaagster op 21 mei 2026.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 28 augustus 2026. De partijen
zijn
verschenen. Verweerster werd bijgestaan door haar gemachtigde. De partijen en de
gemachtigde van
verweerster hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Klaagster en de gemachtigde
van
verweerster hebben een pleitnotitie voorgelezen en aan het college en de andere
partij overhandigd.
3. De feiten
3.1 Klaagster is de echtgenote van patiënt. Klaagster en patiënt zijn vanaf 2007
woonachtig in
het buitenland. Patiënt had destijds een huisarts in het buitenland. Op
21 december 2019 heeft de huisarts patiënt verwezen naar de instelling waar verweerster
werkzaam
was.
3.2 Op 4 februari 2020 vond een intake plaats met een collega van verweerster. In
het kader van
de intake had patiënt informatie aangeleverd uit zijn voorgeschiedenis. Tijdens
de intake gaf
patiënt aan gevoelig te zijn voor alcoholverslaving, maar in januari 2020 te zijn
gestopt met het
drinken van alcohol.
3.3 Op 20 maart 2020 vond een adviesgesprek plaats met patiënt via videobellen.
Klaagster was
daarbij aanwezig. De bevindingen van de intake werden besproken en er werd een advies
gegeven aan
patiënt voor het volgen van een DIT-behandeling (dynamische interpersoonlijke therapie)
in
deeltijd. Ook werd patiënt in overweging gegeven om een therapeut in het land waar
hij woonde te
zoeken ter overbrugging van de wachttijd voor de behandeling bij de instelling.
Daarnaast werd
geadviseerd om de huisarts te vragen antidepressiva voor te schrijven.
3.4 Patiënt heeft een voorbereidende oriëntatiedag bijgewoond op 28 september 2020.
Ook heeft
patiënt meerdere bijeenkomsten bijgewoond in het kader van het voortraject in de
periode oktober
2020 t/m januari 2021 (de voorfase).
3.5 Er werd een zorgplan opgesteld dat is opgemaakt op 10 november 2020. In dit
zorgplan werd
verweerster als regiebehandelaar/primaire behandelaar opgenomen. Daarnaast zijn
de namen van de
medebehandelaars opgenomen. In het zorgplan is onder meer, voor zover nu van belang,
het volgende
opgenomen (alle citaten inclusief spel- en taalfouten):
“(…)
Met het op ‘actueel’ zetten van dit zorgplan heeft de primaire behandelaar/regiebehandelaar
de instemming van cliënt met dit plan vastgelegd (…)
Medicatie
je gebruik geen medicatie.
Risicotaxatie
Een uitgebreide risicotaxatie staat in jouw dossier onder de profielvragenlijst
‘risicotaxatie’. Er
zijn op het moment geen verhoogde risico’s gesignaleerd. Jouw verleden leert ons
wel dat jouw
commitmentproblemen vergroten wanneer je geraakt wordt en de ander te dichtbij
komt (…)
Eerst volgende evaluatiedatum 11 januari 2021
Evaluatiecyclus a.d.h.v. ROM instrumenten
Jouw laatste voorbereidingsgroep vindt in principe plaats op 11 januari 2021. Dit
is het laatste
moment om samen te evalueren of je klaar bent om te starten met het hoofdtraject.
Anderhalve maand
na start aan het hoofdtraject vindt een behandelplanbespreking plaats, waarbinnen
jouw IPAF
definitief wordt vastgesteld. (…)”
3.6 Op 17 december 2020 heeft verweerster geprobeerd om de huisarts in het buitenland
te bellen.
Er kon geen contact worden gelegd met de huisarts. Op diezelfde datum vond ook een
multidisciplinair overleg plaats. Tijdens het overleg werd besloten om twee behandelingen
toe te
voegen aan de behandeling van patiënt. Patiënt is hiervan op de hoogte gesteld per
e-mail van 18
december 2020. Op 31 december 2020 is patiënt ook gebeld door verweerster. Toen
is de voicemail
ingesproken.
3.7 Op 4 januari 2021 was er contact tussen patiënt en verweerster. In het medisch
dossier is
hierover, voor zover nu van belang, het volgende opgenomen:
“(…) Verder gesproken over de systeemtherapie. Client geeft aan het er met zijn
vrouw over gehad te
hebben, echter, dat ze er voor kiezen om pas in het hoofdtraject met de systeeemtherapie
te
starten. Zijn vrouw is zeker bereid om dan mee te komen, echter hun idee is dat
client eerst zelf
aan de slag moet zijn. Begrip uitgesproken voor dit idee. Mijn zorg uitgesproken
dat de relatie
niet stand houdt tot dan. (…)”
3.8 Op 11 januari 2021 vond een laatste bijeenkomst plaats in het kader van het
voortraject.
Afgesproken werd dat er telefonische overbruggingsgesprekken zouden plaatsvinden
tot het
hoofdtraject van de DIT-behandeling was gestart. De startdatum voor het hoofdtraject
was voorzien
op 19 april 2021.
3.9 Op 11 januari 2021 vond eveneens een gesprek plaats met de sociotherapeut. Er
is toen
gesproken over het opstellen van een signaleringsplan, contact met de huisarts en
het plannen van
de overbruggingscontacten. In het dossier is hierover, voor zover nu van belang,
het volgende
opgenomen:
“(…)
Hij was vanmorgen op medicijnen uit geweest en dit had hem meer tijd gekost dan
hij had gedacht.
Hij neemt de vervroegde startdatum van 19 april 2021 neutraal in ontvangst. Hij
en zijn vrouw komen
dan weer in Nederland wonen.
Hij is verbaasd dat wij een telefoonnummer van een huisarts in [naam buitenland] hebben
en zegt
direct dat hij bezig is met een huisarts in Nederland. Ik heb niet doorgevraagd
of wij het juiste
nummer hebben. (…) Hij gaat het signaleringsplan samen met zijn vrouw invullen.
Hij heeft in zijn
zorgplan gemist dat hij medicatie gebruikt en laat mij een doosje medicijnen zien.
(…) ik zal dit
doorgegeven aan de maker van zijn zorgplan. (…)”
3.10 Het gebruik van medicatie is daarna toegevoegd aan het zorgplan.
3.11 Op 14 januari 2021 werd patiënt door de psychiater onderzocht en werd een nieuwe
belafspraak
gemaakt met de psychiater voor over vier weken.
3.12 Omdat patiënt nog geen Nederlandse huisarts had, is door het behandelteam besproken
dat de
sociotherapeut dit met patiënt zou bespreken tijdens het overbruggingscontact.
3.13 Op 4 februari 2021 vond het overbruggingscontact met de sociotherapeut plaats.
In het medisch
dossier is daarover, voor zover nu van belang, het volgende opgenomen:
“(…)
Client noemt dat het niet goed gaat, voelt zich depressief. Dit lijkt toe te nemen
aldus cliënt.
Hij heeft nergens zin maar houdt wel de structuur van de dag aan: (…) Maar daarnaast
ook zorgen of
het praktisch en financieel wel blijft lopen. Hij heeft veel steun aan zijn vrouw
maar voelt zich ook schuldig naar haar. (…) Hij ziet ook tegen de behandeling op:
het
metzichtzelf aan de slag moeten. (…)
Zijn ontspanning is momenteel wandelen met de hond en samen met zijn vrouw Netflix
kijken.
Hij hoopt dat de psychiater iets met zijn medicatie kan doen.
Wij maken een nieuwe afspraak voor 1 maart.”
3.14 Op 11 februari 2021 had patiënt een belafspraak met de psychiater. Het lukte
de psychiater
echter niet om telefonisch contact te krijgen. Er werd een e-mail gestuurd naar
patiënt. Patiënt
had die dag wel contact met de psycholoog. Patiënt deelde mede wel somber te zijn
maar veel steun
te ervaren van zijn vrouw. De relatieproblematiek was minder dringend.
3.15 Op 16 februari 2021 werd opnieuw contact gezocht met patiënt door de psychiater.
De
psychiater stelde voor om met betrekking tot het voorschrijven van medicatie eerst
de lab-uitslagen
af te wachten en daarop de volgende actie te baseren. Dezelfde dag berichtte patiënt
dat hij en
klaagster gingen kijken naar een privé-laboratorium om de uitslagen te bepalen.
Het was volgens
patiënt op dat moment ontzettend druk vanwege een verbouwing. Hij zou nog iets laten
weten aan de
psychiater.
3.16 Op 1 maart 2021 is door de sociotherapeut getracht om telefonisch contact op
te nemen voor
een tweede overbruggingscontact. Tot twee keer toe is contact gezocht, maar een
contact is niet tot
stand gekomen. Daarop is een e-mail gestuurd.
3.17 Patiënt is op 1 maart 2021 besproken in het MDO. Geconstateerd werd dat patiënt
wel somber
was maar dat er nog wel contact was met de behandelaar (psychiater). De moeilijke
bereikbaarheid
van patiënt werd wel als praktisch probleem ervaren. Het risico op suïcidaliteit
werd op dat moment
nog als laag-midden geschat.
3.18 Op 4 maart 2021 was er telefonisch contact met de sociotherapeut en vond er
een tweede
overbruggingscontact plaats. In het medisch dossier is hierover, voor zover nu van
belang, het
volgende opgenomen:
“(…)
Telefonische afspraak: ik informeer waarom de afspraak van afgelopen maandag niet
gelukt is. Hij
noemt dat hij alles voorbereid had om eruit te stappen die maandag. Het was de slechtste
dag van
zijn leven. Hij denkt dat het toch niet durven hem heeft weerhouden. Hij geeft een
concrete
omschrijving van zijn suïcide plan. Zijn vrouw heeft een hernia en hij wil haar
ontzien. Hij heeft
dit plan voor suicide met niemand gedeeld. Als hij dit met zijn huisarts deelt is
hij bang dat hij
wordt opgesloten in een gekkenhuis in [naam land]. Hij heeft veel negatieve gedachten,
ook
praktisch veel zorgen rondom het bouw-project.
Hij ervaart dat hij door de anti-depressiva vlakker is en dat de negatieve gedachten
toenemen. Hij
is sinds dinsdag gaan afbouwen van 50 mg naar 25 mg. Hij wil dit helemaal afbouwen.
Hij zegt zich
nu beter te voelen, zoekt veel afleiding in het klussen. De huisvesting voor in
Nederland lukt
niet, er worden enorme prijzen gevraagd. Hij wil liever in augustus met de behandeling
starten in
plaats van april. De opening van het project is eind juli en hij hoopt hierna meer
rust voor de
therapie te hebben. Ik benoem dat hij nu heel praktisch aan het woord is maar dat
hij begon met hoe
slecht het met hem gaat. En hoe ziet hij dit voor zich als zijn behandeling wordt
uitgesteld tot
augustus. Hij heeft hier geen antwoord op. Het doet hem goed er nu met mij over
te delen. Het is
lastig afspraken maken als hij niet naar zijn huisarts wil. Hij oppert dat hij ons
[naam
instelling] kan bellen als het niet goed gaat, maar dit is alleen tijdens kantoor
uren. Hij is eind
maart in Nederland en zou wel een gesprek met de psychiater willen. Hij heeft zijn
bloedspiegel
niet meer laten prikken, hij laat dit gewoon voorbij gaan, aldus cliënt. (…) spreek
af dat ik dit
gaat overleggen in het team en dat hij iets van ons te horen krijgt.”
3.19 Dezelfde ochtend vond een overleg plaats met onder meer verweerster over de
telefonische
afspraak die de sociotherapeut met patiënt heeft gehad. In het medisch dossier is
daarover, voor
zover nu van belang, het volgende opgenomen:
“(…) en inschatting daarbij van verhoogd risico op suicidaliteit.
Acuut risico op suicidaliteit wordt op midden ingeschat. Spanning van client lijkt
gedaald te zijn
plus hij maakt nog contact over eind maart. Echter, hij heeft wel een plan gemaakt
wat als groot
risico wordt ingeschat.
Beleid: overleg inplannen met regiebehandelaar, psychiater en sociotherapeute om
vervolgbeleid te bepalen. (…)”
3.20 Op 4 maart 2021 om 16:05 uur vond een teamoverleg plaats. Afgesproken werd om
een online
afspraak te maken op maandag. Patiënt kreeg een uitnodiging via e-mail. Daarnaast
is er de
mogelijkheid van een afspraak aangeboden eind maart op locatie met de psychiater.
De afspraak is
via e-mail gecommuniceerd omdat was genoteerd dat patiënt had aangegeven verder
de hele dag te
werken. Patiënt was enkel bereikbaar wanneer op voorhand een e-mail werd gestuurd.
3.21 Op 8 maart 2021 werd verweerster door klaagster op de hoogte gesteld dat patiënt
door suïcide
is overleden, nadat er telefonisch contact is gezocht met patiënt omdat hij niet
aanwezig was bij
de online afspraak.
3.22 Verweerster heeft op 10 maart 2021 en 11 maart 2021 een e-mail gestuurd aan
klaagster om haar
medeleven te betuigen en voorts aangeboden om contact te hebben.
3.23 Op 15 maart 2021 heeft een onlinegesprek plaatsgevonden tussen verweerster en
klaagster. In
het medisch dossier is hierover, voor zover nu van belang, het volgende genoteerd:
“(…) Ze is er van overtuigd dat [naam patiënt] twee gezichten heeft; (…) Ze is er
van overtuigd dat
wij enkel het eerste hebben gezien en dat hij niet op zijn plaats zat bij ons en
dat de diagnose
misschien ook wel niet klopte. Daarom wil ze graag met ons in gesprek.
Wisten we wel hoe slecht het met hem ging? Ze vervolgt dat de therapie hem benauwd
heeft. Het
signaleringsplan wat hij had mee gekregen heeft als een zwaard boven zijn hoofd
gehangen. 1 versie
had hij al weg gegooid, een andere had zij verstopt. Ze vindt niet dat wij kunnen
verwachten dat
iemand dit plan invult, vindt dit pas iets voor iemand die al een deel in de behandeling
zit en wil
daarom graag met ons in gesprek als ze terug in Nederland is. (…) Zij wil ook graag
dossierinzage.
Terug gegeven dat ik ga uitzoeken of dit kan. (…) Ze geeft aan dat [naam patiënt]
een zwaar
drankprobleem had maar dat ze dit verborgen hadden voor ons uit angst dat hij anders
niet in
aanmerking kwam voor de behandeling. (…)”
3.24 Op 18 maart 2021 heeft verweerster per e-mail nogmaals haar medeleven betuigd.
Ook heeft zij
in de e-mail, voor zover nu van belang, het volgende laten weten aan klaagster:
“(…) Wat betreft jouw vraag voor dossierinzage: de Nederlandse wetgever heeft geregeld
dat
normaliter een nabestaande geen inzagerecht heeft. Wel vermoed ik dat middels een
gesprek wij wel
een aantal antwoorden kunnen geven op vragen die voor jou van waarde
zijn. (…)”
3.25 Op 30 maart 2021 heeft de geneesheer-directeur klaagster gecondoleerd en haar
uitgenodigd
voor een gesprek.
3.26 Op 18 mei 2021 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen klaagster en verweerster.
Daarbij was
ook de zorgmanager aanwezig.
3.27 Er heeft binnen de instelling ook een calamiteitenonderzoek plaatsgevonden en
zekerheidshalve
is een calamiteitenmelding gedaan bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Het
onderzoek is op 16
september 2021 afgerond. Klaagster is daarop uitgenodigd de rapportage te bespreken.
Zij heeft
daarvan afgezien.
4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1 Klaagster verwijt verweerster dat zij:
a) geen zorg heeft gedragen voor de overdracht naar de verwijzer. De verwijzer is
niet op de hoogte
gesteld van de diagnose, de medicatie, dat patiënt was uitgenodigd voor de oriëntatiedag,
dat hij
vervolgens deel zou nemen aan het voortraject, van de bevindingen van de psychiater
(psychiatrisch
rapport) en van (de start van) de behandeling;
b) onterecht heeft gerapporteerd dat het telefoonnummer van de huisarts niet klopt;
c) na de poging tot contact op 17 december 2020 ondanks dat zij in het bezit was
van het juiste
telefoonnummer en het e-mailadres van de huisarts, niet nogmaals heeft geprobeerd
contact op te
nemen met de huisarts;
d) geen zorg heeft gedragen voor het beschikbaar hebben van een crisissignaleringsplan;
e) geen zorg heeft gedragen voor een contactpersoon en klaagster niet als contactpersoon
met het
telefoonnummer van klaagster in dit dossier heeft vermeld;
f) geen zorg heeft gedragen voor routinematige risico-inschattingen op suïcide en
deze
inschattingen niet (correct) heeft uitgevoerd;
g) op 4 maart 2021 geen onderzoek heeft verricht naar de actuele suïcidale toestand
van patiënt en
geen stress- en kwetsbaarheid factoren in kaart heeft gebracht;
h) op 4 maart 2021 toen er sprake was van een crisis (suïcidaal gedrag), klaagster
als naaste en
belangrijkste vangnet en/of de huisarts niet heeft geïnformeerd over het verhoogde
risico op
suïcidaliteit;
i) bij de duidelijke suïcide signalen op 4 maart 2021 geen of onvoldoende onderzoek
heeft gedaan
(dan wel laten doen) en niet heeft ingegrepen (dan wel acties heeft uitgezet tot
ingrijpen) bij
duidelijke (verhoogde) suïcide signalen;
j) geen veiligheid en continuïteit van zorg heeft gecreëerd en niet heeft gebeld
met klaagster en
de huisarts;
k) geen rapportage heeft gemaakt in het medisch dossier over het feit dat zij heeft
geprobeerd om
de afspraak om te videobellen op maandag 8 maart 2021 naar voor het weekend te verplaatsen;
l) geen zorg heeft gedragen voor een verantwoorde uitvoering van het individuele
behandelplan, het
bijstellen van het individuele behandelplan (medicatie);
m) rapportages achteraf heeft toegevoegd aan het medisch dossier c.q. heeft aangepast;
n) geen handelingen in het (elektronisch) medisch dossier van patiënt heeft gelogd
waardoor er niet
meer is na te gaan wat er precies is gebeurd in het medisch dossier en er geen transparantie
is;
o) klaagster niet, ook niet tijdens het gesprek op 18 mei 2021, heeft geïnformeerd
over de aard en
de toedracht van het incident;
p) geen transparantie en openheid heeft geboden, door geen uitleg te geven over
wat er is gebeurd
in de periode rondom de suïcide van patiënt en hoe dit heeft kunnen gebeuren;
q) geen nazorg heeft geboden.
4.2 Verweerster heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Het college wenst allereerst op te merken dat zij meeleeft met klaagster die
haar partner is
verloren. Het is het college ook duidelijk dat klaagster haar partner mist en hetgeen
is gebeurd
klaagster diep raakt. Daar heeft het college oog voor. Dat neemt echter niet weg
dat het college
als taak heeft een tuchtklacht op een zakelijke manier te beoordelen.
5.2 Bij de beoordeling dient de vraag te worden beantwoord of verweerster de zorg
heeft verleend
die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en
redelijk handelende
psychotherapeut. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener
geldende
beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders
had kunnen
handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het
uitgangspunt dat
zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
Klachtonderdeel a) geen zorg gedragen voor overdracht naar verwijzer
5.3 Klaagster heeft tijdens de zitting dit klachtonderdeel aldus gewijzigd dat
zij verweerster
verwijt dat ze de regiewisseling niet heeft doorgegeven aan de huisarts in het buitenland
terwijl
in het kwaliteitsstatuut van de instelling staat dat een dergelijke wisseling aan
de huisarts wordt
doorgegeven.
5.4 Verweerster heeft tijdens de zitting opgemerkt dat dit mogelijkerwijs wel in
het
kwaliteitsstatuut staat – zij kon het op dat moment niet opzoeken – maar dat in
de praktijk een
dergelijke wisseling niet steeds aan de huisarts wordt doorgegeven. In deze casus
was er ook geen
contact geweest met de huisarts. Niet over de planning en daarmee ook niet over
de wisseling van
regiebehandelaar.
5.5 Het college is van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Allereerst
wordt opgemerkt
dat een kwaliteitsstatuut erop toeziet de kwaliteit van de zorg binnen een instelling
te borgen.
Een kwaliteitsstatuut is echter geen wettelijke bepaling. Een kwaliteitsstatuut
heeft ook niet
eenzelfde statuur als een geldende richtlijn die door een beroepsgroep is vastgesteld.
Het betreft
eenvoudig gezegd een manier om de zorg binnen een betreffende instelling zo transparant
mogelijk en
helder in te richten. Een kwaliteitsstatuut is daarbij een zogenoemd “levend document”
dat regelmatig tegen het licht kan worden gehouden en kan worden aangepast als dat
volgens een instelling nodig of wenselijk is, een
en ander binnen de geldende wet- en regelgeving. Van belang is in ieder geval dat
de kwaliteit van
de gezondheidszorg dient te worden gewaarborgd.
5.6 Het bovenstaande betekent dat wanneer er op onderdelen wordt afgeweken van een
kwaliteitsstatuut dit niet zonder meer tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Het is vooral
een
kwaliteitsdocument van de instelling zelf. Voor een individuele patiënt moet daartegen
steeds
worden beoordeeld of er omstandigheden zijn waarbij afwijking van het kwaliteitsstatuut
nuttig of
nodig is en daarmee tot een ander handelen kan/moet leiden.
5.7 Het kwaliteitsstatuut waar klaagster naar verwijst, bevat, zoals hiervoor al
genoemd, een
aantal afspraken die zien op de kwaliteit van de gezondheidszorg van de betreffende
instelling. Zo
wordt in het kwaliteitsstatuut aangegeven wat de functie van de regiebehandelaar
is. Anders dan
klaagster kennelijk veronderstelt, staat in het kwaliteitsstatuut niet dat bij overdracht
van een
regiebehandelaar, altijd melding dient plaats te vinden aan de verwijzer. Verweerster
heeft in die
zin dan ook niet gehandeld in strijd met het kwaliteitsstatuut. Maar ook overigens
is het college
van oordeel dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Helderheid
over de
persoon van de regiebehandelaar is van belang voor de patiënt en voor de medewerkers
van de
instelling opdat, bij vragen, duidelijk is wie als eerste kan worden bevraagd. Vast
staat dat
verweerster in november 2021 ook daadwerkelijk als regiebehandelaar van patiënt
werd gemeld in het
zorgplan, zodat voor patiënt zelf en voor de medewerkers van de instelling duidelijk
was wie
regiebehandelaar was van patiënt. Daarmee is naar het oordeel van het college voldoende
duidelijk
wie men kan benaderen bij vragen van patiënt of anderen. Gelet op het doel van het
kwaliteitsstatuut was daarmee ook aan het vereiste van kwaliteit van de zorg voldaan.
Er was geen
noodzaak voor een verdere mededeling aan de verwijzer.
Klachtonderdeel b) ten onrechte gerapporteerd dat telefoonnummer niet klopt
5.8 Klaagster heeft aangevoerd dat het telefoonnummer van de huisarts wel degelijk
juist in het
dossier is vermeld zodat verweerster ten onrechte heeft genoteerd dat het telefoonnummer
niet
klopte toen zij het nummer belde. Volgens klaagster heeft verweerster helemaal niet
gebeld op 17
december 2020 en is dit ten onrechte genoteerd door verweerster. De audit-loggings
zouden dit
volgens klaagster ook bewijzen. Volgens klaagster heeft verweerster nadien het medisch
dossier
aangepast.
5.9 Verweerster heeft opgemerkt dat zij wel de huisarts heeft geprobeerd te contacteren.
Helaas
heeft zij de huisarts destijds niet kunnen bereiken op het telefoonnummer dat in
het dossier van
patiënt was genoemd. Bij het online zoeken heeft verweerster geen ander telefoonnummer
kunnen
vinden. In haar veronderstelling was daarmee sprake van een onjuist telefoonnummer.
5.10 Het college is van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Vooropgesteld
wordt dat het
college geen enkele reden heeft om te twijfelen aan de integriteit van verweerster.
Er is ook geen enkele reden om aan te nemen dat verweerster de huisarts niet zou hebben
geprobeerd te bellen. Toen zij de huisarts niet heeft kunnen bereiken en geen ander
telefoonnummer kon traceren, heeft zij kunnen en mogen concluderen dat het telefoonnummer
onjuist was. De stelling van klaagster dat het telefoonnummer van de huisarts wel
correct in het dossier stond, kan niet worden geverifieerd en maakt dit ook niet anders.
Het gegeven dat verweerster de huisarts niet kon
bereiken was een punt van aandacht waarover de patiënt nog bevraagd kon worden.
Zij heeft daarvan
op de juiste wijze aantekening gemaakt. Verweerster heeft daarmee voldaan aan het
bepaalde in
artikel 7:454 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat verweerster – zo begrijpt het
college de
stelling van klaagster – het medisch dossier nadien op dit punt zou hebben aangepast,
kan het
college niet volgen. De opmerking met betrekking tot de audit-loggings die klaagster
heeft gemaakt,
zien naar eigen zeggen van klaagster op de week waarin de suïcide van patiënt heeft
plaatsgevonden.
Het bellen van de huisarts vond evenwel in december 2020 plaats. Gesteld noch gebleken
is dat er in
die periode sprake was van onjuiste loggings. Het college gaat dan ook aan deze
veronderstelling
voorbij.
Klachtonderdeel c) niet nogmaals contact opgenomen met de huisarts
5.11 Klaagster heeft ter nadere toelichting aangevoerd dat er geen verbod was om
contact op te
nemen met de huisarts en dat het niet ondernemen van een nieuwe poging, tuchtrechtelijk
verwijtbaar
was.
5.12 Verweerster heeft opgemerkt dat zij inderdaad niet op een later moment opnieuw
contact heeft
gezocht met de huisarts. Daarvoor was redengevend dat bleek dat patiënt het lastig
vond wanneer de
huisarts meer wist van de problematiek. Patiënt heeft ook uitdrukkelijk meegedeeld
dat hij niet
wilde dat er contact werd opgenomen met de huisarts. Voor het behandelteam en verweerster
werd op
dat moment prioriteit gegeven aan het opbouwen van het vertrouwen tussen patiënt
en de
behandelaars, boven een contact met de verwijzende huisarts.
5.13 Het college oordeelt als volgt. Uit het medisch dossier van patiënt blijkt dat
hij op een
aantal momenten heeft laten weten niet te willen dat er contact werd gezocht met
de huisarts. Er
wordt op 11 januari 2021 ook opgemerkt dat patiënt verbaasd was dat het telefoonnummer
van de
buitenlandse huisarts bekend was. Artikel 7:457 lid 1 BW bepaalt dat een zorgverlener
geen
inlichtingen aan anderen verstrekt zonder toestemming van de patiënt. Blijkens het
medisch dossier
was er geen toestemming voor het geven van inlichtingen aan de huisarts. Er was
ook geen sprake van
een uitzonderlijke situatie die noodzaakte tot contact met de huisarts. Naar het
oordeel van het
college is het, gelet op de opmerkingen die patiënt maakte met betrekking tot mogelijke
contacten
met de huisarts, het feit dat hij de meting van de bloedspiegel niet door de huisarts
wilde laten
verrichten, er op dat moment geen noodzaak was om de huisarts te contacteren en
het gegeven dat
patiënt nog in de voorfase zat, waarbij vooral moest worden gestuurd op vertrouwen
en commitment
voor de aankomende behandeling, volledig navolgbaar dat verweerster een nieuwe contactpoging
met de huisarts achterwege heeft gelaten. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdelen d) en e) niet zorgdragen voor een beschikbaar crisissignaleringsplan
en niet
noemen van klaagster als contactpersoon in medisch dossier
5.14 Klaagster heeft ter nadere toelichting op klachtonderdeel d) opgemerkt dat
er ten tijde van
de suïcide geen crisissignaleringsplan aanwezig was. Er was opgemerkt dat dit
crisissignaleringsplan pas hoefde te worden ingeleverd bij aanvang van het hoofdtraject.
Er werd
ook pas op 21 januari 2021 gevraagd om de gegevens van een contactpersoon. Verweerster
had volgens
klaagster moeten toezien op een tijdig crisissignaleringsplan.
5.15 Het opstellen van een crisissignaleringsplan is eigenlijk, zo heeft verweerster
opgemerkt,
bedoeld als een manier om patiënt na te laten denken over onderwerpen waar hij moeite
mee heeft.
Het is een manier om beter in te schatten wat hij zelf denkt nodig te hebben, zodat
dit in de
hoofdfase mee kan worden gewogen voor de wijze waarop de behandeling moet worden
ingevuld. Omdat
bekend is dat patiënten dit een lastig onderdeel vinden, mag het invullen van een
crisissignaleringsplan ook tijd kosten. Verweerster is van mening dat het een juiste
route was om
patiënt niet te dwingen om het crisissignaleringsplan eerder in te vullen, maar
merkte tijdens de
zitting op dat zij daarin nu wel wat strikter is geworden en voorafgaand helder
probeert te krijgen
wat de route is indien sprake is van een crisis voorafgaand aan de hoofdfase.
5.16 Gelet op de toelichting van verweerster, het gegeven dat er geen sprake was
van een
crisissignaleringsplan passend bij een intensieve behandeling gericht op stabilisatie
bij acute
suïcidaliteit (zoals bijvoorbeeld bij IHT) en het feit dat sprake was van een voorfase
waarin de
behandeling van patiënt nog moest worden vormgegeven, kan het college volgen dat
verweerster niet
strikt heeft toegezien op eerdere indiening van een crisissignaleringsplan in deze
fase. Er was
immers sprake van een plan in wording. Dat dit voor een patiënt lastig kan zijn
en tijd kan kosten,
is eveneens navolgbaar. Verweerster kan daarmee niet worden verweten dat er op het
moment van de
suïcide zich nog geen signaleringsplan in het dossier bevond. Het aanwijzen van
een contactpersoon
was al eerder aan patiënt gevraagd en staat los van het crisissignaleringsplan.
Het kan verweerster
niet worden verweten dat patiënt klaagster niet als contactpersoon heeft vermeld.
De
klachtonderdelen d) en e) zijn ongegrond.
Klachtonderdeel f) niet routinematig inschatten suïcide
5.17 Volgens klaagster heeft verweerster geen oog gehad voor eerdere aanwijzingen
van suïcide
omdat zij geen regelmatige risico-inschatting heeft gemaakt. Verweerster heeft dit
uitdrukkelijk
betwist en gewezen op de informatie in het medisch dossier waaruit blijkt dat op
meerdere momenten
een risico-inschatting is gemaakt.
5.18 Het college oordeelt als volgt. Uit het medisch dossier blijkt van een regelmatige
risicotaxatie met betrekking tot suïcide in de periode van de intake tot 4 maart
2021. Dit volgt uit de regelmatige contacten die zijn genoteerd in het medisch dossier.
Door de behandelaren is daarin meermalen ook een risicotaxatie gemaakt betreffende
de zorg over mogelijke suïcidaliteit.
Daarom zijn ook afspraken gemaakt met patiënt. Zo blijkt uit het medisch dossier
dat geoordeeld
wordt dat het belangrijk is om regelmatig contact te houden met patiënt tot aan
de behandeling in
de hoofdfase. Er wordt gewezen op het feit dat patiënt in het buitenland woont waardoor
contact
niet altijd gemakkelijk tot stand komt, waarvoor aandacht is. In juli 2020 wordt
met betrekking tot
het houden van contact een e-mail gestuurd. Omdat tot september 2020 de patiënt
afwachtend en in
zijn reactie ambivalent was, wordt daarvan melding gemaakt. Vanaf 28 september 2020
was er meer
regelmatig contact en patiënt nam ook deel aan de oriëntatiedag, zo blijkt uit het
medisch dossier.
In de periode tot 23 november 2020 nam patiënt deel aan verschillende groepsbijeenkomsten.
Op 23
november 2020 wordt genoteerd dat de houding van patiënt een dynamiek weergeeft
die in de gaten
wordt gehouden, hetgeen kan worden aangemerkt als een duidelijke risicotaxatie.
Het contact blijft
bestaan en op 31 december 2020 wordt contact gezocht met patiënt om afspraken te
maken over de
hoofdfase, waarna er op 4 januari 2021 een gesprek is met verweerster, patiënt en
klaagster. Op 11
januari 2021 is in het medisch dossier wederom zorg vanuit het behandelteam benoemd,
waarover met
patiënt in gesprek wordt gegaan. Op 4 februari 2021 wordt eveneens gewag gemaakt
van somberheid en
depressiviteit. Daarop wordt geacteerd door de betreffende behandelaar. Ook op 11
februari 2021 is
patiënt somber maar wordt ook vastgesteld dat er een vangnet is. Patiënt blijft
ook daarna wel in
contact met de instelling en de verschillende behandelaren tot 8 maart 2021. In
het licht van al
hetgeen hiervoor is weergegeven, is het college van oordeel dat er wel regelmatig
een suïcide
risicotaxatie/risico-inschatting heeft plaatsgevonden zodat dit klachtonderdeel
ongegrond is.
Klachtonderdelen g), h), i), j) en k) geen onderzoek gedaan naar actuele suïcidale
toestand van
patiënt, klaagster en huisarts tijdens deze crisis niet zijn geïnformeerd, geen
veiligheid en
continuïteit van zorg heeft gecreëerd, niet heeft doorverwezen en geen rapportage
heeft opgemaakt
van verschuiven van de afspraak van 8 maart 2021
5.19 Gelet op de toelichting op deze klachtonderdelen ziet het college redenen om
deze gezamenlijk
te behandelen. Verweerster heeft uitdrukkelijk betwist dat zij onvoldoende onderzoek
heeft gedaan
of dat haar handelen anderszins tuchtrechtelijk verwijtbaar is.
5.20 Vooropgesteld wordt dat het handelen van een zorgverlener wordt beoordeeld op
basis van de op
het moment van het handelen bekende gegevens. Dat het handelen achteraf anders of
beter had gekund
is geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt. Het college oordeelt met betrekking
tot de
klachtonderdelen als volgt. Uit het medisch dossier van patiënt volgt dat op 4 maart
2021 contact
is geweest met patiënt waarbij hij een ernstige overweging van suïcide heeft besproken
met de
sociotherapeut. De sociotherapeut heeft tijdens dit gesprek patiënt bevraagd en
de op dat moment
bestaande geestelijke toestand van patiënt uitgevraagd en beoordeeld. Uit het verslag
zoals
opgenomen in het medisch dossier heeft de sociotherapeut naar het oordeel van het
college op
deugdelijke wijze de problematiek op dat moment uitgevraagd. De sociotherapeut heeft
vervolgens
verweerster gecontacteerd en daarop is een afweging gemaakt om het suïciderisico
te verhogen van laag naar
midden. Naar het oordeel van het college is deze afweging navolgbaar. Verweerster
mocht vertrouwen
op de professionaliteit en deskundigheid van de sociotherapeut waar het gaat om
het uitvragen van
de op dat moment bestaande geestelijke toestand van patiënt en het verhogen van
het risico van laag
naar midden is, gelet op de inhoud van het verslag, een begrijpelijke conclusie.
Het is naar het
oordeel van het college in het licht van deze verhoging ook navolgbaar dat verweerster
vervolgens
een contact heeft gepland op 8 maart 2021. Omdat patiënt expliciet bij de sociotherapeut
had
aangegeven dat hij op 4 maart 2021 niet bereikbaar was, kan het college eveneens
volgen dat de
uitnodiging voor 8 maart 2021 via e-mail is doorgegeven. Nu het suïciderisico was
ingeschat op
midden, was er voor verweerster ook geen reden om haar beroepsgeheim te doorbreken
en klaagster dan
wel de huisarts, op de hoogte te brengen. Zoals hiervoor is overwogen, had patiënt
uitdrukkelijk
aangegeven dat contact met klaagster of de huisarts niet gewenst was. Anders dan
klaagster
kennelijk veronderstelt, is niet gebleken dat verweerster de afspraak van 8 maart
2021 heeft willen
verplaatsen naar een eerder moment. Verweerster heeft dit ook uitdrukkelijk betwist.
De
klachtonderdelen zijn ongegrond.
Klachtonderdeel l) bijstellen individuele behandelplan
5.21 Klaagster heeft ter nadere toelichting aangevoerd dat in het zorgplan aanvankelijk
ten
onrechte was opgenomen dat patiënt geen medicatie gebruikte terwijl dit wel zo was.
5.22 Het college is van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is alleen al omdat
verweerster
geen medicatie heeft voorgeschreven. Weliswaar is door een van de behandelaren aan
patiënt het
advies gegeven om met zijn huisarts te overleggen over het voorschrijven van antidepressiva,
maar
geen van de behandelaren heeft deze medicatie voorgeschreven. Dat betekent dat patiënt
zelf moet
melden of hij medicatie neemt. Patiënt heeft dat in een later contact ook aangegeven,
waarna het
zorgplan – terecht – is aangepast. Aan verweerster kan hiervan geen enkel verwijt
worden gemaakt.
Klachtonderdelen m) en n) rapportages achteraf toegevoegd/aangepast en het loggingsysteem
heeft
omzeild
5.23 Hetgeen klaagster heeft aangevoerd met betrekking tot de loggingsgegevens
kan naar het
oordeel van het college niet leiden tot de vaststelling dat sprake is geweest van
het niet juist
loggen door verweerster. Dat deze gegevens niet meer te achterhalen zijn, kan verweerster
in ieder
geval niet worden verweten nu sprake is geweest van een ICT-probleem. Dat verweerster
achteraf
rapportages heeft toegevoegd dan wel – ten onrechte – heeft aangepast, kan het college
evenmin
vaststellen. Het college kan enkel vaststellen dat het medisch dossier zorgvuldig
is bijgehouden en
vanaf aanvang een compleet beeld geeft van de contacten met patiënt. Deze klachtonderdelen
zijn
daarom ongegrond.
Klachtonderdelen o), p) en q) niet geïnformeerd over incident, geen openheid heeft
gegeven
en geen nazorg heeft geboden.
5.24 Het college ziet redenen om deze klachtonderdelen gezamenlijk te behandelen.
Klaagster heeft
tijdens de zitting gewezen op de e-mail van verweerster van 18 maart 2021 waarin
zou zijn opgenomen
dat klaagster antwoorden zou krijgen. Verweerster heeft aangevoerd dat er voorbehouden
zijn gemaakt
met betrekking tot de informatie.
5.25 Het college stelt vast dat in de e-mail van 18 maart 2021 door verweerster wel
degelijk
beperkingen zijn genoemd met betrekking tot het kunnen geven van een antwoord op
alle vragen
alsmede op volledige inzage aan de hand van het medisch dossier. Op dat moment was
ook geen sprake
van een van de wettelijke uitzonderingen waarvoor doorbreking van het beroepsgeheim
geldt.
Verweerster heeft daarom op juiste gronden geoordeeld dat zij het beroepsgeheim
niet kon
doorbreken. In het licht van deze beperkingen is navolgbaar dat verweerster terughoudend
is geweest
met het geven van antwoorden op vragen. Dat zij daarmee voor klaagster onvoldoende
transparant is
geweest, is een met het beroepsgeheim gepaard gaand gevolg dat verweerster niet
kan worden
tegengeworpen. Het college kan evenmin vaststellen dat verweerster geen nazorg heeft
geboden.
Verweerster is met klaagster in gesprek gegaan na het overlijden van patiënt en
heeft haar – binnen
de grenzen als hiervoor genoemd – zo goed mogelijk willen begeleiden. Zij heeft
daarmee ook zo goed
als mogelijk nazorg gegeven. Deze klachtonderdelen zijn eveneens ongegrond.
Slotsom
5.26 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht in alle onderdelen ongegrond
is.
Publicatie
5.27 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin
gelegen dat de uitspraak andere zorgverleners mogelijk handvatten kan bieden. De
publicatie zal
plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare
gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt
en ter
publicatie zal worden aangeboden aan de Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie
en aan het
tijdschrift Medisch Contact.
Deze beslissing is gegeven door T.N.E. Meyboom, voorzitter, K.A.J.C.M. van den Berg
Jeths-van
Meerwijk, lid-jurist, C.H. Oele, A.T. Prinsen-Reinders en T. Koetsier, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door G.J. Stoepker, secretaris, en in het openbaar uitgesproken
door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 21 oktober 2026.